Hoe China (met hulp van Microsoft et cetera) het internet controleert

Cybermandarijnen

Vorige week kwamen de lidstaten van de VN in Tunis bijeen voor een conferentie over internet. De plaats van handeling, een stevige dictatuur, illustreerde al hoezeer autoriteiten bang zijn voor het medium. In China is het niet anders. Maar de staatscontrole stuit op grenzen.

Omdat er zo veel «onfris» en «misleidend» nieuws rondslingert in cyberspace heeft China eind september een nieuwe lijst internetdecreten opgesteld. Strafbaar is onder meer het verspreiden van geruchten, het in gevaar brengen van de nationale veiligheid en het beschadigen van de reputatie van het land.

De lijst is een herhaling van bestaande decreten die, zoals zo vaak in China, op lokaal niveau niet worden nageleefd en door het buitenland serieuzer worden genomen dan door Chinezen. Evengoed bevat de nieuwe lijst twee opvallende aanvullingen: een verbod op informatie die oproept tot ordeverstorende bijeenkomsten, demonstraties of stakingen en een verbod op informatie uit naam van een illegale burgergroepering. Dat wijst volgens waar nemers op de vrees van het Chinese leiderschap voor het groeiend aantal smart mobs, ad-hoc-protestbijeenkomsten die via internet en mobiele telefoons worden georganiseerd.

Officiële cijfers geven aan dat het aantal «massa-incidenten» in China in tien jaar tijd verachtvoudigd is. De meeste protesten zijn kleinschalig en betreffen lokale kwesties, maar in april van dit jaar verspreidde zich een golf van straatprotesten over Peking, Shanghai, Guangzhou en andere grote steden. De volkswoede, gericht tegen Japanse bedrijfsvestigingen en consulaten, was uitgelokt door een Japans geschiedenisboek dat de Japanse wreedheden in China tussen 1931 en 1945 verdoezelt. Xiao Qiang, directeur van het Berkeley China Internet Project aan de Universiteit van Californië, noemt de protesten een «wake-up call» voor de Chinese overheid. Xiao Qiang: «De demonstratie werd vooral bevolkt door jonge mannen, intensieve gebruikers van moderne communicatiemiddelen. Het was duidelijk dat internet en mobiele telefonie de voornaamste organisatieplatforms waren. Al ondersteunden deze spontane protesten het Chinese regeringsstandpunt, ze werden door de regering als zeer bedreigend ervaren.»

Ook de impact van een onverdacht amusementsprogramma baart de overheid volgens Qiang grote zorgen. Super Girls, het Chinese equivalent van Idols, introduceerde het naar democratie riekende fenomeen van de publieksdeelname per sms. Dit leidde tot spontane, soms agressieve campagnes voor verschillende deelnemers. Tweehonderd miljoen Chinezen keken op 26 augustus naar de finale die met 3,52 miljoen sms’jes gewonnen werd door de 21-jarige Li Yuchun. Nog weken werd op Chinese weblogs en forums gediscussieerd over de vraag of de androgyne Li Yuchun nu wel of niet lesbisch is, maar ook over de ervaring van het meedoen aan directe verkiezingen.

Peking beschouwt het internet als katalysator voor economische groei en bestuurlijke centralisatie. Het medium mag echter op geen enkele manier de machtspositie van de communistische partij bedreigen. Het ministerie van Informatie-industrie stuurt de ontwikkeling ervan aan met behulp van vijfjarenplannen. Het ministerie van Openbare Veiligheid zorgt er op zijn beurt voor dat het Chinese internetgedrag in toom wordt gehouden. Intussen is China uitgegroeid tot de tweede internetgemeenschap van de wereld: naar verwachting zal het eind dit jaar 120 miljoen cyberonderdanen tellen.

«De overheid en de staatsagentschappen zijn in de jaren negentig overrompeld door de snelle introductie van internet», zegt de Zweedse journalist Johan Lagerkvist, die de opkomst van een publieke opinie op het Chinese internet onderzoekt: «Dankzij de vage wetgeving had de commerciële sector de handen vrij en ontstond er al snel een onafhankelijke berichtgeving. De overheid moest de achterstand inlopen. Inmiddels is de internetwetgeving gedetailleerder dan die voor de traditionele media radio, televisie en kranten. Dat tekent de angst van de communistische partij voor de opkomst van een volksbeweging die in staat is sociale krachten buiten de partij te mobiliseren. Daarom werd er ook zoveel energie gestoken in de bestrijding van de Falun Gong.»

De Chinese wet stelt alle betrokkenen – van internetaanbieders tot individuele gebruikers – aansprakelijk voor wat op het internet gepubliceerd wordt. Serviceaanbieders filteren uit voorzorg de websites en weblogs die zij beheren op politiek onwelgevallige trefwoorden en pornografisch materiaal. Naar beproefd leninistisch recept worden arrestaties van «subversieve» internetgebruikers breed uitgemeten in de staatsmedia. Xiao Qiang: «Er wordt ontzettend veel geïnvesteerd in regeringspropaganda. Ongeveer tien procent van alle Chinese websites is door de overheid opgericht. Ambtenaren worden opgeleid tot webcommentatoren die discussiefora en nieuwsgroepen afschuimen en discussies in goede banen leiden.»

Volgens een hardnekkig gerucht beschikt het ministerie van Openbare Veiligheid over dertig- tot veertigduizend politieambtenaren die op het internet surveilleren. «Er bestaat een speciale internetpolitie», bevestigt Qiang, «maar niemand kent de omvang. Het gaat om een volwaardige politieafdeling die in 2000 werd opgericht en in zevenhonderd steden opereert. Ze behandelt alle vormen van computercriminaliteit zoals fraude en pornografie, maar bedrijft ook politieke censuur.» In de afgelopen jaren sloot de politieafdeling tienduizenden internetcafés die zonder vergunning werkten of het bezoek van verboden websites toelieten. Onafhankelijke exploitanten worden uit de markt gedrukt door grote internetcaféketens die de steun van de overheid genieten en eenvoudiger te controleren zijn.

«Ik denk dat de macht en invloed van China over de informatievoorziening vaak wordt overdreven», meent politicoloog Ronald Deibert van OpenNet Initiative, een universiteitsconsortium dat internetcensuur analyseert. «We moeten het niet onderschatten, maar ik zie vaak dezelfde overdrijvingen in de pers uitgebazuind, bijvoorbeeld over de omvang van de internetpolitie.» Volgens Deibert zoekt China geen absolute, maar effectieve controle over internet. De website van The New York Times, een krant die nauwelijks invloed heeft op de Chinese samenleving, kan bijvoorbeeld gewoon bereikt worden.

Het jarenlange onderzoek van OpenNet Initiative geeft aan dat vooral het Chineestalige deel van het internet in de gaten wordt gehouden. Websites uit Taiwan en Hongkong, van overzeese dissidenten en van westerse media met Chineestalige afdelingen zoals Voice of America en de BBC worden bij de toegangspoort van het Chinese internet tegengehouden. Cruciale politieke thema’s zoals kritiek op de Chinese partijleiding, pro-democratisch en pro-westers commentaar, het schenden van mensenrechten, het onafhankelijkheids streven van Taiwan en de provincies Tibet en Xinjiang, de studentenopstand op het Tiananmen-plein in 1989 en de Falun Gong-kwestie blijven buiten het zicht van de Chinese internetgebruikers.

Het Chinese model van internetcontrole wordt met belangstelling gevolgd door andere autoritaire staten, zoals Cuba, Vietnam, Oezbekistan en Zimbabwe. «Al die landen vrezen de opkomst van onafhankelijke belangengroepen en burgeractivisme», zegt Lagerkvist: «Mijn informanten in zowel Hanoi als Peking bevestigen dat Chinese en Vietnamese ambtenaren in Guangzhou hebben vergaderd over elektronische overheidsprojecten. Mij werd verteld dat er op onregelmatige basis wordt overlegd. De Chinezen spraken trots over de samenwerking met Vietnam alsof het een ontwikkelingshulpproject was. Anderzijds klinkt in Chinese rapporten bewondering door voor de manier waarop Singapore de ICT-sector ontwikkelt en tegelijk de samenleving reguleert door het internetgebruik tot economische kwesties te beperken.»

Die controle zou lang niet zo effectief zijn zonder de behulpzame houding van westerse technologiebedrijven. Zonder morren filteren serviceaanbieders als Microsoft en Yahoo het dataverkeer van hun Chinese klanten. Microsoft ontwikkelde een speciaal softwarepakket dat politieke discussie op zijn Chinese chatrooms en weblogs nagenoeg onmogelijk maakt. Recentelijk gaf Yahoo zelfs toe de privé-gegevens van Shi Tao, journalist van het dagblad Dangdai Shang Dao, te hebben overhandigd aan de Chinese politie. Shi Tao had via zijn Yahoo-account geheime propaganda-instructies voor Chinese journalisten doorgespeeld aan een Chinese dissident in de Verenigde Staten. Door de medewerking van Yahoo kon Tao veroordeeld worden tot tien jaar gevangenisstraf wegens «verspreiding van staatsgeheimen».

Naar eigen zeggen hield Yahoo zich aan de wet, maar in dit geval waren de gegevens verschaft door het filiaal in Hongkong. «Een slippertje van Yahoo», meent Fons Tuinstra, auteur van Het Andere Oosten: Vijftien misverstanden over China en de Chinezen (2003) en oprichter van een zakelijke service-website in Sjanghai. Fons Tuinstra: «Het was niet nodig geweest. Ik denk dat veel internetbedrijven geen heilige boontjes zijn, maar die zetten dat niet in de krant. Yahoo gaf het gewoon toe. Misschien wilden ze een wit voetje halen bij de Chinese regering.» Om een positie op ’s werelds grootste technologiemarkt te bemachtigen doen de buitenlanders namelijk veel moeite om banden met de overheid te cultiveren. Zelden keerde een bedrijf uit ethische overwegingen het land de rug toe. In de infrastructuur van het Chinese censuur- en surveillancesysteem zijn overal de vingerafdrukken van Cisco Systems, Nortel Networks, Sun Microsystems, 3Com en andere westerse bedrijven te vinden.

Cisco Systems, een marktleider in netwerktechnologie, opende vorige maand in Sjanghai een researchcentrum voor productontwikkeling op Chinese snit. De multinational uit Silicon is al ruim een decennium actief op de Chinese markt en heeft onder meer de netwerken van staatsbedrijf China Telecom, de grootste internetaanbieder van China, en het universiteitsnetwerk CERNet aangelegd. Momenteel werkt Cisco samen met Juniper Networks, Huawei Technologies, Alcatel en Ericsson aan de voltooiing van ChinaNet2 (CN2) dat het verouderde netwerk van China Telecom gaat vervangen teneinde aan de dringende vraag naar hoge bandbreedte en systeemintegratie te voldoen. Door CN2 worden zo’n tweehonderd Chinese steden aangesloten op IPV6, de opvolger van het huidige internetprotocol.

De ruggengraat van het Chinese internet bestaat uit duizenden Cisco-routers die netwerken verbinden en de nationale toegangspoorten bewaken. De Cisco-routers houden computervirussen tegen, maar kunnen met behulp van dezelfde techniek ook elk ander dataverkeer weren. Volgens OpenNet Initiative vormen deze routers de spil van China’s Great Firewall, het censuur- en surveillancesysteem dat de toegang tot ongewenste websites en proxyservers blokkeert en websites en e-mails op trefwoorden filtert. «Die virtuele Grote Muur is eigenlijk geen firewall, maar een filtersysteem», zegt Nart Villeneuve, technisch onderzoeker van OpenNet Initiative: «Het filtersysteem is niet honderd procent succesvol, dat hangt ervan af welk soort filter wordt toegepast. Het is heel eenvoudig om IP-adressen te blokkeren, maar datapakketten die op trefwoorden gefilterd worden glippen er soms doorheen.»

Bovendien zijn er altijd wegen om de controle te omzeilen, stelt Tuinstra: «Het Chinese schrift leent zich daar uitstekend voor. Bloggers vervangen geblokkeerde trefwoorden door tekens met dezelfde klank. Dat ontgaat de internetfilters, maar ieder ander begrijpt wat er eigenlijk bedoeld wordt.» Chinezen kunnen ook eenvoudig anti-censuursoftware bemachtigen via DynaWeb, Garden Networks en UltraReach, bedrijfjes van uitgeweken Chinese cyberactivisten. Het nieuwe CN2-netwerk met zijn hoge bandbreedte en nieuwe routers biedt de overheid echter de mogelijkheid om het Chinese internetverkeer fijnmaziger en doeltreffender te filteren.

Mensenrechtenorganisaties achten westerse technologiebedrijven – Cisco Systems en Yahoo voorop – medeplichtig aan overheidscensuur. In The Washington Post vergeleek columniste Anne Applebaum hun praktijken met de wijze waarop IBM tijdens de Tweede Wereldoorlog de jodenvervolging faciliteerde. De aantijgingen worden door de bedrijven categorisch afgewezen. «Cisco Systems werkt niet mee aan overheidscensuur», zegt woordvoerder Terry Alberstein. Hij blijft bij zijn mantra dat Cisco’s producten overal ter wereld dezelfde zijn en dat niet Cisco maar de klant bepaalt hoe ze gebruikt worden. Terry Alberstein: «Wij hebben geen invloed op wat soevereine staten wel of niet reguleren.»

Mensenrechtenactivist Harry Wu en publicist Ethan Gutmann menen dat Cisco’s verbintenis met de Chinese overheid veel verder gaat. Cisco ontwikkelde de structuur voor een nationaal digitaal surveillancesysteem waarmee Chinese gerechtsdienaren de persoonsgegevens, familiegeschiedenis en het internet gedrag van verdachte personen kunnen bundelen. Woordvoerder Alberstein beaamt dat Cisco apparatuur aan de Chinese politie levert, maar stelt dat zijn bedrijf «voldoet aan de Amerikaanse wetgeving die de export naar bepaalde bestemming verbiedt». Inderdaad hebben de exportsancties voor China onder de Foreign Relations Authorization Act vooralsnog alleen betrekking op het leveren van oudere technologie als nachtkijkers, traangas, leugendetectors en nucleaire technologie.

«Westerse ngo’s moeten begrijpen welke rol de staatssurveillance speelt in de onderdrukking van afwijkende meningen», zegt freelance onderzoeksconsultant Greg Walton: «De aan obsessie grenzende nadruk in het Westen op de Chinese internetcensuur leidt de aandacht af van complexere vraagstukken.» In de grote steden is bijvoorbeeld het cameratoezicht in opkomst. Shenzhen zal eind volgend jaar zo’n tweehonderdduizend surveillancecamera’s tellen, meldden de Chinese staatsmedia onlangs. Peking is ook met de hulp van de Franse multinational Thales begonnen aan de productie van nieuwe identiteitskaarten met RFID-microchips. Met RFID kunnen personen of objecten geïdentificeerd worden door middel van radiogolven. Handig om te bepalen welke personen elkaar ontmoeten, waar en voor hoe lang.

Wat er in China gebeurt, vindt ook plaats in een globale context. In de hele wereld neemt de vraag naar cameratoezicht en RFID-technologie toe. De Europese Unie voert de komende jaren geleidelijk het biometrische paspoort in. De ontwikkelingen in China lopen daarop vooruit door hun leninistische grondslag. Walton wijst op het schimmige overheidsproject Gouden Schild dat de kroon moet vormen op de twaalf Gouden Projecten waarmee Beijing zijn gezag over de nationale ICT-infrastructuur veiligstelt. Het Gouden Schild, in 2000 gelanceerd door het ministerie van Openbare Veiligheid, moet digitale identiteitskaarten, openbaar cameratoezicht, internettoezicht en spraak- en gezichtsherkenning integreren in een algoritmisch surveillancesysteem. Dat systeem lijkt Cisco al deels gerealiseerd te hebben.

Volgens Walton is een grote rol weggelegd voor Nortel Networks, een Canadees telecommunicatiebedrijf met een omvangrijke staat van dienst in China. Nortel was het eerste bedrijf dat op verzoek van de FBI zijn netwerken aftapbaar maakte – nog voordat dit in de Verenigde Staten en de Europese Unie wettelijk verplicht werd. Eind jaren negentig voorzag Nortel samen met Tsinghua University het aftapsysteem voor het Chinese telefoonverkeer van spraakherkenning. Met Acsys Biometrics, een ander Canadees bedrijf, werkte Nortel aan de systeemintegratie van spraak- en gezichtsherkenning. Nortel Networks, het Amerikaanse SAIC en het Europese EADS dingen mee naar contracten voor het olympische Gouden Schild, dat de Olympische Spelen van 2008 moet beveiligen en tegelijk de basis vormen voor het informatiemanagement van de overheid en «informatieprocessen in de samenleving».

Onderzoekers van OpenNet Initiative treffen in steeds meer landen internetfilters aan. Nart Villeneuve: «Filters zijn big business, en niet alleen vanwege de vraag van bibliotheken, scholen of huishoudens. Steeds meer landen stappen over op commerciële producten die specifiek voor filtergebruik ontworpen zijn. We hebben SmartFilter aangetroffen bij alle serviceaanbieders in Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Tunesië, Soedan en Iran en bij sommige aanbieders in Koeweit. Websense wordt gebruikt door Jemen en door een serviceaanbieder in Iran. In Birma wordt Fortinet gebruikt. Allemaal producten die gemaakt worden door Amerikaanse bedrijven.»

Secure Computing, de fabrikant van SmartFilter, zegt nimmer zaken te doen met enige entiteit in Iran, dat onder een Amerikaans handelsembargo valt. Ook Fortinet ontkent rechtstreeks software te leveren aan Birma. Toch werd een vertegenwoordiger van de firma onlangs betrapt op een feestelijke ceremonie die de installatie van Fortinet in Birma herdacht. «Dat westerse bedrijven zaken doen met autoritaire staten ligt in de aard van de internationale politieke economie», zegt Deibert. «Er zit weinig anders op dan de betrokken firma’s op hun bedrijfsethiek aan te spreken. Om echt iets te veranderen is wetgeving nodig. Voor bepaalde technologieën zouden handelsbeperkingen moeten worden ingesteld op nationaal en internationaal niveau.» De tweede Wereldtop over de Informatiesamenleving van vorige week in Tunesië (zie kader) bood in dit opzicht weinig soelaas.

Wat China betreft is Johan Lagerkvist optimistisch: «Zelfs China-kenners zien over het hoofd dat zich onder gewone Chinezen een normverandering voltrekt die de toekomstige internetontwikkelingen gaat vormgeven. Internet maakt de communicatie tussen individuen horizontaler. Er worden onderwerpen besproken die een paar jaar geleden ondenkbaar waren, zoals de voordelen van politieke hervormingen, transparantie als middel om corruptie te bestrijden en de inhoud van de massamedia die onder staatscontrole staan. Bovendien zie je die normverschuiving ook in de vele agentschappen van de Chinese bureaucratie. Die worden met de dag jonger, beter opgeleid en professioneler.»

_______________________

Informatiesamenleving

«De grootste blokkade voor de vrijheid op het internet is niet van economische, maar van politieke aard.» Die volzin, uitgesproken door VN-secretaris-generaal Kofi Annan bij de opening van de eerste Wereldtop over de Informatiesamenleving (WSIS) vorige week in Tunis, kon niet toepasselijker.

Terwijl de politie buiten enkele moedige demonstranten voor de Tunesische pers vrijheid in elkaar sloeg, trachtten vertegenwoordigers van repressieve regeringen binnen tevergeefs het beheer over het internet aan de Verenigde Staten te ontfutselen. De VS hebben het internet uitgevonden en tot nog toe beheerd. Het management van domeinnamen, IP-adressen, protocollen en root servers is door Washington uitbesteed aan de particuliere firma ICANN. Een groep van landen, waaronder China en de G20-landen, bestrijdt die Amerikaanse controle in naam van een «vrije en evenwichtige globale informatievoorziening» en eist de internationalisering van het beheer in VN-kader.

Het zijn dezelfde landen die in de jaren zeventig een Nieuwe Wereldinformatie- en Communicatie Orde wilden vestigen. Kenmerkend voor hun opvatting van vrije informatievoorziening is het Nanap, het persbureau van de Beweging van Niet-gebonden Landen, voorgezeten door een Iraanse diplomaat en bestuurd door Ahmad Khademolmellah, directeur van het Iraanse staatspersbureau Irna. Na de bijeenkomst van de Beweging van Niet-gebonden Landen van vorige week, waaraan beide heren nota bene qualitate qua deel namen, gaf Nanap trouwhartig het officiële slotcommuniqué door dat vervolgens via Khademolmellahs Irna verbatim in de Iran Daily terechtkwam.

In Tunis gingen de Amerikanen slechts akkoord met de oprichting van een VN-forum waarin de Khademolmellahs van deze wereld voortaan mogen meepraten, maar niet mee beslissen over het beheer van het internet. Het besluit werd door Nanap als een grote overwinning gepresenteerd.

AART BROUWER