Daan stuyven zanger / ‘at the drop of head’

‘MET ALLERHEILIGEN is Rudy Trouvé hier komen jammen. Die kwam binnen, dan hebben we twee gitaren gepakt en het nummer 'Chemical’ gemaakt. Direct op cassette. Het klikte vanaf de eerste seconde. Rudy kende Elko van Kiss my Jazz. En ik kende Herman. Dan waren we met vier en konden we van start. Hier in Antwerpen speelt eigenlijk iedereen met iedereen. Zo is die hoogconjuctuur ontstaan. Iedereen zit mekander continu te beinvloeden en te pushen om nog verder te gaan. Als je graag muziek speelt, dat is gelijk een vriendin. Het is sociaal weinig aanvaard dat ge er vijf hebt maar het zou wel realistisch zijn. En het zou de druk op één vriendin verlichten. Zo is het ook met muziek. Elk zijn specialiteit.

Ik ben met dat bandje naar een vriend gegaan, die had een computer waarop je kon audio-knippen. We hebben het direct gemonteerd. Die simpele manier van werken is vanaf het begin vastgelegd. Nu heb ik alleen spijt dat we het niet voor de volle honderd procent hebben volgehouden: we zijn ook nog eens een studio ingetrokken en dat was een artistiek dieptepunt. Hier thuis heb ik nu een 4-trackrecorder en een computer staan en daar hadden we ze gewoon allemaal op moeten maken. De basis op cassette en dan op de computer wat dingen eroverheen. Da’s een simpele manier van werken die weinig moeite kost - en ge raakt elkaar niet beu doordat ge constant moet repeteren. Het is hier veel lo-fi: zelf opnemen, zelf knoeien, zelf uw hoezen maken en zelf proberen te persen met eigen labelkes en zo - eigenlijk heel de traditionele muziekbusiness proberen te by-passen. Iedereen heeft nu wel een 4-tracks. Kleinschalig en goedkoop: die independent spirit zit er hier wel in. Ach, daar kan ik uren over doorbomen… Het zit gewoon nog altijd fout in elkaar. Ook wij zijn opgelicht. De volledige opbrengst van onze plaat zit nog bij het management. “Kosten herberekend.” En we hadden geen contract, want we zijn toch allemaal vrienden hier in Antwerpen? Af en toe praten we wel met die major-platenmaatschappijen. Dan zeggen ze: “Ja, da’s tof dat ge ook een plaat voor honderdduizend frank kunt opnemen, maar wat dacht ge ervan de volgende voor twee miljoen op te nemen?” En dan staan ze daar van “Dat gaan jullie toch fantastisch vinden.” En dan zeggen wij: “Nee nee nee, we willen die volgende ook voor honderdduizend frank opnemen.” Beginnen ze te flipperen!’ ‘DE EIGENLIJKE reden weigeren ze te snappen. Ze hebben het liefst artiesten die niks afweten van heel het productieproces. Daar zetten ze dan een producer op, een fotograaf en iemand die de hoes maakt. Dat mag allemaal veel geld kosten, want dat is een garantie dat het goed gaat worden. Terwijl… ik ben echt anti-studio. Een studio is zelden een creatieve ruimte. Je kunt moeilijk zeggen: “Jongens, maandagochtend om tien uur gaan we met z'n allen creatief zijn.” Ik moet hier ’s avonds kunnen thuiskomen en gefrustreerd zijn over iets. Dan zet ik mijn 4-track open en máák ik iets. Dat zijn de momenten dat ik expressief ben. Veel te veel dingen lopen fout. Groepen die min tien miljoen staan bij de platenfirma, dan moet je wel gaan toeren. Allez, je leert daar wel iets van, maar het heeft geen zin om drie weken aan een stuk in Duitsland voor zalen van vijf man te spelen. Daar splitten groepen op. Dan raken mensen mekaar beu.’ 'IK HEB HET andersom gedaan. Ik heb vroeger, met Volt, platen opgenomen voor een miljoenenbudget. Eén singeltje dat op de radio veel gespeeld werd en dan een producer die ging bluffen bij de platenfirma: “This is the next big thing, give us the money.” Dan verandert de motivatie van de mensen die meewerken. Je krijgt een miljoen om twee maanden in de studio te gaan. Die keuze wordt niet gemaakt door de muzikanten, maar door de mensen die er twee maanden werk aan verdienen. Je staat daar dus niet omdat die twee maanden nodig zijn om een goeie plaat te maken. Bij ons was na die twee maanden alle frisheid eruit. De demo’s waren eigenlijk al af. Maar in die twee maanden ga je alle gitaarlijnen nog eens opnieuw inspelen en de nummers in duizend verschillende lagen opbouwen. Aan het eind zie je door de bomen het bos niet meer. En dan moet er nog eens een “externe” producer opzitten, iemand die al dingen bewezen heeft. Dat is allemaal gemotiveerd om budgetaire redenen, niet om creatieve. Je houdt het vol door goedkoop te leven. Geen auto, goedkope kamer, alles goedkoop. En als je voor niks je platen opneemt, dan kun je er ook sneller iets aan verdienen. Verkoop je er een paar duizend van, dan verdien je er al iets mee. Klinkt inderdaad zeer idealistisch zo. Volgende maand komt ook mijn soloplaatje uit. Op het label van Rudy Trouvé, dat is eigenlijk eigendom van alle muzikanten die erop uitkomen. Een collectief.’ 'Na volt dacht ik: ik trek mij terug. Vijf jaar heb ik hier in Antwerpen rustig mijn job gedaan als grafisch vormgever. Om mij af te reageren maakte ik ’s avonds laat mijn nummerkes op mijn 4-track. Ik heb bandjes vol. Zo'n vijftien heb ik er gebruikt voor de soloplaat. Alles hier thuis opgenomen. Sommige momenten is het heel dubby, op andere klinkt het als een singer-songwriter, dan weer is het echt Britpop - om eens een scheldwoord te gebruiken. Ik hou me niet graag aan één genre. Ik wil de dingen echt mengen. De opname van de mastertape duurde een dag. Die man in de studio hoorde het tweede nummer en zei: “Allez, dat is geheel wat anders dan het eerste, dat kan ik daar niet zomaar combineren.” Bij het vijfde nummer gaf hij het op, dat kon hij toch nooit tot een coherent geheel laten klinken.’ 'MET DEAD MAN Ray hebben we van de zomer bij de finale van het WK-voetbal geïmproviseerd. Nu gaan we iets psychedelisch doen. Bij een film uit 1962 van Bobbejaan Schoepen, de laatste Belgische cowboy. Die man was in de jaren vijftig, zestig heel populair. Hij heeft nu zo'n groot pretpark, Bobbejaanland, en wordt niet meer au serieux genomen. Maar hij was echt een straffe muzikant. Hij heeft rare, knappe muziek gemaakt. Met echt goeie jazzmuzikanten erbij, Toots Tielemans en zo. Hij treedt nog op, in zijn pretpark. Heel raar. Tussen meisjes die als madeliefjes zijn verkleed, speelt hij zijn oude klassiekers - Las Vegas, hè! Van de zomer zijn we langs geweest, heel gezellig, backstage hebben we wat gitaar gespeeld. Hij had nog een origineel van de film, dat was iets, zelfs hier heeft hij maar een paar weken gedraaid. Ze hebben hem in twee talen opgenomen. Elke scène werd eerst in het Nederlands en daarna in het Engels gefilmd. Bobbejaan speelt een cowboy die ervan droomt naar de grote stad te trekken en een bekend artiest te worden. Maar eenmaal daar wordt hij bij de managementbureaus telkens buitengesmeten. Uiteindelijk wordt ’m opgepikt door een professor, die ’m terugflitst naar de tijd van Napoleon. En daar loopt de film… daar gaat het los. Allemaal scènes die nergens voor dienen. Achtervolgingen, duels, de gevangenis, met Napoleon in het zwembad en allemaal jaren zestig-acteurs die er in hun blote buik bij staan, een soort harem. Het is echt… nogal moeilijk uit te leggen. De originele soundtrack hebben we eruit gehaald. Alleen de zes nummers die Bobbejaan Schoepen zelf zingt hebben we min of meer heel gelaten. We gaan aan bureaus zitten. Met het scenario, een 4-trackrecorder en onze instrumenten voor ons. Alsof we op een ministerie zitten te werken. Gisteren hebben we een persdag gehad en Bobbejaan was echt in zijn nopjes. Soms zie je hem wel raar opkijken, als Rudy het woord “psychedelisch” gebruikt of zo. Dan kijkt ’m zo van: mijn film psychedelisch? Of dan vroegen ze van: “Ja Bobbejaan, wat vind je d'r nu van dat je film zomaar omgedoopt wordt tot een cultfilm?” En dan had ’m zoiets van: “Tja… cult… ’t zal wel van cultureel komen.” Dan zei ik: “Cult, het is toch wel ietsje anders dan cultureel.”’