Cyberwars en onzingolven

IN WEERWIL VAN het cliche bereiden lang niet alle militairen zich voor op de vorige oorlog. Het westerse militaire establishment is er in elk geval van doordrongen dat de oorlog in de toekomst een ander gezicht krijgt, of liever gezegd: vele gezichten. De dreiging van een nucleaire confrontatie tussen de grootmachten is verminderd, al mag zo'n confrontatie niet worden uitgesloten als de politieke desintegratie van Rusland of China doorzet. Daarentegen neemt het aantal kleinschalige conflicten - zoals grens- en burgeroorlogen, godsdiensttwisten en terroristische dreigingen - zienderogen toe. Zulke conflicten vereisen een ander antwoord dan massieve vergelding of territoriale interventies met grote legers. In het militaire denken komt de nadruk daarom steeds meer te liggen op snel inzetbare troepen, gespecialiseerde eenheden, machtsprojectie en flexibele strategieen voor conflictbeheersing.

Bovendien krijgt het slagveld een ander aanzien door de stormachtige ontwikkeling van de techniek. De strijd wordt in een aantal opzichten virtueel: soldaten bevechten elkaar op afstand met behulp van robots, computers en communicatiemiddelen, zoals bleek in de tweede fase van de Golfoorlog. Door het gebruik van moderne elektronica, industriele logistiek, geleide wapens en de revolutionaire tactiek van de land-luchtoorlog waren de Amerikanen en hun bondgenoten in staat om het leger van Saddam Hoessein uit te schakelen zonder noemenswaardige verliezen te lijden. Met enige overdrijving stelde de Franse Navo-generaal Pierre Gallois na afloop: ‘De Verenigde Staten stuurden naar de Golf een leger van 500.000 man, waarvan tussen de 200.000 en 300.000 man ondersteunend personeel voor de logistiek. Feitelijk werd de oorlog gewonnen door niet meer dan tweeduizend militairen.’
VOOR HET AMERIKAANSE futuristenechtpaar Alvin en Heidi Toffler komen veel van deze ontwikkelingen - althans naar eigen zeggen - niet als een verrassing. De omwenteling in het moderne denken over oorlog en vrede vloeit voort uit de opkomst van de informatiemaatschappij die zij eerder beschreven in boeken als Toekomstschok (1970) en De derde golf (1980). Als gevolg van informatisering, robotisering, economische schaalverkleining en de toepassing van revolutionaire communicatiestrategieen worden nieuwe vormen van oorlogvoering niet alleen mogelijk, maar zelfs noodzakelijk als we de vrede willen veiligstellen. In De nieuwe krijgselite werken zij deze samenhang uit. Het boek is theoretisch slecht onderbouwd, maar geeft een goed overzicht van de nieuwe technologieen en operationele mogelijkheden van het leger van de toekomst.
Onder verwijzing naar Marx stellen de Tofflers dat oorlogen kunnen worden ingedeeld in typen die overeenstemmen met de heersende produktiewijze in de oorlogvoerende naties: 'De manier waarop wij oorlog voeren weerspiegelt de manier waarop wij welvaart scheppen; en de manier waarop wij de oorlog bestrijden moet een weerspiegeling zijn van onze wijze van oorlog voeren.’ Net als op Marx’ basis-bovenbouwtheorie valt er op deze formulering heel wat af te dingen, maar alsof hun stelling nog niet krampachtig genoeg is, trachten de Tofflers hem ook nog in het korset van hun 'golftheorie’ te persen.
Volgens deze theorie, die zij eerder in De derde golf beschreven, valt de geschiedenis in te delen in beschavingsgolven. De eerste golf is die van de agrarische beschaving, een fase waarin ook nu nog een deel van de wereldbevolking verkeert en die is gebaseerd op het bezit van grond. De oorlogvoering wordt gekenmerkt door de gebrekkige techniek, de fragmentarische organisatie en het beperkte voedseloverschot van de landbouwgemeenschap. De tweede golf is die van de industriele revolutie, gebaseerd op de massaproduktie van goederen die uitmondde in massaonderwijs, massamedia en massavernietiging. De neiging tot schaalvergroting culmineerde op militair gebied in de uitvinding van de atoombom: 'Toen de industriele beschaving in de periode na de Tweede Wereldoorlog haar hoogtepunt bereikte, ging de massale vernietiging in de militaire doctrine dezelfde hoofdrol spelen als die van de massaproduktie in de industrie. Ze was de dodelijke dubbelgangster van de massaproduktie.’
Momenteel bevinden de grote democratieen zich volgens de Tofflers in de overgang naar de derde golf: de informatiemaatschappij. De derde-golfbeschaving produceert geen goederen maar kennis, symbolen en informatie. De massaproduktie maakt plaats voor variatie en maatwerk, de werkeenheden worden kleiner en voortdurende (zelf)scholing, innovatie en communicatie zijn het parool.
DEZE OVERGANG heeft sedert de jaren tachtig ook aanwijsbare gevolgen gekregen voor de militaire strategie. De Golfoorlog was in sommige opzichten nog een tweede-golfoorlog - getuige de tapijtbombardementen met B-52’s en de frontale aanvallen op vijandelijke stellingen - maar vertoonde reeds alle kenmerken van een derde-golfoorlog. In essentie was Desert Storm een cyberwar, een cybernetische campagne waarin het Amerikaanse kennis- en informatieoverwicht de doorslag gaf.
De eerste aanval was meteen een 'aanval in de diepte’, gericht tegen de Iraakse communicatie- en aanvoerlijnen en uitgevoerd met geleide wapens en vliegtuigen die de vijandelijke radar ontdoken. De beelden van feilloos inslaande Tomahawk-raketten en 'slimme bommen’ waren het topje van de ijsberg. Dank zij satellietfoto’s, Awacs-vliegtuigen, nachtkijkers, speciale sensoren, radar, elektronische afluisterapparatuur, onbemande verkenningsvliegtuigjes en met de modernste zendapparatuur uitgeruste verkenners beschikten de Amerikaanse bevelhebbers over alle benodigde gegevens. De kortstondige landoorlog werd op vergelijkbare wijze gecoordineerd, want vrijwel elk onderdeel van de geallieerde krijgsmacht was geautomatiseerd. Op het hoogtepunt van de strijd stonden duizenden computers in het oorlogsgebied in verbinding met computers in de Verenigde Staten. Het resultaat was, aldus de Tofflers, militair maatwerk naar het voorbeeld van de modernste dienstverlenende industrie.
In het licht van de Golfoorlog is het verleidelijk om de parallel tussen economie en krijgskunde verder door te trekken, maar helaas voor de Tofflers gaat hun vergelijking alleen in het heden op. Zodra ze de golftheorie toepassen op de krijgsgeschiedenis, verdrinken zij in golven van onzin. Een voorbeeld: volgens de Tofflers was de nationale mobilisatie van het revolutionaire Frankrijk, de levee en masse, een afspiegeling van de massaproduktie van het industriele tijdperk. Maar de Franse economie was ten tijde van de revolutie voor vijfennegentig procent agrarisch. De enige industrievorm waarover het land beschikte was de manufactuur, een primitieve handwerkfabriek die allesbehalve massagoederen produceerde. Daarentegen ging het veel verder geindustrialiseerde Groot-Brittannie niet over tot totale mobilisatie. Dat zou uiteindelijk pas gebeuren in 1941, als antwoord op de acute dreiging vanuit Hitler-Duitsland. Maar 'voor Amerikanen lost de geschiedenis al snel in zichzelf op, met achterlating van slechts het hier en nu’, zoals de Tofflers ergens schrijven. Ook die uitspraak klopt niet, maar hij getuigt tenminste van zelfkennis.
HET BOEK WORDT interessant zodra de auteurs de militaire mogelijkheden van de moderne informatica en cybernetica schetsen. Wat te denken van robotlegers, bestaande uit geleide tanks, helikopters en vliegtuigen? Of van een leger van robotmieren ter grootte van enige millimeters, die ongezien grote schade aan vijandelijke installaties toebrengen? Amerikaanse en Japanse laboratoria experimenteren reeds met de vereiste nanotechnologie. In strategische en tactische plannen wordt behalve naar effectiviteit ook steeds meer gestreefd naar beperking van het verlies van mensenlevens, niet alleen bij de eigen partij maar ook bij de vijand. Alleen een 'schone’ oorlog zal in de toekomst nog aanvaardbaar zijn voor de publieke opinie, die dank zij de snelle media (naast radio en televisie tegenwoordig ook e-mail en fax) de strijd op de voet kan volgen.
Aan publikaties van een particuliere denktank, de Global Strategy Council, ontlenen de auteurs ook een aantal voorbeelden van niet-dodelijke wapens, van infrasone geluidsgeneratoren die het slachtoffer kortstondig ziek maken, tot kleef- en glijmiddelen die een vijand immobiliseren. In een wereld vol godsdienstige en regionale twisten is dodelijk geweld vaak contraproduktief, maar hoewel de Tofflers de gangbare strategieen voor conflictbeheersing voortdurend 'achterhaald’ noemen, geven ze zelf geen aanzet tot een nieuwe 'technologische’ strategie voor vredeshandhaving. Ze beperken zich tot het opsommen van gadgets en laten het verder bij warrige voorspellingen aangaande het 'mondiale systeem van de eenentwintigste eeuw’, doorspekt met kreten die aan gene zijde van de oceaan voor visionair doorgaan: 'Wij zijn met grote snelheid op weg naar een vreemde en nieuwe periode van toekomstgeschiedenis.’
De belangrijkste gedachte uit het boek is misschien wel dat de informatiemaatschappij tegelijk machtiger en kwetsbaarder is dan voorgaande beschavingen. Door de vervlechting van militaire en civiele technologie wordt de hele samenleving een potentiele 'oorlogsmachine’ en zullen kennisstrategieen een steeds belangrijker plaats innemen in de militaire doctrine. Het belangrijkste produktiemiddel - kennis - is niet gebonden aan een plaats of tijd, laat staan aan (morele) grenzen. Je moet er niet aan denken dat agressieve regeringen, krijgsheren of terroristen de beschikking krijgen over derde-golfwapens, zoals ecologische strijdmiddelen en 'rasspecifieke’ epidemieen. Of liever gezegd: je moet er wel over nadenken, maar dan in termen van aanvaardbare verliezen voor de hele beschaving, niet alleen die van de derde-golfnaties.