Ger Groot

Cursief

Niets is zo tijdgebonden als humor en toch weet die soms moeiteloos aan de vergankelijkheid te ontstijgen. Tranen met tuiten lachte ik zo’n 35 jaar geleden om het satirische radioprogramma Cursief, waarvan ik de opnamen zo vaak mogelijk bijwoonde. Daarna, op de radio, was het ook voor een tweede keer hilarisch.
En nu, op de luister-cd die bij Rubenstein verschenen is, werken de meeste sketches en liedjes van de zo schromelijk onderschatte Michel van der Plas nog steeds. Afgaande op deze selectie moet hij zowel de productiefste als de geestigste tekstschrijver achter het programma zijn geweest. Naast zijn superi-eure stukjes blijken die van Kees Fens en zelfs van Godfried Bomans minder tijdbestendig.
Ook een aantal van de thema’s is nog altijd actueel, vanaf het kolderieke Reisje langs de Rijn (‘Kijk wat drijft daar in de Rijn, Rijn, Rijn/ blinkend in de zonneschijn, schijn, schijn?/ Jongens heb ik het nou mis, mis, mis?/ Nee, het is, is, is/ dooie vis, vis, vis’) tot het schrijnende Bejaardenhuis (‘De wachtlijst vergt zo’n zeven jaren’) of het melancholische Onze kerk wordt afgebroken (‘Neogotiek met grauwe toren,/ ach, ’t was geen sieraad van de stad’).
In dat laatste klinkt openlijk de katholieke geest door die het humorgevoel van dit KRO-programma el-ders op subtielere wijze schraagt. Was dat het voornaamste verschil met het minstens zo roemruchte en hilarische programma Hadimassa dat de Vara in diezelfde tijd op de televisie uitzond? Achteraf valt eer-der het heimwee op dat in deze twee typische producten van de jaren zestig en zeventig ook toen al doorklonk. In 1972 zongen Kees van Kooten en Wim de Bie er hun nauwelijks ironische lofzang op de jaren vijftig in: Toen was geluk nog heel gewoon, op een melodie van Gilbert O’Sullivan.
In Cursief mijmerde Michel van der Plas op hetzelfde moment over de teloorgang van de stad ‘waar ik meer dan ooit van houd’. ‘Want het is nergens zo donker// als in al die lege straten/ van de grote stad van Londen’, zo laat hij Gerard Cox zingen op de melodie van Ralph McTell’s Streets of London. Maar juist bij die laatste klinkt er een scherpe ondertoon door. Want het liedje opent met de vraag: ‘Wie heeft toen de oorlog/ Toch ook weer gewonnen?’ Het is duidelijk dat in die jaren de genegenheid voor de oos-terburen nog lang niet was opgebloeid. De Duitse toeristen die Nederland begonnen te overspoelen de-den daar weinig aan af.
In de legendarisch geworden sketch Deutscher mit Paschen zet Gregor Frenkel Frank de onfortuinlijke Mercedesrijder neer die in de Nederlandse opstoppingen hopeloos vast komt te zitten (‘Bei Oudenrijn war die Schwiegermutter schon ziemlich schlecht’) en in de buurt van Enschéde van de honger wordt gered door minzaam toegestoken tulpenbollen. De anglofiele Michel van der Plas is in zijn treurnis om het toen nog zo sombere Londen bitterder: ‘Het zit me dwars want kijk/ Kijk naar de verliezers/ die stelen nu de show.’
Daarmee wordt de tijdsafstand plotseling weer net zo voelbaar als in de sketches over vliegtuigkapingen en partnerruil: kenmerkende modes van die paradoxale tijd. Want hoe stevig de hedendaagse politieke correctheid ook in die jaren geworteld mag heten, ondenkbaar zou inmiddels de onbekommerde vrolijk-heid zijn waarmee buitenlanders, minderheden en rijksgenoten in Cursief op de hak worden genomen.
Niemand ontkomt daaraan: van Friezen tot Belgen, van Duitsers tot Hagenezen. En het minst van allen Surinamers, die in een viertal ‘Uitzendingen van de overheid’ (grotendeels geschreven door Henk Suèr) gestalte krijgen in dr. Cadillac Wieldop jr, Franklin Toeter Lampion, en Stanley Hendrik Wegenwacht, respectievelijk minister van Verkeer en Waterstaat, van Feestelijkheden en voorzitter van de ANWB van wat toen nog ‘het rijksdeel’ heette.
Inmiddels klinkt dat allemaal heel ongepast en stel je met verbazing vast hoe weinig moeite de onver-sneden progressieve cast van het programma daarmee in die tijd kennelijk had. Onwillekeurig komt daar een zekere afgunst bij. Want door al die twijfelachtigheden heen blijken juist deze sketches het onbe-daarlijkst op de lachspieren te werken – op de voet gevolgd door de Belgenpersiflages waarin de tekst-schrijvers zich al evenmin door angst voor stereotypen lieten weerhouden.
Het ongemak dat zich daarover inmiddels opdringt, is een maat van de benepenheid die zich van het openbare spreken meester heeft gemaakt. Met de beste bedoelingen is een overgevoeligheid afge-dwongen die – toen puntje bij paaltje kwam – vernietigend wraak nam in de vorm van een openbare grofheid waaraan ieder incasseringsvermogen vreemd geworden is. Met enige weemoed luister je daar-om naar de relatieve onschuld van deze cd, waarop – toegegeven – moslims nog niet voorkomen.