Opheffer

Culturele stilstand

Wat doen onze kunstenaars eigenlijk?

Ik denk dat ze heel mooi werk maken, want ik zie op de televisie wel eens Nederlandse modeontwerpers succesvol zijn in Parijs, ik zie een Nederlandse kunstenaar in Zomergasten die prachtige installaties maakt, ik zie met grote regelmaat Nederlandse filmers die bijvoorbeeld Alles is liefde maken, wat ik een heel leuke film vond.

Maar toch…

Ik mis iets, en ik kan niet goed zeggen wat dat is.

Ik mis kunstenaars die in het debat de leiding nemen. Ja, er is wel eens iemand die iets brutaals doet, die legt een nepbom in een museum, of maakt een openbaar herdenkingsmonument voor mensen die niet dood zijn – en dat is ook allemaal heel aardig – maar ook daar weer heb ik dat gevoel van: tja… kunstenaar-zijn… is toch een beroep als ieder ander… geworden. Er is niets bijzonders aan. En als kunst iets moet zijn, dat is het toch de uitzonderlijkheid, het bijzondere, het unieke.

Ik heb dat ook met de literatuur.

Oké, ik speel daar zelf een bescheiden rol in, maar daarom ook, in alle bescheidenheid, wat stelt het eigenlijk voor wat we hier in Nederland doen?

Er wordt prachtig geschreven, er worden dikke boeken gemaakt, en ook Adriaan van Dis en Jan Siebelink schijnen hun werk tegenwoordig zelf te schrijven, maar ook hier… Het is toch allemaal kabbelen in de polder.

We leven klaarblijkelijk in een tijd van culturele stilstand.

Kunst: ik zet de televisie aan en zie mijn lieve collega Ronald Giphart. Ik kan geen slecht woord over hem verdragen, want ik mag hem, ik hou van zijn taal. Maar… ik zie Ronald in dit VPRO-programma koken, met zijn kinderen, hij zegt aardige dingen over smaak en literatuur, maar ik dacht toch: ja, Jezus, die kinderen, pannenkoeken, vrouw, geluk, leuk, aardig, godverdomme Ronald, je bent nog jong, je bent domweg een goed auteur, gooi al die troep weg en wees ARTIEST!

Of ik zie Martin Bril. Geen slecht woord over hem. Ik wou dat ik zijn manier van beschrijven had. Ik neem mijn hoed voor hem af. Maar dan zie ik hem ook in een televisieprogramma met zijn dochters, en ik denk: niet doen, Martin. Niet doen. Ik weet dat je niks van mij aanneemt, waarom zou je ook, maar toch: doe dit niet!

En zo kan ik wel doorgaan. Schilders, beeldhouwers, filmers, musici… We gaan ten onder aan aardigheid, aan belangen, aan noodzakelijke netwerken, want anders kunnen we ons hoofd helemaal niet meer boven water houden. Ik begrijp het allemaal best. Ik wil ook een huis in Frankrijk.

Maar er gebeurt niets.

Ik weet dat op het moment dat ik dit constateer het ERGENS wel gebeurt. Zelfs hier in Nederland.

Maar waarom zie ik het niet? Waarom denk ik nu al een paar jaar: het water stroomt niet meer? Ik zie oude en nieuwe koppen, maar ik zie nergens kwaliteit. Ik heb ‘het’ misschien zelf ook niet, maar me dunkt dat ik het kan herkennen. En ik herken het niet.

Gaat het ons te goed?

Hebben we ons overeten?

Hebben we ‘de tijd’ tegen.

Of staat ‘de tijdgeest’ ons niet aan?

Ik weet het niet.

Wie vreemd, gek of uitzonderlijk is, wordt gestraft of opgeborgen, dat weet ik wel.

De gelukkige schizo uit de jaren zeventig, krijgt daar nu pillen tegen die hem impotent maken.

De jongen met ADHD krijgt eersteklas hulp.

Het hoerige kunstzinnige meisje mag gratis in therapie.

We zijn beter af, maar daardoor slechter geworden.