Ger Groot

Cycloop

Writsaert, Ritsaert, Adelaaert en Reynout waren de vier Heemskinderen uit het gelijknamige Middelnederlandse lied. Ik wist het niet en had zonder die wetenschap nog lang en voorspoedig kunnen leven als de zojuist verschenen (en drastisch vernederlandste) Oncyclopedie van de Australische journalist Gideon Haigh (uitg. Balans) me die wetenschap niet had ingeprent. Of ze in mijn geheugen onuitwisbaar zal zijn, moet – net als die van de ongeveer tweehonderd andere lemmata in het boek – nog maar blijken.

Wilde ik alles wel weten? Volgens de aansporing op het omslag van het boek wel, als zou ik dat nu juist weer niet geweten hebben. Zo dicht de Oncyclopedie de mensheid – of althans haar lezers – een grote maar onbewuste weetgierigheid toe, die we kennelijk als een deugd moeten beschouwen. Bladzij na bladzij dompelt het boek ons onder in de meest uiteenlopende feiten van de meest triviale aard. Ze worden gepresenteerd met een schromelijke minachting voor relevantie en systematiek, waarin de gebruikelijke alfabetische ordening het laat afweten en zelfs het register achterin het zoeken nauwelijks helpt.

Bladeren in deze Oncyclopedie is dus het enige wat erop zit – en dat lijkt wél weer op de manier waarop echte encyclopedieën als tijdverdrijf worden gebruikt. Het boek frustreert het zoeken bij voorbaat en zet alle kaarten op de verrassing van het vinden, ook al valt daarmee vervolgens nauwelijks iets aan te vangen. Want waarom zou ik kennis moeten nemen van de namen van alle vrouwen van Henrik VIII, de juiste manier om een origamizwaan te vouwen of de wetenschappelijke aanduiding van een dertigtal fobieën?

Toch hield ik in deze parodie-encyclopedie niet met bladeren op. Kennelijk schuilt er iets fascinerends in de kennis van het blote feit, dat veertig jaar geleden in de onderwijsvernieuwing het onderspit moest delven tegen de vaardigheid van het opzoeken van datgene wat je juist niet wist. Daar waren goede redenen voor, maar niet goed genoeg om iedere vorm van parate kennis bij het oud vuil te zetten – waar ze inmiddels weer schroomvallig uit schijnt te worden opgevist.

Maar zelfs paraat zijn de weetjes uit de Oncyclopedie niet. In hun schamele naaktheid staan ze nergens klaar voor en dus betekenen ze ook niks. Van oudsher hebben encyclopedieën, geordend naar de mechanische orde van het alfabet, zich geconfronteerd gezien met het probleem dat een feit alleen in een groter verband gaat spreken. Doorverwijzingen – intussen hyperlinks – en computeranimaties zijn er gaandeweg aan te pas gekomen om tussen hen het netwerk van de wereld te herstellen, maar helemaal gelukt is dat nooit.

Uit dat fiasco trekt de Oncyclopedie de radicale consequentie. In haar zijn de feiten er alleen om wille van henzelf. Dat ze juist daarin genoegen en vertier schenken, maakt ze bijna verwant aan de zuivere schoonheid, volgens de beschrijving van Immanuel Kant. Belangeloos welbehagen dat nergens meer toe dient, was volgens hem een van haar hoofdkenmerken.

Bestaat er een schoonheid van het blote feit? Zo ja, dan zou die moeten liggen in de zuiverheid van iets dat is wat het is, zonder context en zonder zin. De feiten wereld is dus de wereld niet, die bestaat uit verbanden en betekenis. Zuivere feiten zijn er alleen als fictie. Ze vormen de sterrenhemel van een bovenaardse sfeer, die we ademloos beschouwen maar waarin we niet leven.

Feitenkennis alléén ziet dan ook niets anders dan vonken van een hemels vuurwerk dat in het ergste geval verblindt. In dat laatste schuilt het gevaar van de encyclopedische illusie, die zich blindstaart op het lemma en vergeet hoe abstract iedere quizkennis is. De literatuur maakte daar al veel eerder een mooie parabel van. In de Odyssee ziet de eenogige Cycloop, waaraan het genre van het naslagwerk zijn naam ontleent, aan het eind van het verhaal uit louter encyclopedisme helemaal niets meer.