Cultuur redden

Een koude blik op de cijfers geeft wel aan dat er iets scheef is, in de kunst en cultuur: dertig procent van de inkomsten komt uit kaartverkoop, zeven procent is privaat geld en de rest, 63 procent, is subsidie. Natuurlijk, er zijn verklaringen voor, en verzachtende omstandigheden, in sommige gevallen zelfs goede redenen. Maar toch. Het is eigenlijk voor iedereen vervelend, die afhankelijkheid.

Stel je voor dat je als bedrijf voor tweederde afhankelijk bent van één klant. Dat kan lang goed gaan, tot die klant besluit over te stappen. Dan denk je direct: had ik mijn inkomsten maar gediversifieerd. Logisch dat de culturele sector steeds meer roept om mecenassen, sponsoren, betrokken burgers en vriendenstichtingen. Het private geld moet de kunst redden. Het probleem is dat de mecenassen nog lang niet altijd weten dát ze het moeten worden, en hoe, en waar, en waarom. Er is, kort gezegd, nog een wereld te winnen.

Om dat te bereiken hebben drie partijen verantwoordelijkheid. In de eerste plaats de overheid. Als betrouwbare partner heeft de regering de plicht de bezuinigingen zo goed mogelijk te laten verlopen, en fiscale ruimte te creëren voor private investeringen. De huidige regeling voor giftenaftrek is goed, maar ook enigszins complex. Om een gift volledig te kunnen aftrekken moet er een notariële akte zijn, minimaal vijf jaar een vast bedrag worden gegeven en komen alleen geoormerkte organisaties in aanmerking. Het gevolg is dat negentig procent van de huishoudens wel eens aan goede doelen (waaronder cultuur) geeft, maar slechts vijf procent gebruik maakt van de fiscale voordelen. Het zou goed zijn als de regeling vereenvoudigd en verruimd wordt, met name om het voor kleine organisaties makkelijker te maken. De regering zou ook kunnen kijken naar regelingen als in Finland, waarbij werkgevers onbelast cultuurbonnen cadeau kunnen doen aan hun werknemers. Fiets van de zaak, theaterbon van de zaak.

In de tweede plaats de mecenassen zelf. Nederland geeft gul, maar lang niet altijd aan de eigen culturele sector, blijkt uit de nieuwe studie Geven in Nederland (zie ook het artikel van Anneke Groen over cultuurmecenassen). De paar grote donateurs geven een voorbeeld dat gevolgd zou moeten worden door particulieren die de kunst en cultuur een warm hart toedragen.

Maar ze moeten daarbij wel, tot slot, geholpen worden door de sector zelf. Om hen te vinden en te binden. Sommige organisaties laten zien dat het door actief werven, goede voorlichting, eenvoudige procedures, betrokkenheid creëren en voordeeltjes bieden wel degelijk mogelijk is. Het vergt wellicht een andere mentaliteit en het verleggen van prioriteit: in plaats van tijd steken in de subsidieaanvraag moeten medewerkers vrijgemaakt worden om sponsors te vinden. Het is ongetwijfeld niet altijd makkelijk - de tijd en middelen zijn, zeker bij kleine instellingen, beperkt - maar uiteindelijk wel in het belang van de sector zelf. Het vermindert de afhankelijkheid, vergroot de band met het publiek, maakt de instelling stabieler en zorgt uiteindelijk voor meer bevrediging dan een toegekende subsidie.