De Italianisant Nicolaes Berchem

Culturele landverraders

Tot ver in de achttiende eeuw was Nicolaes Berchem Europa’s ultieme landschapschilder. Door groeiend nationalisme verloor de ‘italianisant’ die positie.

Van de vele manifestaties van kunst en kennis deze winter is de expositie van Nicolaes Berchem de belangrijkste. Hoezo Berchem? Omdat dit de eerste keer is dat een tentoonstelling van zijn werken bijeen is gebracht. Tot ver in de achttiende eeuw werd Berchem in Europa gezien als de ultieme landschapschilder. Waarom weten we dat in Nederland dan niet? Omdat Berchem een ‘italianisant’ was. In de negentiende eeuw is in de Nederlandse kunstgeschiedenis de canon opgesteld van wat echt Nederlands was en daar horen italianisanten, classicisten en barokke meesters niet bij. Zij werden gezien als verraders van de volksziel en dat zijn ze ruim een eeuw gebleven. Wat een groteske vertekening van de geschiedenis dat met zich meebracht moge blijken uit het feit dat aan het begin van de zeventiende eeuw zo ongeveer twee derde van de Nederlandse schilders een reis naar Italië had ondernomen om daar met de ware kunst en het ware kunstenaarschap kennis te maken. Albert Blankert was de eerste die systematisch wetenschappelijke aandacht aan Nederlandse italianisanten besteedde. Pas in de laatste decennia zijn Nederlandse musea begonnen met een grote inhaalslag om recht te doen aan de volle rijkdom van onze Gouden Eeuw, inclusief de ‘internationalisten’ onder de Nederlandse schilders. Vandaar museale aankopen van werk van schilders als Van Everdingen, De Lairesse, Honthorst, Du Jardin en Jan de Bray en tentoonstellingen van classicisten en andere allureuze historieschilders. Vandaar ook deze eerste expositie van Berchem, die zelfs voor degenen die zijn werk menen te kennen in kwalitatief opzicht een verrassing is.

Haarlem heeft zowel Jacob van Ruisdael als Nicolaes Berchem voortgebracht. Beide schilders hebben samengewerkt en zijn vermoedelijk gezamenlijk naar Bentheim gereisd om daar te tekenen naar een schilderachtiger natuur dan in de Lage Landen voorhanden was. Toch heeft de gunst en ongunst der tijden van hen totaal verschillende kunstenaars gemaakt. Voor niemand minder dan Denis Diderot is Berchem de norm voor landschapschilderkunst. Naar aanleiding van het werk van de schilder Loutherbourg schrijft hij hoe verbazingwekkend het is dat een jonge kunstenaar als Loutherbourg toch al kan wedijveren met niemand minder dan de grote schilder uit Haarlem. Hij schildert in zijn landschappen met dezelfde kracht en ‘verité’ als Berchem. Loutherbourg is zo goed omdat hij op Berchem lijkt.

Hoe is het mogelijk dat Nicolaes Berchem die toppositie is kwijtgeraakt? En hoe kon Ruisdael die leiding overnemen? Daarvoor kan men het best Niederländische Briefe lezen, die de kunsttheoreticus Karl Schnaase in 1834 publiceerde. Bij een bezoek aan het Mauritshuis raakt hij diep onder de indruk van Ruisdael. Hij realiseert zich dat echte landschappen veel meer zijn dan idyllische, aan de Romeinse campagne ontleende arcadiën, waarin herders en boeren zachtmoedig met hun vee bezig zijn. Het landschap vertegenwoordigt het eigene en specifieke van de natuur van een bepaalde plek met alle ongemakken van dien: ruige rotsen, wilde rivieren en ontoegankelijke bossen. ‘Wahres Leben hat die Landschaft nur in klimatischer Individualität, als bestimmtes Land.’ De natuur bepaalt niet alleen het leven van herders en boeren, maar het wezen van een heel volk. Het landschap vertegenwoordigt de volksziel, en omgekeerd: aan geschilderde landschappen moet een volk zijn eigenheid kunnen ontdekken. Berchem is nu nergens meer en Ruisdael is de kampioen en wordt het voorbeeld voor negentiende-eeuwse landschapschilders.

Net als elders in Europa vonden zulke theorieën ook in Nederland een gerede voedingsbodem in een nationalisme dat zich in alle heftigheid ontwikkelde nadat we in 1830 België waren kwijtgeraakt. Wilde je weten wie je was als Nederlander, dan moest je Ruisdaels bekijken.

Jan Blokker heeft er onlangs weer eens op gewezen dat de Nederlandse consensusmaatschappij maakt dat we leven met absolute trends. Zijn we het eenmaal over iets eens, dan gaat meteen al het andere de prullenbak in. Daarom heeft Nederland het meest verwoestende modernisme gekend in vergelijking met de ons omringende landen. Daarom werden de italianisanten en andere ‘internationalisten’ – schilders van de elites van de Gouden Eeuw – naar het depot verwezen of naar het buitenland verkocht of gewoon bij het groot vuil gezet.

Wie wil zien hoe keurig de ‘dumping’ van kunstenaars in zijn werk kon gaan, moet maar eens de Kunstgeschiedenis der Nederlanden van H.E. van Gelder, de kunstbijbel van de generatie van mijn ouders, erop naslaan. Daarin worden niet meer dan drie zinnen aan Berchem gewijd. Eerst wordt de invloed van Claude Lorrains landschappen op Nederlandse kunstenaars vermeld als een soort infectie. Van alle schilders mist Berchem wel zeer het ‘Hollandsche’. Hij was wel een voortreffelijk tekenaar en hij begon landschappen met dieren te schilderen, een genre ‘dat zich overigens verder in zuiver Hollandschen trant ontwikkelen zal’. Je hoort de auteur in deze bijzin een zucht van verlichting slaken. Goddank kan hij ook vaststellen dat vervolgens bij Adriaen van de Velde, Paulus Potter en Albert Cuyp het ‘Hollandsche landschap terugkomt’. Het is altijd even wennen om te constateren dat wij in Nederland minstens even nationalistisch waren als anderen elders in Europa. Gelukkig was ons land te klein om met ‘Blut und Boden’ veel kwaad te kunnen.

Hoe anders ging Frankrijk met zijn italianisanten om. Claude Lorrain en Nicolas Poussin worden tot op de dag van vandaag geëerd als de kampioenen van de Franse schilderkunst, hoewel ze het grootste deel van hun leven in Italië hebben doorgebracht en daar ook de bronnen van hun kunst moeten worden gezocht. In de zeventiende eeuw had ‘onze’ Jan Both in Rome dezelfde voorname cliëntèle als Claude, maar Jan Both zijn we pas in de laatste jaren aan het herontdekken. Nederlanders verwierpen internationale kunst in hun nationalisme, Fransen annexeerden. Zo is Van Gogh voor hen een Franse schilder en eigenlijk Vermeer ook, omdat zij hem hebben herontdekt in de negentiende eeuw. Bij dit alles is het interessant dat Nicolaes Berchem naar alle waarschijnlijkheid nooit in Italië is geweest, zoals in de voortreffelijke catalogus bij de tentoonstelling duidelijk wordt gemaakt. Hij zag genoeg werken van italianisanten om zich heen in Haarlem en Amsterdam om daar zijn verrukkelijke arcadische wereld uit af te leiden. Op naar de tentoonstelling in het Frans Hals Museum om te genieten van een kunstenaar die Nederland aan de vergetelheid had prijsgegeven.

Deze recensie is een bewerking van de toespraak die Henk van Os hield bij de opening van de tentoonstelling Nicolaes Berchem: In het licht van Italië, in het Frans Hals Museum in Haarlem, tot en met 15 april
http://www.franshalsmuseum.nl/