Culturele verleiding

Wolf Lepenies
The Seduction of Culture in German History
Princeton University Press, 260 blz., € 29,20

In de meeste landen gaat de staatkundige eenwording vooraf aan de ontwikkeling van een nationale cultuur en een nationale identiteit. In Duitsland was de volgorde omgekeerd.

Nadat het Heilige Römische Reich deutscher Nation uiteengevallen was in honderden landen, landjes en vrijsteden ontwikkelde zich in de zeventiende en achttiende eeuw een Duitse cultuurnatie. De meest opmerkelijke producten die deze Duitse cultuur voortbracht lagen op het terrein van de muziek, literatuur en filosofie. Pas in 1871 werd deze cultuurnatie een cultuurstaat.

De culturele elite beschikte dus over veel oudere papieren dan de politieke elite en vergat nooit om dit te benadrukken. Omdat de burgerij voor de Duitse eenwording weinig te vertellen had, trok zij zich terug in de ivoren toren van de cultuur. Die vormde een veel zuiverder, verhevener en aangenamer omgeving dan het onvermijdelijk wat dubieuze, ranzige marktplein dat politiek heet. Dit dédain bleef ook na 1871 bestaan. Politiek was in de ogen van het Bildungsbürgertum een vies en voos bedrijf, waar je je als het even kon niet mee bemoeide. Uit de titel van Thomas Manns Betrachtungen eines Unpolitischen sprak geen verontschuldiging maar onverholen trots.

Wolf Lepenies is niet de eerste die wijst op de catastrofale gevolgen van dit primaat van de cultuur. Het nationaal-socialisme dankte zijn opkomst voor een deel aan de afkeer van het gemarchandeer en gekrakeel van de parlementaire democratie en het verlangen naar een zuivere, esthetische en meeslepende vorm van politiek. Het was geen toeval dat een groot deel van de nazi-top bestond uit mislukte kunstenaars en intellectuelen.

Het interessante van deze essays van Lepenies is dat hij ook kijkt in hoeverre de ‘culturele verleiding’ na 1945 een rol heeft gespeeld. Een belangrijke wending ten goede is volgens hem het optreden geweest van Willy Brandt en de hulp die hij kreeg van Günter Grass. De laatste liet zien dat je als intellectueel niet moest ‘afdalen’ naar de politiek, maar dat die een integraal deel van het bestaan vormt, waarvoor elke burger ook zijn verantwoordelijkheid draagt.

Aan het eind van zijn boek komt Lepenies met enkele scherpzinnige opmerkingen over de enorme debatten die de afgelopen decennia in Duitsland hebben gewoed over de wijze waarop de nazi-misdaden herdacht moeten worden. Tegenover de megalomane monumenten stelt hij de kleine herdenkingstekens die overal in Berlijn te vinden zijn, en die laten zien dat ‘menselijk fatsoen’ niet begint bij grootse en meeslepende cultuuruitingen, maar in het alledaagse leven.