Profiel: Ben Bot

Cynicus, met mate

Een zucht van verlichting ging door het ministerie van Buitenlandse Zaken toen daar op 3 december van het Europese rampjaar 2003 de nieuwe minister Ben Bot aantrad. Niet dat zijn voorganger Jaap de Hoop Scheffer het nou zo beroerd had gedaan, nee, ook met hem kon je internationaal voor de dag komen. Veel ambtenaren hadden er evenwel niet aan moeten denken dat Maxime Verhagen, fractievoorzitter van het CDA en lange tijd de meest kansrijke kandidaat voor de opvolging, Nederland vanaf 1 juli van het volgende jaar door het Europese voorzitterschap had moeten loodsen. Even geen for tuynistische fratsen of om de gunst van de peilingen wedijverende nieuwlichters. Alle zeilen bij om het tanende imago van Nederland in het buitenland bij te stellen, was de gedachte. Met Ben Bot, die net een diplomatieke carrière van veertig jaar achter de rug had, wist je tenminste wat je binnenhaalde: een minister die onmiddellijk «Colin» zegt als zijn Amerikaanse collega Powell op een persconferentie «vriend Ben» het woord geeft, een Europeaan die fier het Nederlandse standpunt over het voetlicht brengt en de Atlantische betrekkingen belangrijk vindt, maar van goede relaties met de VS geen karikatuur maakt.

Nederland had iets recht te zetten en Bot realiseerde zich dat. «Voor het buitenland verkeert Nederland in een soort malaise», schreef hij vlak voor zijn ministerschap in een boekje over lobbyen in Brussel. De invloed van Nederland is daardoor «de laatste jaren» aan erosie onderhevig. Dat ligt niet alleen aan onze «haperende economie», ook «politieke redenen» zijn hier debet aan, wist Bot. De moord op Fortuyn bijvoorbeeld. En de verkiezingsuitslag van mei 2002. Zelfs de lange formatie van 2003, die uiteindelijk leidde tot het kabinet waarvan hij nu deel uitmaakt, heeft aan die erosie bijgedragen.

«Fortuyn» uit de mond van Bot: het lijkt een verwijzing naar een politieke rimpeling op een andere planeet. De volksopstand van 2002 is, goddank, aan de minister van Buitenlandse Zaken voorbijgegaan. Verwacht van hem geen populistische statements. Als rechtgeaard diplomaat zegt Bot zelden wat hij denkt en al helemaal niet wat hij doet. Hij opereert zoals hij eruitziet: conventioneel, stoïcijns en doordacht. Een moeilijk te doorgronden sfinx, wars van modieus gedrag of provinciaals gekakel.

Wat dat betreft heeft Bernard Rudolf Bot zijn cv mee: alleen al zijn geboorteplaats (Batavia, 1937) ademt de sfeer van andere tijden. Tijden waarin ministers nog excellentie genoemd werden en de natie met bloemrijk taalgebruik onderricht kon worden. Tijden van zijn vader Theo Bot, die na een carrière in Nederlands-Indië namens de Katholieke Volkspartij het ministerie van Onderwijs bestierde. Was in het eerste kabinet-Balken ende Piet Hein Donner, eveneens telg uit een ministersgeslacht, nog een baken van rust in nerveuze tijden, inmiddels is het Bot die Nederland, althans wat het buitenlands beleid betreft, terugbrengt in rustiger vaarwater.

Even leek het afgelopen week mis te gaan. Minister Kamp van Defensie stak in de Kamer een vurig pleidooi af voor onverwijlde verlenging van de Nederlandse deelname aan de Sfir-missie in Irak. Bot fronste zijn wenkbrauwen maar liet zich, als eindverantwoordelijke voor dit besluit, toch niet uit de tent lokken. Een toezegging aan de Amerikanen zou prematuur zijn. Zeker nu eerst nog in onderhandelingen geprobeerd wordt andere Europese landen, vooral de Duitsers, bij de wederopbouw van Irak te betrekken.

Europa is best belangrijk, vindt ook Ben Bot. Maar de «europositivo» die veel kranten na zijn benoeming van hem maakten, is hij nu ook weer niet. Toen hij in 2002 tegen zijn zin door het ministerie van Buitenlandse Zaken op 65-jarige leeftijd met pensioen was gestuurd en niet meer het woord van de Nederlandse regering hoefde te spreken, maakte hij van zijn hart geen moordkuil. Met mate, zoals het een oud-diplomaat betaamt. Maar toch. De nog immer actuele Lissabon-agenda, die van de EU de meest concurrerende economie ter wereld moet maken, was in zijn optiek een hersenschim van de Europese machinerie. «De Europese instellingen vormen een soort raderwerk, waar maar diesel wordt bijgegooid en dat stoomt en rookt aan alle kanten. De scoringsdrift is groot. Het is natuurlijk fantasie, zo’n belofte van premiers dat er in ieder Italiaans dorp in de Apennijnen computerexperts kindjes gaan leren hoe met internet om te gaan. Het is fantasie, maar het staat er wel», zei de ex-diplomaat Bot, die zich voorbereidde op een oude dag als Brussels lobbyist voor het Nederlandse bedrijfsleven.

En de uitbreiding van de Unie tot 25 landen, die voor komende maand op de agenda staat, ging voor Bot «wel erg hard en snel». Het tempo had «een tandje lager gekund» en er had «selectiever» naar de nieuwe lidstaten gekeken moeten worden, vond Bot. «Er zitten landen bij waarvan je je moet afvragen of het ook voor hen wel het geschikte moment is om de loden last van het lidmaatschap op zich te nemen, en onderworpen te worden aan de concurrentie van een bikkelharde Europese Unie.»

In de vele afscheidsinterviews spreekt de Ben Bot zoals Europa-watchers hem tien jaar lang off the record meegemaakt hadden: de charmante cynicus, de scepticus met kennis van zaken. Het land dat hij in Brussel als diplomaat van 1992 tot 2002 diende en dat zich als een van de oprichters van de EU graag laat voorstaan op een grote invloed, mocht blij zijn dat hij als permanent vertegenwoordiger («pv») in Brussel de weg kende en met wheeling and dealing bijvoorbeeld de benoeming van Wim Duisenberg tot eerste president van de Europese Centrale Bank veiligstelde. «Het probleem van de Nederlandse politiek is dat men vaak een zeer verdedigbaar standpunt inneemt, maar niet de souplesse heeft om door te denken hoe het bij de andere veertien lidstaten ligt en waar je uiteindelijk uit wilt komen. Dan dreig je vol te houden in dwaze posities en er uiteindelijk niets voor terug te krijgen», verzuchtte Bot in zijn ambteloze periode.

De eerste maanden van zijn ministerschap heeft Bot zich noodgedwongen beziggehouden met een charmeoffensief om de scherven van zo’n staaltje Nederlandse koppigheid bijeen te rapen. Na de megafoondiplomatie van minister Zalm van Financiën richting Duitsland en Frankrijk was het Bot die de betrekkingen, zo kort voor het Nederlandse voorzitterschap, moest herstellen. «Altijd bij de Duitsers aanhaken», luidt al jaren zijn devies. De vendetta van Zalm was hem een doorn in het oog geweest. Hij pleitte voor wijziging van het «te rigide» stabiliteitspact en wist, ten langen leste, zelfs Zalm mee te krijgen en te voorkomen dat Nederland partij zou worden in een bij het Europese Hof aangespannen rechtszaak. Nederland is nu officieel van mening dat in een nieuw pact niet meer alleen gekeken moet worden naar de hoogte van het begrotingstekort maar ook naar de omvang van de staatsschuld. Dat is gunstig voor Duitsland én inmiddels ook voor Nederland.

De Fransen paaide hij ondertussen met een van historische verwijzingen doordesemd ingezonden stuk in Le Figaro waarin hij opriep tot een nieuwe «esprit de compromis». Maar als er dan toch een Europese «kopgroep» zou ontstaan, zoals de Fransen willen, dan blijft Nederland niet achter, schreef vrijetijds wielrenner Bot: «Waar nodig zullen groepen gelijkgezinde lidstaten sneller kunnen demarreren.»

Dit «Europa van twee snelheden», zoals het in het jargon heet, komt er immers toch wel, analyseerde Bot tijdens zijn openhartige periode na zijn ambassadeurschap. Dat maakt het bovendien «makkelijker om achtergebleven landen als Albanië en Turkije op te nemen», zei hij toen. In tegenstelling tot veel van zijn CDA-partijgenoten, ook in het kabinet, heeft Bot, sinds een ambassadeurschap in de jaren tachtig in Ankara, geen principiële bezwaren tegen toetreding van Turkije. Als het land voldoende hervormt, kan het volgens een door hem geschreven uitgelekte nota in 2015 toetreden.

Voor het zo ver is zal de EU eerst het startsein voor onderhandelingen moeten geven. Dat gebeurt eind dit jaar, onder Nederlands voorzitterschap. Zoals het er ook naar uitziet dat het Nederlands voorzitterschap een beslissende rol krijgt bij de slotonderhandelingen voor de Europese grondwet. «Ik ben zo dol op een 32-urige werkweek dat ik er het liefst twee van heb», grapte Ben Bot vorig jaar in de wandelgangen van de Tweede Kamer. Hij zal zijn tijd hard nodig hebben.