Culturele neutronenbom

Waarom moet kunst altijd gerechtvaardigd worden en heeft ze alleen maar recht van bestaan vanwege een vaag en onbewezen maatschappelijk nut?

De neutronenbom mag dan een vergeten wapen zijn, ze bestaat nog wel. Het is een wapen dat, zo luidde de omschrijving eind jaren zeventig, ‘gebouwen laat staan en mensen doodt’. Dat is niet helemaal waar. Als de bom op bodemhoogte ontploft storten ook gebouwen in. De bedoeling was echter dat het wapen op grote hoogte explodeerde, waardoor bebouwing inderdaad ongerept bleef, maar alles wat groeit en bloeit door de intense straling om zeep werd gebracht. In die zin was het een schone bom: tegenstander weg en infrastructuur intact. Overigens zouden dan ook de vogels, de vissen, de beesten des velds en de vegetatie dood zijn, maar dat is in militaire termen waarschijnlijk niet iets om wakker van te liggen.

De neutronenbom werd van een reële dreiging een metafoor voor de perversiteit van het militair-industrieel complex. Maar zelfs die metafoor is tegenwoordig vergeten. De bom is de weg gegaan van oorlogsvoering door psychokinese en massahypnose. Ik moest er desondanks weer aan denken na een paar gesprekken met mensen uit de cultuursector (en mijzelf). Corona heeft daar hevig huisgehouden, en doet dat nog steeds, en het lijkt er veel op dat we over een paar jaar nog wel gebouwen en instituten hebben, maar nauwelijks nog kunstenaars.

De minister heeft bij de gratie Gods geld vrij kunnen maken voor de sector, maar dat gaat allemaal naar behoud van de infrastructuur, naar glas en steen en de salarissen van mensen die in dienst zijn bij instituten en instellingen. Het Concertgebouw gaat niet dicht en het Groninger Museum blijft open, net als een paar bibliotheken. Maar de mensen die maken wat zich in die gebouwen afspeelt, waarvoor men naar die gebouwen komt, die overleven het niet. Er schiet hoegenaamd niets over voor wat iedereen tegenwoordig ‘de makers’ noemt, een woord waarmee we maar duidelijk willen maken dat de kunstenaar het niet te hoog in de bol moet hebben en dat kunst gewoon een soort ambacht is.

Van die ‘makers’ wordt nu verwacht dat ze extra creatief zijn in hun ‘cultureel ondernemerschap’. Dat is alsof je tegen een drenkeling op zee zegt dat hij zijn gedachten eens over iets anders moet laten gaan dan verzuipen. En dan hebben we het nog niet over het misleidende van dat modieuze begrip ‘cultureel ondernemerschap’. Als dat al zou bestaan, waarom kun je je als kunstenaar dan niet tot de bank wenden met het verzoek om een boek, een symfonie, een schilderij of een rap-album te financieren? Nou ja, je kunt het wel doen, maar het hoongelach zal nog naklinken als je na een smadelijke aftocht de deur van de bank achter je sluit.

Kunst is in Nederland alleen iets waard als het ergens voor kan worden ingezet, als het nuttig is: voor de verheffing van de mens, als smeermiddel (als er weer eens een orkest mee mag tijdens een handelsmissie), om de stedelijke middenstand op te fleuren (lees: de horeca), om lovenswaardige ideeën over mens en maatschappij aan de man te brengen. Het maakt niet uit of links, rechts of het midden aan het bewind is. Het eerste wat ze doen is bezuinigen en het tweede is een oekaze uitvaardigen waarbij de kunstenaar uit de ivoren toren moet om contact te maken met de samenleving.

Dat is al zo lang het geval dat de kunstsector die manier van denken heeft overgenomen. De coronacrisis was nog niet op z’n hoogtepunt of de eerste kunstenaars en directeuren van instellingen begonnen al te bazelen dat de crisis ook een kans was om nieuwe manieren te bedenken om mensen te bereiken en nog iets te verdienen. Zo is de nitraatexplosie in Beiroet ook een kans. Zo is alles een kans. Het lijkt sympathiek en inventief, ‘make do and mend’, maar het is het kussen des duivels aars.

Het woord ‘maker’ zegt dat de kunstenaar het niet te hoog in de bol moet hebben

Erger nog zijn degenen uit de kunstsector die een pleidooi houden voor de kunsten omdat we er zoveel aan hebben, dat we er betere mensen van worden, dat het zo goed is voor de samenleving, dat kunst ons leert over de condition humaine, enzovoort. Ja, misschien. Misschien ook niet. Het gevaarlijke van die gedachte is dat het op die manier lijkt alsof kunst en cultuur gerechtvaardigd moeten worden, alsof beeldende kunst, literatuur, muziek, dans, noem maar op, alleen maar recht van bestaan hebben vanwege een vaag en onbewezen maatschappelijk nut. Je hoort dat soort onzin nooit over voetbal. Voetbalclubs zijn allemaal bv’s die aanspraak kunnen maken op gemeenschappelijke middelen, of dat nu de eindeloze inzet is van politie rond wedstrijden, infrastructuur of verkapte subsidies in de vorm van stadions die door gemeentes tegen belachelijke bedragen worden aangekocht, of zelfs mede ontwikkeld, en daarna tegen even belachelijke bedragen weer worden terug verhuurd aan zo’n bv. Daar moet je als kunstenaar of instelling eens om komen.

Ooit kwam ik op de boekenbeurs in Frankfurt iemand tegen van het ministerie van, toen, WVC. Ik zei: ‘Waarom voeren we geen speciaal belastingtarief voor kunstenaars in, net als in Ierland of Frankrijk. Er valt meestal niets bij ze te halen en het kost alleen maar geld om al die kleine krabbelaars elk jaar weer door de belastingmolen te halen.’

De reactie was geschrokken. Uitzonderingen? Nee, in Nederland wordt iedereen gelijk behandeld.

Ik dacht het niet. Maar het is een mooie mythe.

Ik begon dit met het idee van corona als een culturele neutronenbom, maar ik was even vergeten dat zo’n bom alleen kan worden gebruikt als het niemand iets kan schelen als alles weg is.

Volgende maand gewoon gezellig over technologie.