Cultuur is voor amateurs

Penelope Fitzgerald had vóór haar schrijverschap als lerares al genoeg uitgelegd. Haar lezers weigerde ze verklaringen. Daarmee zou ze hen alleen maar beledigen.

Medium fitzgerald

Penelope Fitzgerald heeft in haar romans een scherp oog voor ongemakkelijke waarheden. Ze komt ze op het spoor met het gemak waarmee een ander platgetrapte stukken kauwgom op de stoep detecteert. Als je haar leest, kan het heel simpel, haast banaal lijken: de conclusies die ze trekt, de verbindingen die ze legt, de vergelijkingen waarmee ze op de proppen komt. Penelope Fitzgerald is een meester in de alledaagse, nuchtere waarheidsvinding.

‘Ze had een vriendelijk karakter, alhoewel je daar weinig aan hebt als het op overleven aankomt’, luidt het op de eerste pagina van De boekhandel, de eerste roman van Fitzgerald die in het Nederlands verschijnt, bij de jonge uitgeverij Karmijn. Hoofdpersoon is Florence Green, boekenverkoper en buitenstaander. Met haar goedmoedigheid, haar koppigheid en haar kijk op zowel de noblesse als de leugenachtigheid van haar dorpsgenoten is ze een typische Fitzgerald-heldin. Het kan bijna niet anders of de roman berust op ervaringen van de auteur zelf, jarenlang verkoper in de zieltogende boekhandel van het Engelse kustplaatsje Southwold, dat op dezelfde hoogte als IJmuiden ligt.

De bankdirecteur bij wie Florence Green een lening afsluit, meent dat ze cultuur wil verbreiden in de woestenij – hij neemt dat woord in de mond met een mengeling van respect en spijt. Zij wil er niets van weten: cultuur is volgens haar voor amateurs. Ze is van plan geld te verdienen, in ieder geval genoeg om van te leven. Als ze de woning betrekt blijkt er een klopgeest in het oude huis te wonen en de schuur die ze voor de opslag van boeken in gedachten had, is daar veel te vochtig voor. Alle dorpsbewoners, inclusief de makelaar, hadden het haar kunnen zeggen, maar ze lieten dat na. Vanaf dag één probeert een dame haar het huis uit te krijgen om er een culturele ontmoetingsplaats van te maken. Het dorp heet Hardborough. ‘Moed en uithoudingsvermogen zijn niets waard als ze nooit op de proef worden gesteld.’

De boekhandel was in 1978 Fitzgeralds tweede roman. Vooral in de eerste hoofdstukken laat ze zien over welke gaven ze als romancier beschikt. Neem de volgende passage waarin een van de grootste zonderlingen in het dorp, ene meneer Brundish, tot leven wordt gewekt in drie trefzekere, op elkaar volgende vergelijkingen: ‘Mr. Brundish, een nazaat van een van de oudste families van Suffolk, leefde zo teruggetrokken in zijn huis als een das in een burcht. Als hij in de zomer te voorschijn kwam, gekleed in een donkergrijsgroene tweed, leek hij net een bewegende gaspeldoornstruik tegen een achtergrond van gaspeldoorns, of aarde tegen een achtergrond van slib. In de herfst ging hij ondergronds. Men stoorde zich slechts aan zijn ongemanierdheid zoals je je aan het weer stoort, dat ’s morgens stralend begint en later bewolkt wordt, hoe veelbelovend het ook had geleken.’

Een jaar geleden verscheen de biografie van Penelope Fitzgerald, geschreven door Hermione Lee, die al eerder de levens van Edith Wharton en Virginia Woolf optekende (besproken door Liddie Austin in dit blad, nummer 5 van 2014). Fitzgeralds levensverhaal spreekt tot de verbeelding, misschien wel omdat het eerder dan de Amerikaanse droom het scenario van de Engelse nachtmerrie volgt. Penelope Knox groeide op in een uitzonderlijk intellectueel milieu – haar vader was een tijdschriftredacteur en dichter, haar moeder een van de eerste vrouwen die in Oxford studeerden. Zelf blonk ze als studente uit en werd de beste van haar jaar. Ze trouwde met Desmond Fitzgerald, een advocaat en literator, die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog onderscheidde op het slagveld van Noord-Afrika en bij thuiskomst zwaar aan de drank raakte. Het gezin werd de armoede in geslingerd. Penelope Fitzgerald moest allerlei baantjes aannemen om het hoofd boven water te houden, vrij letterlijk, omdat ze met haar man en kinderen lang op een krakkemikkige woonboot bivakkeerde, tot die zonk met al haar bezittingen erin. Na haar loopbaan in de boekhandel eindigde ze in het onderwijs, waar ze onder anderen Edward St Aubyn en Anna Wintour de liefde voor de Engelse letteren bijbracht.

De mensen hebben het verlangen naar alles wat bijzonder is verloren. Zo wordt er minder bokking dan kipper verkocht

Na de dood van haar man, voor wie ze altijd zorg is blijven dragen, debuteerde ze op haar 58ste met een biografie over haar vader en zijn broers, de briljante gebroeders Knox. Omdat ze erg bescheiden was, en een hekel had aan opsmuk en grootdoenerij, werd ze door velen gezien als een charmante, maar ongevaarlijke auteur op leeftijd. Het idee dat de spannendste literatuur wel eens geschreven zou kunnen worden door een vrouw van boven dan zestig, die in haar vrije tijd haar eigen jam en kleren maakte, ging er bij veel critici niet in.

De negen romans die Fitzgerald nalaat kunnen worden opgedeeld in twee perioden. De eerste vijf, waaronder De boekhandel, zijn gebaseerd op haar eigen leven. De laatste vier zijn veel minder biografisch, spelen zich in het verleden af en kunnen historische romans worden genoemd, al staat dat genre zelden garant voor de bondige, vitale vertellingen waar Fitzgerald in excelleerde. Innocence (1986) is daar een voorbeeld van, de roman waarover Julian Barnes, een bewonderaar, schreef dat die op z’n minst suggereert dat alleen sentimentele zielen kunnen aannemen dat een liefdesrelatie tot geluk leidt. In het Italië van de jaren vijftig, waar de geest van Gramsci nog rondwaart, wordt Chiara, een meisje dat haar onderwijs in een klooster genoot, verliefd op Salvatore, een arts die lang geleden besloten heeft dat hij emotioneel autonoom wil blijven. Dat lukt hem niet. Ze trouwen en Salvatore wordt in een diepe crisis gestort. ‘Chiara and Salvatore quarrelled, but not so successfully as they made love.’

De roman gaat echter over meer dan die ene liefdesgeschiedenis. Verhalen van Fitzgerald volgen nooit het pad dat je op grond van de inhoudsbeschrijving zou verwachten, eerder is het zo dat ze zich in de loop van het verhaal bevrijden van de route die voor ze uitgestippeld lijkt. In Innocence tref je een zin aan die de grilligheid – en zeker ook: de ontvankelijkheid – benoemt die het hart van Fitzgeralds oeuvre uitmaakt. Het is een beschrijving van Chiara’s weinig rigide persoonlijkheid, maar slaat zeker ook op het ethos van de auteur: ‘Het klooster was bedoeld om haar een levenslang fundament te verschaffen om te oordelen, maar dat was niet gelukt bij Chiara, die niet aan het verontrustende beeld van andere gezichtspunten kon ontsnappen, het gezichtspunt van ieder levend wezen, allemaal verdedigbaar.’

In haar romans biedt Penelope Fitzgerald een opwindende uitstalling van gezichtspunten aan. Dat doet ze door het perspectief tussen en binnen de hoofdstukken van een roman te verschuiven, het meest nog in haar laatste, briljante roman The Blue Flower, waarmee ze in de Verenigde Staten doorbrak. ‘How does she do it?’ vroeg A.S. Byatt zich af in haar recensie van het boek.

In The Blue Flower gaat het over de liefde die Friedrich von Hardenberg, de latere dichter Novalis, opvat voor de twaalfjarige Sophie von Kühn, een meisje dat aantrekkelijk noch intelligent kan worden genoemd. Ook hier neemt de vertelling ergens halverwege een onverwachte wending, door in de laatste hoofdstukken vooral te berichten over twee vrouwen die zich in de nabijheid ophouden van de onthechte jonge dichter en het kind waaraan hij zijn hart verloor. Naar het hoe en zeker naar het waarom van de relatie blijft het gissen. Fitzgerald weigert verklaringen en uitleg te geven. Uitleggen, dat had ze als lerares al genoeg gedaan; voor een lezer, een echte, nieuwsgierige lezer, kon dat alleen maar een belediging zijn. Het plezier van lezen zit ’m juist in het achterhalen van wat er op het spel staat en waar het verhaal nu eigenlijk over gaat. Een sprekend citaat van Fitzgerald wat dit betreft, aangehaald door Alan Hollinghurst in The New York Review of Books: ‘If you try and nail anything down in the novel, either it kills the novel, or the novel gets up and walks away with the nail.’

Zouden Fitzgeralds eigen boeken verkocht zijn in de zaak die Florence Green in Hardborough begint in De boekhandel? Vermoedelijk niet. Boeken over de Britse heldendaden in de Tweede Wereldoorlog en Het leven van Queen Mary – dat zijn titels die het daar aan de Engelse oostkust goed doen. De enige literaire publicatie die opzien baart, en zelfs voor een opstopping voor de boekhandelruiten zorgt, is Nakobovs Lolita. De dorpelingen komen langs om naar de kaft te kijken, waarna de notabelen het willen verbieden, natuurlijk zonder het ooit zelf te hebben gelezen. Al in het eerste hoofdstuk heeft de padvindershopman Raven aan Florence uitgelegd wat het onderliggende probleem is. De mensen hebben het verlangen naar alles wat bijzonder is verloren. Zo wordt er in het dorp minder bokking dan kipper verkocht, ‘terwijl bokking half gerookt en veel fijner van smaak is’. In Hardborough sluit de viswinkel zijn deuren een half jaar eerder dan de boekhandel.


Beeld: Ellen Warner