Opheffer

Cynisch lachen is ook lachen

Idealisme roept altijd de verkeerde soort morele verontwaardiging op.
Dat herinner ik me nog goed uit de tijd dat ik overtuigd marxist was. Het deed er niet toe wat Amerika deed - het was altijd fout. Wanneer ik in die jaren naar sportwedstrijden keek, dan hoopte ik oprecht dat de Amerikaan zou verliezen.
Ondertussen draaide ik de Amerikaan Bob Dylan, de Vietnam-veteraan Jimi Hendrix, las ik alles van de Amerikanen Salinger, Updike en Steinbeck en wilde ik niets liever dan naar New York.
Maar ik ging met mijn verloofde naar Moskou.
Het was 1972. De communistische heilstaat bloeide nog. Ik durfde aan niemand, zelfs niet aan mijn verloofde, te vertellen hoe erg ik afknapte. Op alles. Op het leven daar, op het eten, op de groepsdwang. Ik kon wel huilen, maar… ik bleef marxist, zij het steeds minder, minder en minder. Dat heeft nog lang geduurd.
Ik bleef betrokken! Mijn engagement in sartriaanse zin kende geen grenzen.
Identiteit was het grote modewoord eind jaren zeventig. Mijn omgeving maakte mij duidelijk dat ik zoiets had als een kleurtje. Ik was Indo! En er kwamen allemaal nieuwe kleurtjes in Nederland en die werden gediscrimineerd. Ik kreeg een nieuw doel. Uit idealisme werd ik leraar ‘voor anderstaligen’ in Amsterdam. Ik werd klassenleraar voor Marokkanen, Turken, Italianen, Grieken, Spanjaarden. Leeftijd: van twaalf tot achttien. Ik kwam bij hun ouders over de vloer, en ik zag zaken die ik liever niet zag. Bijvoorbeeld: dat kinderen die het alfabet kenden veel en veel sneller leerden dan kinderen die het niet kenden. Ik zag vrouwen, moeders, die opgesloten en geslagen werden, en ik hoorde van Nederlandse meisjes dat sommige 'anderstalige’ meisjes door hun broer en oom werden misbruikt. (Ik gaf toen les op een Amsterdamse huishoudschool.)
Het kon niet uitblijven: er was een meisje dat een poging deed tot zelfmoord. Amsterdam had toen een vertrouwensarts die zei: 'Dat meisje moet weer snel met haar ouders herenigd worden.’
Ik heb dat meisje nooit meer gezien. En ik heb nooit meer iemand naar die vertrouwensarts gestuurd.
Ook het onbewuste trekt uiteindelijk conclusies. Ik bedoel: je registreert zaken, je wilt daar geen oordeel over vellen, je doet net of het er niet is, je probeert argumenten voor je gelijk te vinden, en die vind je meestal wel.
Maar op een dag kom je iemand tegen die je vertrouwt - in mijn geval via een boek, en het was de schrijver Karel van het Reve - en je verliest je marxisme, zonder je erg te hoeven schamen.
Of je komt iemand tegen, zoals wijlen de docent Tom Gerold die zegt: 'Hoe leuker het geloof dat ze hebben, hoe beter ze leren.’
Je lacht, maar je weet dat het waar is.
Van een ideaal afstand nemen, is scheiden van een mooie vrouw met wie je constant ruzie hebt.
Je wil haar houden, maar het gaat domweg niet langer.
Misschien is dat het normale proces van ouder worden.
Mijn dochter zit vol met idealen. Ik zeg vaak tegen haar dat 'idealen’ bij haar niet een meervoud is van een abstract zelfstandig naamwoord, maar een werkwoord. Ze ideaalt zich suf. Ze ideaalt over de wereld, over de oceaan, over het milieu, over de stad; haar idealen lijken op kleurrijke ballonnen - en daartegenover staat dan mijn zwarte cynisme: een steeds harder wordend wereldbeeld. De wereld wordt voor mij ook killer en naargeestiger, maar, gek genoeg, ook leuker om te leven.
Cynisch lachen is ook lachen. Cynisme is voor mij: alvast gaan wonen in een doodskist en als je ’s ochtends het deksel openslaat en de zon schijnt meteen denken: ik moet de schaduw zoeken anders verbrand ik.
Het is niet dat ik me schaam voor mijn oude idealen. Helemaal niet. Maar het zijn dierbare familieleden waarin ik ernstig teleurgesteld ben geraakt.