De Roy van Zuydewijn, The Arms Transfer Policy

D.Phil De Roy van Zuydewijn

De wetenschapper Edwin de Roy van Zuydewijn lijkt op de persoon zoals die naar voren komt in de landelijke pers. Zeker in de passages van zijn proefschrift waarin hij een achter de schermen foezelende politieke elite beschrijft.

In Margarita’s familie, zo vertelde het pasgetrouwde prinselijk paar, is getwijfeld aan het bestaan van het proefschrift. Ten onrechte. Edwin de Roy van Zuydewijn schreef The Arms Transfer Policy of the Federal Republic of Germany Towards the Middle East, 1949-1982 aan het Oriel College, een onderwijsinstituut dat onderdeel is van de universiteit van Oxford. Sinds de voltooiing in 1996 is het te vinden in de bibliotheek van Oxford, onder nummer 47-364. Iedereen kan het daar van micro fiches lezen. Wel is begrijpelijk dat over de status van het proefschrift verwarring is ontstaan, omdat de behaalde graad niet Ph. D heet, maar Doctor of Philosophy, door Engelsen wel D. Phil genoemd. Met deze titel onderscheiden promovendi van Oxford en Cambridge zich van hun collega’s aan minder prestigieuze universiteiten.

Een andere reden voor argwaan was de afwezigheid van grote stapels van het proefschrift in een van de huizen van De Roy. Hij vertelde slechts over één exemplaar te beschikken. Maar ook dat is niet vreemd. Anders dan hun Nederlandse collega’s zijn de Oxbridge-promovendi niet verplicht hun eigen proefschrift te laten drukken. In Engeland volstaat een enkele computeruitdraai.

Het proefschrift, dat vooralsnog nergens is besproken, vertelt het verhaal van het wapenverkoopbeleid van de Bondsrepubliek Duitsland met betrekking tot het Midden-Oosten. Het gaat de onderzoeker daarbij om de discrepantie tussen zeggen en doen, ofwel het verschil tussen «declaratory policy» en «operational policy» van de opeenvolgende bondsregeringen. Het is een politicologische dissertatie, met een hoog historisch gehalte. De auteur bedient zich erin van een tamelijk groot vocabulaire, zeker voor iemand wiens moedertaal niet het Engels is. Zijn woordgebruik is helder en nooit gericht op het effect, daardoor dikwijls ook vlak — maar een kniesoor die dat een wetenschapper euvel duidt. Het onderzoek gaat voor een belangrijk deel over onthullingen, maar doet er zelf geen. Het is het verhaal ook van het Duitse Wirtschaftswunder, van de herbewapening, van machts- en handelsrelaties en van Wiedergutmachung — alles in het licht van de Koude Oorlog. Het Midden-Oosten-conflict speelt een belangrijke rol, net als de aanwezigheid van duizenden Duitse militaire adviseurs in Egypte (die zelfs de officieren rond Nasser hielpen bij hun samenzwering tegen koning Faroek), en allerlei andere geopolitieke ontwikkelingen die typisch waren voor de verhoudingen in de Koude Oorlog. Tegen deze achtergrond probeert De Roy de spagaat bloot te leggen waarin de West-Duitse buitenlandse politiek zich bevond in relatie tot het Midden-Oosten.

Als enige Europese natie genoot Duitsland een speciale band met de Arabische wereld. Die stamde nog uit de tijd van Wilhelm II, de keizer die op zijn reis door het gebied plechtig had verklaard niet als kolonisator te komen, maar als «vriend van alle moslims». Bovendien strekte — vooral in Egypte — de Duitse hereniging van 1871 tot voorbeeld voor een mogelijke Arabische unie. De moord op de joden in de Tweede Wereldoorlog, zo blijkt uit De Roys dissertatie, deed geen afbreuk aan de status van Duitsland onder Arabische regeringen. Op zoek naar afzetmarkten en in het verlangen een «middle-sized power» te worden, zoals De Roy dat noemt, wilde Duitsland profiteren van die status. Bovendien zochten de eerste bonds regeringen naar bondgenoten voor de hereniging van hun land — wat destijds betekende dat je als bevriende natie de Bondsrepubliek erkende in plaats van de DDR.

Voor al deze doeleinden was het onverstandig zaken te doen met Israël. Maar West-Duitsland wilde ook volwaardig lid worden van de wereldgemeenschap. Daartoe moest het krachtig afstand nemen van het recente, gruwelijke verleden. Met een steuntje in de rug van de geallieerde bezetters hadden de eerste bondsregeringen zich voorgenomen geen wapens te verkopen aan «spannings gebieden», noch aan landen die een offensieve oorlog voerden.

Een andere manier om deel uit te maken van de «family of nations», zoals De Roy dat noemt, was door herstelbetalingen aan de staat Israël. In 1952 zaten Israëliërs en Duitsers daartoe rond de tafel op de conferentie van Wassenaar, wat leidde tot de overeenkomst van Luxemburg een jaar later. Dit schaadde de relatie met de Arabische wereld. Vooral achter de schermen, zo weet De Roy overtuigend aan te tonen, is er woedend gereageerd. Een van de mooiste bronnen die De Roy heeft opgedoken, toont aan dat Duitsland ver ging in het apaiseren van de leiders in het Midden-Oos ten. Uit een brief van een Egyptische diplomaat in Duitsland, gedateerd 17 september 1952, blijkt dat Walter Hallstein, destijds minister van Buitenlandse Zaken, de Egyptische regering had uitgelegd dat de niet te onderschatten «sterke joodse lobby in Amerika» het de Duitsers onmogelijk maakte de overeenkomst voor de herstelbetalingen aan Israël niet te ratificeren (zeven jaar na de Tweede Wereldoorlog).

Hoe kon, gezien deze spagaat en ondanks wettelijke beperking, West-Duitsland in enkele decennia het vijfde wapenexporterende land van de wereld worden, vraagt De Roy zich af. Hij komt tot de slotsom dat het vóór 1965 vooral politieke en daarna economische motieven waren die de regeringen — van welke signatuur ook — ertoe brachten bij wapenleveranties een oogje dicht te knijpen. Dat doet hij op basis van uitgebreid bronnenonderzoek. Dat omvat niet alleen de secundaire literatuur, maar ook beleidsstukken van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, de correspondentie van diplomaten, memoires van politici, herinneringen van defensie ambtenaren en de door De Roy geëntameerde interviews met betrokkenen. (De onderzoeker kan niet nalaten te vermelden dat vele (ex-)of ficials slechts off the record met hem wilden praten.) Pas wanneer het de wapenhandel na 1966 betreft, moet hij het louter van secundaire bronnen hebben, aangezien de overheids archieven pas na meer dan dertig jaar beschikbaar komen voor wetenschappelijk onderzoek.

Minder sterk dan het bronnenonderzoek is de legitimatie van de keuze voor het onderzoeksonderwerp. Die zit hem in elk geval niet in het internationale belang van de wapenhandel tussen West-Duitsland en het Midden-Oosten. Die betrof in kwantiteit niet meer dan 1,5 procent van de internationale wapenhandel. De Sovjet-Unie en de Verenigde Staten domineerden die markt en fabriceerden in de jaren zeventig respectievelijk dertig en veertig procent van de wereldwijd verhandelde wapens. Frankrijk nam 7,5 procent voor zijn rekening, West-Duitsland 4,5 procent. Eén derde daarvan plaatst de «speciale» relatie die Duitsland met het Midden-Oosten onderhield niet direct in het licht van de wapenhandel.

Het onderzoek vraagt dus om een andere legitimering. Die geeft De Roy nauwelijks. Wel blijkt uit zijn inleiding dat het hier om een braakliggend onderzoeksterrein gaat. («De meeste publicaties richten zich op de West-Duitse wapenhandel in het algemeen.») Zoals zo veel onderzoekers als motief aanvoeren, voegt De Roy met zijn promotieonderzoek dus een niet eerder gelegde steen toe aan het grote bouwwerk van de wetenschap. Alhoewel dit een populaire rechtvaardiging is, getuigt ze ook van een weinig originele of visionaire blik.

Hinderlijker is dat De Roy in de inleiding noch in de conclusie uitlegt waarom hij juist koos voor deze periode: die lijkt aanvankelijk willekeurig. Pas later en terloops blijkt dat niet het geval. De samenvatting wordt verder ontsierd door de mededeling dat West-Duitsland het enige westerse land was dat in de jaren vijftig en zestig «nog» respect genoot in de leidende Arabische landen. Niet erg onbekend is dat Amerika in werkelijkheid in die tijd ook (nog) hoog stond aangeschreven.

Maar dit laat onverlet dat De Roy op een gedegen wetenschappelijke wijze komt tot een van zijn belangrijkste inzichten: ministers, ambtenaren en particuliere wapenhandelaars misleidden het Duitse parlement en volk uit economische en andere motieven, tot een moment waarop de politieke druk zo hoog opliep dat ze gedwongen waren nieuwe politieke richtlijnen aan te nemen. Wat ook gebeurde in het begin van de jaren zestig, en opnieuw in 1965, 1971 en 1982. Vooral na de onthulling dat de regering geheime wapentransacties met Israël had uitgevoerd en nadat bekend werd dat er (verouderde) wapens waren geleverd aan Algerijnse opstandelingen, was de commotie zo groot dat de politiek besloot in te grijpen. Tegelijk leert De Roy dat Duitse bewindvoerders de telkens vernieuwde «politieke richtlijnen» niet als hindernis zagen, maar, zo schrijft hij, «gebruikten als façade waarachter zij dekking zochten voor de publieke en parlementaire onvrede over het West-Duitse wapenverkoopbeleid». Na aanscherping van de wet begon de «balanceeract» tussen zeggen en doen opnieuw, met alle trucs en complicaties die daarbij horen.

Kenmerkend voor de man zoals die bekend is geworden bij het Nederlandse publiek gelooft de onderzoeker sterk in de macht van een kleine elite die achter de schermen aan de touwtjes trekt. Hij gelooft minder in de kracht van grote sociaal-economische ontwikkelingen. En al helemaal niet in de invloed van morele of ideologische overwegingen. (Hij ziet wel dat de Duitse regering een «morele verplichting» voelt — dit soort woorden zet De Roy dikwijls tussen aanhalingstekens — maar hij beschouwt die dan als louter ingegeven door economisch en politiek eigenbelang.) Opvallend is daardoor dat De Roy — toch een representant van het realisme in de leer der internationale betrekkingen — slechts door zijn zakelijke, wetenschappelijke toon heen breekt wanneer hij een lichte verontwaardiging niet kan onderdrukken over de machtspolitiek die hij zelf beschrijft.

Juist die passages van de wetenschapper maken het verleidelijk te psychologiseren. Want de Edwin de Roy van Zuydewijn, zoals geëtaleerd aan het publiek, toont opvallende overeenkomsten met de onderzoeker De Roy, die met opwinding citeert uit interne memo’s van Duitse diplomaten om effectief aan te tonen dat zelfs zij niet op de hoogte waren van de beslissingen die de minister van Defensie achter gesloten deuren nam met mannen als Ben-Goerion en Sjimon Peres. Het is alsof De Roy zijn wetenschappelijke bevindingen over het Duitse wapenbeleid herhaalde toen hij van de koninklijke familie zei dat «deze mensen» de meest voorbeeldige familie pretenderen te vormen, terwijl ze «in werkelijkheid» foezelen en vuile spelletjes spelen achter een façade van keurigheid en deugdzaamheid.

Edwin de Roy van Zuydewijn

The Arms Transfer Policy of the Federal Republic of Germany Towards the Middle East, 1949-1982

Oriel College, Oxford University