D66 begrijpt weinig van het referendum

Het kamerdebat over de invoering van een landelijk referendum voltrok zich volgens het bekende scenario dat de partij die had moeten toegeven bij het Regeerakkoord, in het parlement alsnog haar gelijk probeerde te halen. De VVD, geharnast tegenstandster van directe volksinvloed, zette hoog in: voordat over een onderwerp een referendum kan worden gehouden, moeten er meer dan een miljoen handtekeningen worden verzameld.

Mede door deze hoge inzet krijgt ze een beetje haar zin. Het aantal handtekeningen werd weliswaar vastgesteld op zeshonderdduizend, maar de VVD wist te bedingen dat dit aantal in de grondwet wordt vastgelegd. Dat biedt de VVD nog royale mogelijkheden tot obstructie, aangezien grondwetswijzigingen twee keer door zowel de Eerste als de Tweede Kamer moeten worden aanvaard.
Nu heeft D66 dit onzalige compromis ook wel over zich afgeroepen. Wie D66- woordvoerster mevrouw Scheltema in het debat zag opereren, wist dat hier weliswaar een sympathiek standpunt werd vertolkt, maar dat het onderbouwd werd met een chaos aan argumenten. Zo meende D66 enerzijds dat in Nederland sprake is van zo'n grote kloof tussen vertegenwoordigers en vertegenwoordigden dat burgers hun afgevaardigden middels een referendum moeten kunnen corrigeren; anderzijds wist de D66-vertegenwoordigster echter heel zeker dat er nooit een referendum over de ziektewet zou komen, laat staan dat de paarse voorstellen in zo'n referendum zouden worden afgeschoten: het parlement vertolkt immers de mening van de Nederlanders.
Deze stellingname is niet alleen intern tegenstrijdig, de twee argumenten deugen ook ieder op zich niet. Zoals al zo vaak betoogd, kan er veel over de verhouding tussen burgers en bestuur worden gezegd, maar niet dat er tussen beide een kloof zou gapen: burgers interesseren zich voor politiek en hebben ook veel contacten met de politiek. Dit betekent overigens niet dat mevrouw Scheltema dus gelijk zou hebben met haar tweede stelling dat het parlement de mening van de Nederlanders zou vertolken. Dat er geen kloof tussen burgers en bestuur bestaat, komt niet doordat het bestuur zegt wat burgers denken, maar doordat burgers denken wat het bestuur zegt. De bevolking volgt de politici in hun mening. Wanneer Bolkestein tendentieuze uitspraken doet over etnische minderheden, dan kan er gif op worden ingenomen dat in het eerstvolgende onderzoek de Nederlandse bevolking ook naar deze mening neigt.
Het probleem van de democratie is dat de parlementaire politiek zo dominant is; zo dominant dat ze niet zozeer meningen van het volk verkondigt als wel dat ze deze vergaand vormt. Het enige goede argument voor het referendum is dan ook dat het de machtsbalans tussen parlementariers en samenleving verandert. Wanneer burgers een machtsmiddel in handen krijgen tegen de spraakmakers in Den Haag, wordt het zeer de moeite waard om zich een eigen, onafhankelijke mening te vormen: via een referendum leidt een andere mening immers tot ander beleid. Referenda zijn goed voor de versterking van de ‘publieke opinie’.