Op hoop van zegen revisited

«D’r was niks – niks as wind»

De Zwitserse regisseur Christoph Marthaler regisseerde bij ZTHollandia een Nederlandse klassieker, Heijermans’ Op hoop van zegen. De voorstelling heet Seemannslieder.

Herman Heijermans’ Hollandse klassieker Op hoop van zegen (1900) was het eerste toneelstuk dat ik ooit zag. Op de televisie, donderdag, de vaste drama-avond – we schrijven begin jaren zestig van de vorige eeuw, het beeld op zwart-wit, één net, horizontale programmering, je wist per avond wat je kreeg. In mijn herinnering (ik moet dertien zijn geweest) kwam het vissersdrama rechtstreeks vanuit een schouwburg. Mimi Boesnach speelde Kniertje, de Moeder Aller Hollandse Zeemannen, een piepjonge Kitty Courbois was een van de jonge vrouwen uit het zeemansdorp, Marietje. Mijn moeder keek vanachter haar strijkplank gefascineerd naar het kersverse beeldscherm – de televisie was zojuist in onze boerderij geïnstalleerd. Ze vergat me naar bed te sturen.

Het derde bedrijf. Heijermans schrijft voor: «Een gierende wind huilt langs het huis.» Vissersvrouwen bieden tegen elkaar op wie van hun jongens en mannen nooit van de jacht op haringen en kabeljauwen zijn teruggekomen. Ondertussen voel je als toeschouwer dat de jongens en mannen die zojuist smadelijk op de wrakke schuit De Hoop naar de Doggersbank zijn gedreven nooit meer terug zullen keren. Om de haverklap moest ik naar de wc of naar de keuken om een glaasje water te halen. De spanning was niet om uit te houden. Die avond ontdekte ik de magie van toneel. Marie tje, de dochter van een scheepmakersknecht, verloofd met Mees, een jongen van negentien – hij zal met De Hoop verzuipen – spreekt in dat derde bedrijf een verschrikkelijke tekst, een polderlandse Kassandra-monoloog: «Ik weet helemaal niet of ’t ’n droom was – d’r wier op de ruit geklopt – éénmaal – toen ben ik blijve legge – toen no ’ns – toen ben ik opgestaan – niks te zien – niks. En zó as ik weer lee, wier d’r weer geklopt – zo – (ze klopt op de tafel) – en toen heb ik Mees zijn gezicht gezien – zo bleek as… God, o God… En d’r was niks – niks as wind.»

Een van de weinige elementen die de Zwitserse regisseur Christoph Marthaler van Heijermans’ Op hoop van zegen intact laat in zijn voorstelling Seemannslieder, dat zijn de teksten uit dat gruwelijke, martelende derde bedrijf. De vrouwen zitten rechts op het speelvlak op een bank. De mannen waarover hun verhalen gaan, staan links aan de toog van een zeemanskroeg. Ze dragen bizarre carnavalsmaskers van zeemannen-met-een-zeemansgrijns-en-een-zeemanspet. En iedere keer als de vrouwen zichzelf manen tot stilte om te luisteren naar de spookgeluiden die huilen om hun huis, mompelen de mannen een gierende wind bij elkaar. «D’r was niks – niks as wind.» Vrouwen die stil wanhopig zijn en hun verhalen vertellen, gemaskerde mannen die aan de bar een storm bij elkaar fluisteren. Een scène om niet snel meer te vergeten.

Johan Simons (artistiek leider van ZTHollandia Eindhoven, binnenkort verhuizend naar het Publiekstheater Gent en al ruimschoots in de theatrale diaspora door heel Europa) en Christoph Marthaler (tot voor kort artistiek leider van Schauspiel Zürich, daar uitgekotst, nu theaterballing, binnenkort huis regisseur bij de Volksbühne in Berlijn) – ze zijn vrienden geworden. Simons zou bij Marthaler iets maken over de bergen – hij hield zich niet aan de afspraak, het is zijn tweede bewerking van Michel Houellebecqs roman Elementaire deeltjes geworden (een paar jaar geleden bij ZTHollandia getoond als Gen). Marthaler zou in Eindhoven/Gent iets maken over de zee, en hij hield zich wél aan de afspraak, hij wendde zich tot Herman Heijermans, en wendde zich ook weer van Heijermans af, en keek de eeuwig dolende Nederlander, de tot de zee veroordeelde Fliegende Hollander recht in het gelaat. Op de markt in Gent vond hij grammofoon platen vol zeemansliedjes, hij mixte die met Wagner, met psalmen en andere kerkliederen, met Freddy Quinn Junge, komm bald wieder/ bald wieder nach Haus, en met Vader Abrahams Dat kleine café aan de haven. Er werd gezongen, gezocht, geprobeerd, beslissingen en oplossingen werden eindeloos uitgesteld, Heijermans zwalkte door de repetities (en werd regelmatig hardvochtig de deur gewezen), acteurs en actrices werden tot wanhoop gedreven (waar gaat dit heen, waartoe moet dit leiden?). En uiteindelijk kwam er Seemanns lieder/Op hoop van zegen – een voorlopig hoog te punt van het lopende (en nu al rijke) theaterseizoen.

Bij een voorstelling van Christoph Marthaler begint het avontuur in de ruimte, steevast een ontwerp van zijn vaste vormgever, Anna Viebrock. Zij maakt al jaren ruimtes die naar niks verwijzen dan naar zichzelf. Architec tu rale beeldende kunst voor dolende eenzamen, wachtkamers waarin alles nog kan gebeuren voor er iets ís gebeurd. Ook dit speelvlak voor Seemannslieder/Op hoop van zegen illustreert niets. Je kunt ernaar kijken en denken: misschien is dit het vooronder van een schip, een zeemanskroeg in Volendam of Hoorn, het middenschip van een Hervormde Kerk in Stompetoren, of een wachtkamer in de DDR of Polen. In ieder geval is er altijd iets mis in de ruimtes van Anna Viebrock. Een van de eerste voorstellingen die ik zag van het duo Viebrock/Marthaler (Bruiloft van Elias Canneti), speelde zich af in een immens treurige hotellobby in triest grijs, met foute lambriseringen en vooral veel opzichtige boilers en centrale-verwarmingsradiatoren. Die boilers en radiatoren begonnen in de loop van dit kleinburgerlijke huwelijksfeest almaar heftiger te kreunen en te borrelen, een vervaarlijk permanente constipatie van apparaten, gelijk oplopend met de oprispingen in de foute verzameling kleinburgers die zich op de speelvloer had verzameld. In Seemannslieder komen de geluiden voornamelijk uit de acteurs zelf, een ensemble dat bestaat uit een mix van spelers van ZTHollandia en Marthalers eigen crew, waaronder de Schotse speler/zanger/alleskunner Graham F. Valentine (alleen al de naam én het voor komen van deze performer is een voorstelling in zichzelf), die midden in de toneelavond losbarst in een keelsnoerend mooi (Schots) lied dat over lage landen gaat, Lowlands. De speelvloer staat vol rare hekjes en poortjes. Er wordt van het begin af aan enorm veel gezopen en dus gevallen. De gevallen delirium tremens-zeemannen staan wonderlijk snel weer recht, en vallen opnieuw, of voeren idiote acrobatiek-acts uit om zichzelf weer met de voeten op de vloer te krijgen. Er zijn gestapelde zingende lijven. Vrouwen vissen naar mannen. Er klinken teksten van de Portugese dichter Pessoa (een lievelingsauteur van Marthaler), een verwaaide versie van Strangers in the Night, Schuberts Tiefe Stille. Uit Camphuysens Stigtelyke Rymen horen we vage echo’s uit Al ruisen alle wouden, Ik heb de vaste grond verloren, Het hijgend hert der jacht ontkomen. Actrice Chris Nietveld – barvrouw en dj – schenkt nog eens bij uit de jeneverfles, zoekt uit enorme stapels grammofoonplaten de juiste muziek voor het moment, en raakt in de spagaat tussen drank en evergreens op een bepaald moment zó toeterbezopen, dat ze minutenlang probeert haar naaldhakken weer zelfstandig aan haar voeten te krijgen – een weergaloos nummer.

Het theater van Christoph Marthaler – het is op deze plek al eerder beweerd – is een omarming van eenzame mensen, losers, harde werkers of uitzichtloze werkelozen, die in hun dagelijkse rituelen een soort van zekerheid zoeken, die in troosteloze ruimtes landerig mompelen boven hun dagelijkse porties alcohol. En als er niks meer te mompelen valt, dan zingen ze, soms a capella, vaak – zoals hier, in Seemannslieder, onder begeleiding van de pianisten en organisten Clemens Sienknecht en Stefan Wirth. Tijdens repetities onder leiding van Christoph Marthaler wordt weinig gesproken, niet gediscussieerd, veel, zeer veel gezongen. Tijdens die samenzang neemt Marthaler de tijd om zijn spelers te observeren, op ideeën te komen. Zijn vaste dramaturg Stephanie Carp: «Marthaler-personages hebben eigenlijk helemaal geen zin om op het toneel te staan. Zodra ze in een activiteit worden verwikkeld, raken ze in verlegenheid, zoeken naar een uitweg. Zingen is zo’n uitweg.» Op de website van ZTHollandia is het dagboek te lezen dat de Nederlandse acteur Bert Luppes bijhield tijdens het repeteren aan Seemannslieder. Dat is een mooi document, over de ontmoeting van een acteur die (in de samenwerking met Johan Simons en Paul Koek) toch aardig gewend is aan chaos en lawaai, met een regisseur die gewend is de chaos terug te brengen tot stilte, rust, ongemakkelijke, onwennige samenkomsten, een klimaat dat in een televisieportret dat een paar jaar geleden van Marthaler werd gemaakt, is omschreven als Rasender Stilstand. Luppes is in zijn dagboek openhartig over de samenwerking: een moeizame maar vruchtbare botsing van culturen. Zo ziet de productie eruit, die onhandigheid maakt Seemannslieder mooi. Luppes zelf opereert in de voorstelling als klusjesman Cobus, die intens verrukt kijkt als er een (aangespoelde?) totaal verwoeste fiets uit de toneeltoren komt dalen, die hij met een verliefde blik meeneemt naar zijn «kot», ergens rechtsboven in het speelvlak. Daar heeft-ie een zelfgebouwde radio gemaakt, waaruit hij in de bijna-slotscène van de voorstelling een reportage over de watersnood ramp in 1953 tovert, door met dat maffe apparaat een adembenemende dans over de complete speelvloer uit te voeren.

Actrice Frieda Pittoors, van haar zou je kunnen zeggen dat ze de Moeder Aller Hollandse Zeemannen, Kniertje, speelt. Meer dan verre echo’s zijn het niet. Het zijn eerder verwaaide flarden van dit beroemde Heijermans-personage. Maar áls Pittoors de teksten uit Op hoop van zegen spreekt, dan klinken ze ook meteen prachtig. Zoals de zinnen uit de bijna laatste scène van het stuk. Kniertje (over haar jongste zoon Barend, verzopen met «De Hoop»): «Hij wou niet weg! – Hij wou niet weg – en met me éíge hand heb ’k – heb ’k zijn hande van me deurpost lósgemaakt. Voor-ie ging heb ’k ’m de ringe van z’n vader in z’n ore gehange – as ’n – as ’n offerdier… »

Christoph Marthaler heeft niet Herman Heijermans’ Op hoop van zegen geënsceneerd. Hij heeft wel de kern van deze Hollandse klassieker aangeraakt. En hij heeft mij 43 jaar in de tijd teruggeschoten. Naar die avond toen ik als dertienjarig kereltje almaar naar de wc en de keukenkraan moest, omdat ik de spanning van die wijze, maar machteloos wanhopige zeemansvrouwen niet meer aan kon. Seemanns lieder is een meesterwerk. Zet uw verstand op nul en uw hart op tweehonderd.

En mis deze voorstelling niet!

Seemannslieder/Op hoop van zegen is nog te zien op 23 en 24 november in Groningen, 2 t/m 4 december in Eindhoven, 7 en 8 december in Antwerpen, 15 t/m 18 december in Amsterdam, 8 t/m 10 januari in Utrecht. Er volgt een internationale tournee. Inlichtingen: www.seemannslieder.zthollandia.nl