Redactie Binnenland Brazilië

Culturele kanibalen

Beurtelings zijn Groene-redacteuren een aantal weken de gast van een Oegandees dagblad, een Kazachse krant of een weekblad uit Papoea-Nieuw-Guinea. Vanaf de Redactie Binnenland berichten ze over het dagelijks leven ter plekke. Deze week het laatste deel rond het Braziliaanse dagblad O Dia.

Het tropicalisme bracht eind jaren zestig een revolutie teweeg in de Braziliaanse muziek. Peetvader Caetano Veloso is ook nu nog een internationale superster. Hoe de bossanova een politiek gevaar werd en zo bijdroeg aan het moderne Brazilië.

RIO DE JANEIRO — De Grammy in de categorie ‘world music’ werd dit jaar gewonnen door Caetano Veloso, die de prestigieuze Amerikaanse muziekprijs kreeg voor zijn cd Livro. De 57-jarige Veloso, tot zijn eigen afgrijzen vaak omschreven als de ‘Braziliaanse Bob Dylan’, kwam niet over naar Los Angeles om de prijs in ontvangst te nemen. Vanuit zijn vakantieadres in Bahia, zijn geboortegrond, liet hij weten de eerder toegekende nationale Braziliaanse filmprijs voor Orfeu, geproduceerd door zijn vrouw Paula Lavigne en door hem van muziek voorzien, veel belangrijker te vinden dan zijn Grammy. Ook zei hij niet te begrijpen wat de Amerikanen nu precies bedoelen met ‘world music’ — een soort afvalbak voor alle muzieksoorten die geen jazz, rock of country-and-western zijn. Die ‘wereldmuziek’ is ondertussen vooral een Braziliaanse aangelegenheid: in 1998 en 1999 ging de prijs naar achtereenvolgens Milton Nascimento en Gilberto Gil, twee Braziliaanse muzikanten aan wie Caetano Veloso nauw verwant is (met Gil verbleef hij in 1969 zelfs samen in de gevangenis, zoals ze ook twee jaren van gezamenlijke ballingschap in Londen deelden). Nascimento en Gil zijn, net als Veloso, belangrijke vertegenwoordigers van het tropicalisme, de revolutionaire beweging die de Braziliaanse muziekwereld — en de Braziliaanse samenleving — eind jaren zestig op haar grondvesten deed schudden.



DAT TROPICALISME staat de laatste tijd weer fors in de aandacht. Niet in de laatste plaats door het verschijnen van de memoires van producent/componist/journalist Nelson Motta, wiens boek Noites Tropicais, herinneringen aan de hectische jaren van het tropicalisme, al weken hoog in de hitlijsten staat. Motta biecht in zijn boek onder meer op dat hij de minnaar was van de in 1982 aan een al te uitbundig consumptiepatroon van cocaïne en whisky overleden diva Ellis Regina, volgens velen de beste zangeres die modern Brazilië heeft voortgebracht. Motta’s boek is vooral het verhaal hoe de Braziliaanse muziek heeft gefungeerd als strijdmiddel tegen de dictatuur en tegen het culturele isolement dat deze met zich meebracht.


Het tropicalisme, een begrip dat is uitgevonden door beeldend kunstenaar Hélio Oiticia, kwam op in 1968 — ook in Brazilië een uiterst roerig jaar. In Rio gingen honderdduizend mensen de straat op om te protesteren tegen de militaire dictatuur, waaronder het land sinds 1 april 1964 gebukt ging. Brazilië had in de jaren vijftig een redelijk optimistische tijd gehad, met als toppunt het bewind van president Kubitschek, wiens grootste prestatie het bouwen van de nieuwe hoofdstad Brasilia in de binnenlanden was. Het was de tijd van de bossanova van João Gilberto, wiens plaat Chega de saudade in 1959 voor een ware sensatie zorgde. Gilberto mengde de bossanova met een laagje cool jazz à la Chet Baker, die hij zelf licht neuzelend van zang voorzag. Patriottische muziekcritici meenden dat de bossanova van Gilberto iets was voor ‘mensen die niet konden zingen’, maar Gilberto werd niettemin een grote ster. ‘Hij zou nog goed klinken als hij de krant voorlas’, zo meende Miles Davis.


Dankzij de wereldhit The girl from Ipanema, een ode aan de nog altijd als bardame in Ipanema werkzame Heloisa Pinto-Pinheiro, werd de bossanova een begrip in de gehele wereld. De bossanova stond in Brazilië voor vooruitgangsgeloof en optimisme. Kubitschek werd een ‘bossanova-president’ genoemd, het op last van hem gebouwde Brasilia een ‘bossanova-stad’.


Aan deze redelijk zonnige stemming kwam een einde in de jaren zestig. In 1961 had president Jânio Quadros tot stomme verbazing van de ene op de andere dag ontslag genomen (hij zei te vrezen dat ‘donkere krachten’ het hadden overgenomen), en daarna ging het bergafwaarts met het land. Zijn opvolger Jango Goulart probeerde de koers van Quadros voort te zetten, maar nadat hij vriendelijke betrekkingen aanknoopte met Fidel Castro’s Cuba en het Oostblok, en ook nog eens probeerde een rem te zetten op de ongebreidelde uitstroom van deviezen naar Zwitserse bankrekeningen, was het met hem gedaan. De militaire coup onder leiding van generaal Castello Branco, in 1967 opgevolgd door de nog veel rigidere generaal De Costa e Silva, had een abrupt einde gemaakt aan de ontwikkeling van Brazilië als een moderne democratie. Het land werd weer als vanouds geleid door het leger, de grootgrondbezitters en de meest reactionaire segmenten van de heilige moederkerk. Bijna dagelijks vonden er grote demonstraties plaats tegen het communisme; alles wat ‘on-Braziliaans’ was, werd hard aangevallen. In 1968 werd de totale censuur afgekondigd.



DAT JAAR VERSCHEEN het album Tropicalia van Veloso, Gil en zangeres Gal Costa, allen afkomstig uit Bahia, maar neergestreken in Rio. Deze muziek was het nieuwe geluid van Rio de Janeiro. De traditionele bossanova van Joaõ Gilberto werd vervlochten met Brecht, jazz, pop, funk en welke stijl er nog maar verder in kon worden verwerkt. Bovendien introduceerden Veloso en Gil tot afgrijzen van zowel de anti-Amerikaanse, linkse Braziliaanse intellectuelen als het conservatieve establishment de elektrische gitaar. In diverse manifesten verklaarde Veloso, een gewezen filosofiestudent en niet vies van een ideologische exercitie, dat het tropicalisme een beweging was gericht op het afschaffen van alle bewegingen. Hij beriep zich onder meer op het Kannibalistisch manifest van de dichter Oswald de Andrade uit 1928: een soort dadaïstische liefdesverklaring aan de Braziliaanse identiteit, die als geen ander was geëquipeerd om zich te laven aan welke bron dan ook. Als inspiratiebronnen noemde Veloso zowel Che Guevara als Brigitte Bardot, zowel Jack Kerouac als Jean-Luc Goddard, zowel Chuck Berry als John Lennon. Het werd hem niet in dank afgenomen. Toen hij zijn lied ‘Alegria Alegria’ zong op het TV Record Festival in 1968, begeleid door de rockband Os beat boys, werd Veloso uitgejouwd door het publiek. De tekst van ‘Alegria Alegria’ was volkomen vreemd en nieuw voor de moderne Braziliaanse muziek, schrijft muziekcriticus Charles A. Perrone. ‘De Braziliaanse muziek werd bevrijd uit een gesloten systeem van nationalistische vooroordelen, uit het isolement en het egocentrisme voor degene voor wie het mogelijk was te onderzoeken en te experimenteren.’


Al evenveel commotie veroorzaakte Veloso’s optreden op het Internationaal Muziek Festival van Saõ Paulo, waar hij gekleed in plastic het lied ‘É proibido probibir’ (‘Verboden te verbieden’) ten gehore bracht. Het tropicalisme was een expressie van de experimenteerlust die zich van de nieuwe generatie Brazilianen meester had gemaakt. Het ging lijnrecht in tegen de culturele aspiraties van de nieuwe machthebbers.



DE DICTATUUR BEGON aan een grote schoonmaak van ‘communistische’ invloeden op de Braziliaanse muziek. Een van de eerste slachtoffers was de razend populaire bossanova-vernieuwer Chico Buarque de Holanda. Door grote delen van het publiek werd hij gezien als de ultieme tegenstrever van Caetano Veloso. Buarque was lange tijd onaantastbaar. Met zijn melancholieke nasale stem en literaire teksten brak de groenogige ladykiller uit Rio in 1966 door met hits als ‘A Rita’, ‘Olê olâ’ en ‘A Banda’. ‘Iedere vrouw wilde met Chico trouwen en iedere man wilde zijn vriend zijn’, schrijft Nelson Motta in Noites Tropicais. Maar zijn theaterstuk Roda viva (‘Commotie’) maakte in een klap een einde aan zijn status als publiekslieveling. Het stuk, handelend over een Braziliaanse muziekster, was onder meer controversieel vanwege een scène waarin het publiek stukjes van de lever van de muziekster krijgt aangeboden. Tijdens een voorstelling in São Paulo werd het theater binnengevallen door een knokploeg van de communistenjagende CCC.


De grond werd Buarque zo heet onder de voeten dat hij de wijk nam naar Italië, waar hij in het voorprogramma van de bejaarde Josephine Baker zong. Eenmaal terug in Brazilië kreeg Buarque het zwaar aan de stok met de in december 1968 nog verder verscherpte censuur. De autoriteiten keurden nog maar een op de drie nummers van zijn hand goed. Hij ging een schuilnaam gebruiken — Julinho da Adelaide — om toch maar nieuwe nummers op de markt te kunnen brengen. En in 1974 nam hij een album op met alleen maar covers, Signal fechado (‘Rood licht’) genaamd. Zijn lied ‘Apesar de vôce’ werd door het publiek gezien als een protest tegen het regime, maar Buarque wist de heren censoren ervan te overtuigen dat het handelde om een tirannieke echtgenote.


Caetano Veloso verging het niet veel beter. In zijn in 1997 verschenen autobiografie Verdade Tropical (‘Tropische waarheid’) schrijft hij over zijn arrestatie in 1969. Samen met Gilberto Gil werd hij op onduidelijke gronden door de politie opgehaald om twee weken lang te worden uitgehoord over eventuele communistische betrekkingen. ‘Sinds deze ervaring in de gevangenis kreeg ik een andere kijk op de Braziliaanse samenleving, kreeg ik een idee van de omvang van de uitsluiting van de armen en van de afstammelingen van de slaven die de statistieken me nooit hadden kunnen geven’, schrijft hij. Vandaag de dag staat Caetano Veloso bekend als een van de felste pleitbezorgers voor een betere behandeling van de bewoners van de favela’s, terwijl Gilberto Gil nog enige tijd als minister van Cultuur werkzaam is geweest in de deelstaat Bahia.


Na op voorspraak van voetbalster Pele te zijn vrijgelaten, kregen de twee muzikanten te horen dat hun veiligheid in Brazilië niet gegarandeerd kon worden. Ze namen gezamenlijk de wijk naar Europa, waar ze tweeëneenhalf jaar in ballingschap doorbrachten. Veloso probeerde het eerst in Portugal, maar dat stond al evenzeer onder controle van de militairen. Voor Veloso waren de Portugezen ‘een triest volk dat op een mooie plek op aarde buiten de geschiedenis was geplaatst’. Vervolgens gingen Veloso en Gil naar Londen. Veloso omschrijft die periode in zijn boek als een ‘obscure droom’. In Chelsea beleefde hij een helse tijd, verteerd door heimwee naar Brazilië, worstelend met het Engels, nauwelijks in staat zich waar dan ook voor te interesseren. Alleen een bezoek van Roberto Carlos, superster van de Braziliaanse pop, beurde hem enigszins op. ‘Roberto was de echte koning van Brazilië, meer Braziliaan dan de militairen die ons uitwezen of de intellectuelen, kunstenaars en journalisten van links die ons eerst afwezen en nu mystificeerden.’ Als Veloso in Londen hoort van de dood van guerrillaleider Carlos Marighella, schrijft hij: ‘Wij zijn dood, hij is meer levend dan wij.’


Toen hij voor enige dagen terug mocht naar Brazilië, teneinde het veertigjarige huwelijksfeest van zijn ouders bij te wonen, moest Veloso op last van de autoriteiten twee tv-optredens verzorgen om te laten zien dat het militaire bewind de kwaadste niet is. In de straten vonden massademonstraties plaats van de kerk die vooral gericht leken tegen mensen zoals hij. ‘Brasil: amo-o o deixe-o’, schreeuwden de demonstranten: ‘Brazilië: hou ervan of verlaat het.’ Het bracht hem aan de rand van een zenuwinzinking. ‘Ik hield zoveel van Brazilië dat ik bijna niet buiten haar kon leven’, schrijft Veloso.


Hij oogstte bewondering met zijn optreden, waarbij hij, slechts begeleid door gitaar, een afscheidslied zong van Carmen Miranda, de legendarische koningin van de samba in de jaren veertig.



GILBERTO GIL VERGING het in Engelse ballingschap beter dan zijn vriend Veloso. Hij wist zich beter staande te houden, trad veel meer op. De in 1942 in Salvador, Bahia, geboren protestzanger had onder meer de haat van de autoriteiten over zich uitgeroepen met het opnemen van het lied ‘Soy loco por ti América’, een ode aan de dode Che Guevara. Evenals Veloso werd Gil ongewenst verklaard. ‘Alleen maar door anders te zijn, onverwacht, moedig, energiek, avontuurlijk, onbekend en gevaarlijk’, zo vertelde hij eens. Voor Gil was de gevangenis een persoonlijke revolutie: hij bekeerde zich daar tot yoga en vegetarisme. Eenmaal terug in Brazilië zou Gil zich inzetten voor de ‘re-Afrikanisatie’ van de zwarte cultuur in Bahia. Dit na een bezoek aan Nigeria, waar hij Fela Kuti leerde kennen en in de ban raakte van de Afrikaanse ritmes. ‘Het was alsof ik werd hergeplant in de Afrikaanse bodem en weer kon bloeien als een nieuwe boom’, zei hij.


In 1984 nam Gil een plaat op met de Wailers, de begeleidingsband van Bob Marley. Eind jaren tachtig ging hij in de politiek; hij werd staatssecretaris van Cultuur van de deelstaat Bahia.


De eerder als concurrenten afgeschilderde Chico Buarque en Caetano Veloso maakten na hun terugkomst in Brazilië duidelijk dat zij elkaar niet als tegenstanders, maar als bondgenoten zagen. Gezamenlijk namen ze een live-album op, waar de twee door hun achterban als ultieme antipoden van elkaar beschouwde grootmachten zeer wel door een deur bleken te kunnen. Nog altijd behoren ze tot de absolute top van componerend Brazilië. Met hun muziek hebben zij meer bijgedragen aan de wording van het nieuwe Brazilië dan welke politieke partij dan ook.



Deze serie komt tot stand met steun van het Humanistisch Instituut voor Ontwikkelingssamenwerking (Hivos) te Den Haag.