Kunst in Holland: het gaat hartstikke goed

Cultuurparadijs

Het is Uitmarkt. Cultureel Nederland lost en masse schoten voor de boeg in de zeeslag om de gunst van kijker, luisteraar en lezer. Duizelingwekkend aanbod, ketelmuziek, een kwart miljoen bezoekers en het gras op het Museumplein weer voor drie maanden naar de gallemieze. Cultuur: het gaat verbazingwekkend goed.

Niets zo irritant als een gesprek met een kunstreiziger die net terug is van het festival van Avignon, Salzburg of Edinburgh, met een toneelliefhebber die er een weekje Londen op heeft zitten, of met een operaminnaar die een paar dagen in Berlijn was. In die grote metropolen, beweren zij hoofdschuddend, is het gras groener. Daar is pas echt aandacht voor de cultuur met een grote C. Daar zijn festivals met werkelijk grote allure, grote producties en grote sterren. Daar hangen de musea vol met topstukken. Daar zijn de toneelvoorstellingen bemand met briljante shakespearianen. Daar staat Placido Domingo in Der Ring, Kathleen Turner in Who’s Afraid of Virginia Woolf? en Denzel Washington in Othello.

Is dat beklag gegrond? Wel, inderdaad, Domingo staat niet een maand lang in het Muziektheater Amsterdam, en nee, er staan verhoudingsgewijs weinig Hollywood-acteurs op de planken van de schouwburg in Apeldoorn.

Voor de rest hebben de bereisde cultuurliefhebbers ongelijk. Ze kijken niet goed. Wat er in het hoofdprogramma van het Edinburgh Festival wordt vertoond – zes opera’s, tien theatervoorstellingen, vier balletten, 28 klassieke concerten – komt in een «gewone» Nederlandse cultuurmaand ook voorbij, dezelfde kwaliteit, en dat een heel seizoen lang. Geen allure? Misschien. Als wij zo handig zouden zijn om het bestaande Holland Festival te integreren met het Roots Festival (dat zit er al bij), het Festival Oude Muziek, Julidans, het Theaterfestival, het Grachtenfestival en, vooruit, de Parade als «fringe», dan hadden wij een Holland Festival waar Avignon en Edinburgh bleek bij zouden afsteken. Klagers realiseren zich niet dat de Robeco-serie in het Concertgebouw, die er ook nog elke zomer is, en hier doorgaat voor een leuke opvulling van het zomerseizoen met goedkope orkesten uit de provincie (Nieuw-Zeeland, Straatsburg, Lille, Toulouse) en toegankelijk repertoire, in Zweden het culturele evenement van het jaar zou zijn. Klagers lezen niet de recensie in BBC’s Classical Music van Maris Janssons’ debuut in Amsterdam: «Als dit is wat Maris Janssons met het Concertgebouworkest van plan is, dan moeten wij misschien allemaal maar naar Amsterdam verhuizen.»

U verblijft in het paradijs. Geloof mij niet, geloof het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). Dat concludeert in het rapport Cultuurminnaars en cultuurmijders, verschenen in mei, dat het merendeel van de sectoren van de Nederlandse cultuur de afgelopen twee decennia «in de lift» zat, zowel qua productie als qua faciliteiten en financiering. Het aantal voorstellingen binnen de podiumkunsten (toneel, cabaret, muziek, muziektheater, opera) nam tussen 1991 en 2001 met een derde toe. De toeloop steeg van 10 miljoen in 1990/1991 tot 16 miljoen in 2002, een groei van bijna 60 procent. Het deel van de bevolking dat minstens één keer per jaar een populair muziekevenement (pop- of jazzconcert, musical) bezoekt, steeg van 18 procent in 1983 tot 31 procent in 2003; cabaret bezoek steeg van 11 naar 14 procent en filmbezoek van 48 naar 57 procent. Het deel van de bevolking dat ten minste één keer per jaar een klassiek concert bijwoont steeg van 13 procent in 1983 tot 17 procent in 1995, om vervolgens weer te dalen tot 14 procent in 2003 – nog altijd een stijging. De cijfers voor kleinere sectoren als ballet, musea en mime zijn even gunstig. Het kijken of luisteren naar cultuurprogramma’s op radio en televisie bleef sinds 1983 gelijk. Het Planbureau zegt zelfs expliciet dat «de klassieke cultuur zich wist te handhaven in een vrijetijdsdomein waar het met steeds meer andere activiteiten moet concurreren».

De investeringen in hardware in die periode liegen er niet om. Enschede kreeg een nieuwe opera, Amsterdam een Muziekgebouw, en twee nieuwe theaters zijn in aantocht. De overheidsbijdrage aan de musea steeg in tien jaar met 174 miljoen euro naar 305 miljoen euro. Het Van Gogh Museum, Museum Boijmans en het Haags Gemeentemuseum zijn gerenoveerd en uitgebreid met nieuwe vleugels. Het Nederlands Openlucht Museum, Naturalis, Bonnefanten, het Groninger Museum, Museum het Valkhof en het Van Abbe kregen alle nieuwe gebouwen. Het Stedelijk Museum Amsterdam en het Rijksmuseum worden de komende jaren de facto herbouwd.

Film? Tussen 1995 en 2003 daalde het aantal bioscopen, maar het aantal doeken steeg en er kwamen tienduizend stoelen bij. De nationale filmproductie groeide, door de CV-regeling, wat een grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van technische vaardigheden binnen de industrie – betere cameramensen, betere editors, betere regisseurs. Artistiek vooruitstrevende films als De tweeling, Cloaca, Nynke en Familie wonnen in eigen land een substantieel publiek voor de betere Nederlandse film. Het Idfa, het Nederlands Film Festival en het Rotterdam Film Festival zijn succesvol.

Popmuziek? Het deel van de bevolking dat minstens eens per jaar een populair muziekevenement bezoekt steeg van 18 procent in 1983 tot 31 procent in 2003. De verenigde Nederlandse poppodia en -festivals (Lowlands, Pinkpop) trokken in 2003 2,9 miljoen bezoekers. Daarin zijn concerten in multiplexen als Amsterdam ArenA en Rotterdam Ahoy’, Gelredome en de Kuip niet verdisconteerd. Ook niet meegeteld: de dance-sector (Dance Valley, ID&t), die in 2002 1,8 miljoen bezoekers trok.

De enige zwakke broeder is het boek. In 1980 zei 48 procent van de bevolking eens per week een boek ter hand te nemen, in 2000 was dat percentage gedaald tot 31. Kranten en tijdschriften kwijnen mee. Maar de traditionele cultuur consolideert zich, ook al is de concurrentie in vrijetijdsbesteding nog zo groot. Onder kinderen neemt de belangstelling voor traditionele podiumkunsten niet af. Het effect van CKV-onderwijs (culturele en kunstzinnige vorming) moet zich nog bewijzen, maar het ziet er nu al naar uit dat het CKV een grotere invloed op cultureel gedrag van kinderen heeft dan «de moderne media». Echt.

Dat kán niet kloppen, denkt de cultuurliefhebber. Statistieken, het mocht wat. Dit is het land van de grootste culturele kaalslag sinds Attila de Hun uit kamperen ging. Het land dat Pim Fortuyn boven Rembrandt en Erasmus verkoos tot grootste Nederlander aller tijden, het land van Big Brother, Hart van Nederland, Hazes en Idols. Het land waar niemand meer leest, niemand meer viool speelt en niemand meer weet wie Vondel was. Waar het welwillende individu een onophoudelijk bombardement van banaal vermaak ondergaat, waar tijd en aandacht versnipperen in een sociale hectiek die het SCP «het spitsuur van het leven» noemt.

In dat land, in die omstandigheden, is serieuze cultuur gedoemd te stranden en te vergaan. Wie elke dag anderhalf uur met zijn telefoon of zijn mp3-speler aan zijn oor in de file staat gaat ’s avonds niet ook nog naar Zuidelijk Toneel Hollandia om Chris Nietveld in haar blote narigheid te zien staan, toch? Als hij ook thuis op de bank naar Talpa’s tieten kan kijken? Kennelijk wel. De populariteit van het beroepstoneel, om maar wat te noemen, groeit. In 1983 bezocht 23 procent van de Nederlanders ten minste één maal per jaar een toneelvoorstelling. In 2003 was dat 26 procent. Dat komt niet door de vergrijzing. Het bereik van toneel is het grootst onder jongeren en het kleinst onder 65-plussers. Tieners (12–19 jaar) gaan in toenemende mate naar toneel: 26 procent in 1983, 44 procent in 2003. Dat kan verklaard worden uit de introductie van de CKV in het onderwijs. Het kan komen doordat Tygo Gernandt, Johnny de Mol en Katja Schuurman af en toe op het toneel staan. Het kan ook komen doordat het «oude» toneel, dat midden jaren negentig in een dip zat, zich heeft herpakt en – getuige bijvoorbeeld de opkomst van Het Toneel Speelt – terrein heeft teruggewonnen.

Het Sociaal Cultureel Planbureau zegt veel over participatie, maar niets over kwaliteit. Die is, aan de top, onmiskenbaar hoog. Het Nederlandse toneel – Johan Simons, Theu Boermans, Jeroen Willems – vormt de avant-garde van Europa. Simons regisseert in 2006 Simon Boccanegra van Verdi in Opéra de Bastille. Het internationale respect voor het Nationale Ballet en het Nederlands Dans Theater staat buiten kijf. Het niveau van klassieke muziek is uitzonderlijk. De Nederlandse Opera geldt als de meest interessante van Europa en hetzelfde geldt voor Nederlandse architectuur, stedenbouw en design. Rem Koolhaas is de meest beroemde architect ter wereld. Marcel Wanders en Hella Jongerius staan in MoMA New York naast Rietveld en Mondriaan. Dj Tiësto opent de Olympische Spelen. Tussen 1995 en 2003 werden vier films genomineerd voor de Oscar Beste Buitenlandse Film, en twee daarvan wonnen (Antonia, 1995; Karakter, 1997).

Dat is fraai. Het zegt uiteindelijk weinig over de kwaliteit van cultuur in bredere zin. De traditionele cultuur heeft zich staande gehouden omdat ook de «oude» vormen zijn meegezogen in de stroom, die de populaire sectoren van de cultuur zo spectaculair heeft doen aanzwellen. Dat fenomeen is de «experience economy», het «belevingsaspect» dat maakt dat producten en diensten om hun sfeer, hun associatie met iets anders, hun sociale context worden gekocht, niet alleen om hun inherente kwaliteit. Dat raakt ook «culturele producten». De Nederlander wil «ervaring», «the real thing», niet de digitale versie ervan. Waarom honderd euro betalen voor een voorstelling, die thuis op dvd of cd op kwalitatief hoger niveau genoten kan worden? Omdat je erbij geweest moet zijn. Dat doet zich evenzeer gelden bij popconcerten als bij het paus bezoek en bij blockbuster-tentoonstellingen (Rembrandt, Vermeer, Diaghilev).

Voldoen aan die verleiding heeft geleid tot inflatie van beleving en tot een te sterke afhankelijkheid van top- en kopstukken, een vorm van verslaving aan de succesfactor. Neem het Nederlands Dans Theater: voor het gezeten Haagse publiek is dat Jiri Kylian. Instelling, reputatie, oeuvre en persoon zijn één. Nu Kylians afscheid naderbij komt, vragen de Haagse dames zich af hoe dat verder moet. Hetzelfde doet zich voor in de musea. In de afgelopen vijftien jaar zijn alle grote schilders van de zeventiende eeuw vereerd met een blockbuster-tentoonstelling. De bodem komt in zicht. Het Rijks is inmiddels afgedaald tot Albert Cuyp; het Mauritshuis doet dit najaar een dappere poging met Van Mieris. Pas in 2006 kan iedereen weer met reden (vierhonderdste geboortejaar) aan Rembrandt beginnen. Afhankelijkheid van publieksucces werkt als een vicieuze cirkel: sponsors zijn minder geïnteresseerd in onbekende grootheden, onbekende grootheden worden minder snel «ontdekt», vaste waarden worden uitgewoond. Een festivalletje met Hans van Manen dan maar weer?

De getallen verdoezelen ook dat de bemoeienis van de overheid niet constant is, maar onderhevig aan de grillen van de politieke conjunctuur. De populaire-muzieksector wordt al twintig jaar sterk gesteund, bijdragen aan de museumsector verdubbelden bijna, maar de bijdragen voor toneel slonken fors. Verzelfstandiging, het vergroten van eigen inkomsten en het aanboren van «derde geldstromen» werden in de jaren negentig de rigueur. Voor veel instellingen heeft dat onmiskenbaar goede gevolgen gehad. Sponsoring in de museumsector nam volgens het Centraal Bureau van de Statistiek tussen 1991 en 2001 toe van 4,1 miljoen euro naar 9,7 miljoen; overige subsidies – de loterijen, bijvoorbeeld – stegen van 10 miljoen naar 34 miljoen. Aan aankopen werd door musea in 1993 amper 8,5 miljoen uitgegeven, in 2003 al 33,9 miljoen. De schilderijen zijn duurder geworden, maar toch.

Die verandering was niet altijd leuk. Museumdirecteuren klagen dat zij door de zakelijke en publicitaire aspecten van hun baan aan het eigenlijke werk niet meer toekomen. Schuchtere conservatoren zijn verplicht af en toe schouders te wrijven met hotemetoten uit de aannemerij en hun ongetwijfeld oliedomme partners. Suppoosten moeten toezien dat er in de Nachtwachtzaal wordt gedineerd door filistijnen. In ruil voor dat ongemak kregen wij Rembrandts Uyttenbogaert, Mondriaans Oostzijdse Molen, een Claude Lorrain, een Tiepolo en Broadway Boogie Woogie, een Repin-tentoonstelling en een Diaghilev-festival. De betrokkenheid bij de museumwereld van bedrijven als ABN Amro, de Gasunie en Philips stijgt inmiddels ver uit boven gesjacher met logootjes op briefpapier of bordjes op zaal, en ook ver boven het gemierenneuk van gemeenteraadsleden. En de verzakelijking betekende ten slotte ook dat musea en theaters zich eindelijk eens als gastheren gingen gedragen. Eindelijk een behoorlijke boekhandel, een prettig restaurant, stoelen waar je op kunt zitten. Niet meer die rare calvinistische ethiek – door ontberingen in de foyer tot het hogere in de zaal.

De faciliteiten zijn prachtig; het aanbod is olympisch, de participatie is onthutsend groot, maar in de trap naar de Parnassus zijn rotte treden. De cultuurmarkt is hier en daar oververhit. Er zijn te veel musea. De directeur van het Nederlands Openluchtmuseum Arnhem verwacht dat voor 2015 het eerste museumgebouw, als een leegstaande kerk, een andere functie zal krijgen. Er zijn te veel opleidingen. Er zijn te veel theaterscholen, te veel conservatoria en veel te veel andere opleidingen die zich al of niet serieus bezighouden met media, informatie, video, scenarioschrijven, enzovoort. De arbeidsmarkt is overvoerd met cultuurwannabe’s, en er zijn voor de talentvollen onder hen te weinig laagdrempelige ingangen of broedplaatsen. Cultuur op televisie wordt ernstig bedreigd. Daar wordt een bos gerooid om een tuincentrum te bouwen. Voor de zichtbaarheid van klassieke muziek, jazz, alternatieve cinema, wereldmuziek, dans et cetera zal dat nare gevolgen hebben. De documentaire als journalistiek en artistiek medium zal worden gehalveerd. Er is een tekort aan directeuren die alle facetten van modern cultuur-management beheren. De succesvollen – Van Twist in Groningen, Wolfson in Middelburg – zijn veelgevraagd. De lange zoektocht naar nieuwe hoofden voor het Rotterdam Film Festival of het Centraal Museum Utrecht bewijst dat veelzijdig talent schaars is. Nog een pijnlijke waarheid: de allochtonen doen niet mee. Op elke honderd Nederlanders gaan er maar drie Turken of Marokkanen naar de schouwburg. Surinamers en Antillianen houden van film en ballet, maar voor de rest blijven ze thuis. Met het oog op de bevolkingsontwikkeling is het de vraag of hier niet een generatie verloren gaat.

En er is nog iets, en dat gaat over kwaliteit zelf. Er is een mooie anekdote over een groep middelbare scholieren die een fragment van de serie Oud geld voorgeschoteld krijgt. Ze vinden het heel aardig; wel jammer «dat er niet zo goed geacteerd wordt als in Goede Tijden». Dat is «acteren», namelijk: iets wat mensen in soapseries en in films van Johan Nijenhuis doen. Iets wat er «anders» uitziet, niet iets wat je leren moet, en al helemaal niet iets wat met een emotionele investering te maken heeft. Filmmaker Peter Delpeut, een jaar lang «in residence» bij de Film- en Televisie-academie, zag daar een vergelijkbaar fenomeen: de studenten hebben disproportionele aandacht voor de techniek van het vak en zijn sociaal buitengewoon handig, maar er is geen werkelijke aandacht voor de drijvende kracht achter dat vakmanschap. Dat zou, adviseerde Delpeut, andersom moeten zijn: eerst het «waarom», daarna pas het «hoe». Eerst software, dan pas het gebouw. Alleen zo kom je tot kwaliteit.

Zo is de trend niet. De stad Amsterdam bouwt het Muziekgebouw zonder geld voor de programmering. Het is als kinderen die niet meer weten dat melk uit een koe komt en niet uit een pak, en dat de koe voor die melk eerst uren moet liggen kauwen, en dat die koe daar tijd, ruimte en rust voor nodig heeft. Druk dat maar eens uit in cijfers.

scp-publicatie 2005/7: Cultuurminnaars en cultuurmijders: Trends in de belangstelling voor kunsten en cultureel erfgoed

Andries van den Broek, Frank Huysmans, Jos de Haan

Sociaal en Cultureel Planbureau, mei 2005, € 14,90