media

Cultuurhaat?

In het regeerakkoord dat vorige week werd bekendgemaakt, was te lezen dat de nieuwe coalitie van plan is per 1 januari 2017 het Mediafonds op te heffen, om daarmee zeventien miljoen per jaar te bezuinigen.

In eerste instantie oogstte het bericht vooral ongeloof – een stemming die al snel omsloeg in verbijstering: wie zou dit bedacht hebben? De geest van Wilders? En hoe heeft deze bevlieging of uitglijer vervolgens ongestraft in het regeerakkoord terecht kunnen komen? Een antwoord is nog uitgebleven – en de verbijstering duurt dus voort. De afgelopen kwart eeuw heeft het Fonds aan de basis gestaan van een onophoudelijke stroom van bijzondere documentaires, kinderprogramma’s, televisiefilms, drama en culturele radioprogramma’s, waarvan de kwaliteit in binnen- en buitenland werd geroemd en die op belangrijke festivals in de prijzen vielen.

De verbijstering is des te groter omdat het Mediafonds lijkt te beantwoorden aan ongeveer alles wat beide regeringspartijen in hun programma’s prediken. De liberalen maken zich al jaren hard voor de afslanking van de publieke omroep, met als leidende gedachte dat de overheid zich alleen zou moeten bezighouden met kwesties en zaken waarin de markt tekortschiet en die tegelijk vanuit publiek perspectief van belang worden geacht.
De VVD is daarin steeds verder gegaan dan andere partijen, afgezien van radicaal-rechts, dat een paar jaar geleden om politiek-culturele redenen de aanval op Hilversum opende. Vanuit VVD-standpunt bezien is op de activiteiten van het Mediafonds echter weinig aan te merken. Het versterkt immers de publieke omroep op terreinen waarop de commerciële omroepen het inderdaad laten afweten – en dat doet het voorbeeldig, ook vanuit liberaal perspectief.

En dat is niet het enige. De activiteiten van het Mediafonds, die aantoonbaar een _multiplier-_effect hebben, sluiten naadloos aan op het Topsectorenbeleid dat onder het vorige kabinet is ingezet. Het Fonds werkt niet alleen samen met omroepen, maar ook met een bonte stoet van particuliere bedrijven in de audiovisuele en digitale sector – oftewel de creatieve industrie die de overheid zegt te willen stimuleren. Het Fonds investeert bovendien al jaren in jong talent en in creatieve experimenten, in nauwe samenwerking met bedrijven, opleidingen, festivals en andere instellingen. Zo bezien is de opheffing van het Mediafonds te kwalificeren als regelrechte kapitaalvernietiging: terwijl Economische Zaken miljoenen pompt in het opzetten van netwerken en platforms ter ondersteuning van de ‘topsector’ creatieve industrie – met veel uiterlijk vertoon maar tot op heden met weinig zichtbaar succes – wordt een ander ministerie gedwongen de hakbijl te zetten aan een van haar voedende wortels.

Nog merkwaardiger is het dat de PvdA zich met het plan tot opheffing van het Mediafonds heeft kunnen verenigen. Het was immers Jan Kassies (1920-1995), oud-verzetsman, Eerste-Kamerlid, cultuurfilosoof, directeur van de Amsterdamse Theaterschool en algemeen secretaris van de Raad van de Kunst, die met de oprichting van het Fonds een diepgeworteld ideaal van de sociaal-democratie – dat van kunstzinnige vorming en cultuurspreiding – gestalte probeerde te geven. De opvattingen van Kassies zijn jarenlang richtinggevend geweest voor de cultuur- en mediapolitiek van de PvdA, maar nu lijkt die hele erfenis met één simpele pennenstreek te worden afgestoten.

Het is volstrekt onduidelijk wat de formateurs heeft bezield. Er zal ongetwijfeld een en ander aan het Mediafonds mankeren, maar daar zal het toch niet aan hebben gelegen. Wie het Fonds wat beter kent – en dat genoegen heb ik, als bestuurslid, door de minister benoemd, een jaar of tien geleden mogen smaken – weet dat het een geoliede organisatie is, met korte en heldere procedures en relatief lage overheadkosten; het is er nooit voor teruggeschrokken zichzelf kritisch tegen het licht te houden en onderhoudt actieve relaties met het omliggende veld van producenten, omroepen, regisseurs en programmamakers. Als er al iets valt aan te merken op het functioneren van het Fonds en het streven de kwaliteit van het aanbod op radio en tv te verhogen, dan ligt dat eerder aan de kant van de publieke omroepen, die wél subsidie vragen voor kwalitatief betere programma’s, maar ze vervolgens uitzenden op tijdstippen waarop de meeste mensen al op één oor liggen.

Anders gezegd: het is – welk ­perspectief VVD en PvdA ook hanteren – volstrekt onlogisch bezuinigingen in de publieke omroep te realiseren door afschaffing van een fijnmazige en goed functionerende organisatie als het Mediafonds. Niet alleen de kwaliteit van de publieke omroep zal hieronder lijden, maar de totale publiek-private sector die op enigerlei wijze met de activiteiten van het Fonds is verbonden, van audiovisuele bedrijven tot programmamakers, technici, componisten en acteurs. Wie dat niet ziet, moet blind zijn – of een hekel hebben aan cultuur en kwaliteit.