Daar dreunen nog de laarzen

Bruno de Wever, Greep naar de macht: Vlaams-Nationalisme en Nieuwe Orde - Het VNV 1933-1945. Lannoo/Perspectief Uitgaven, 701 blz., \f84,50.
Na de oorlog hielden de Vlaamse collaborateurs zich heel wat minder koest dan hun Nederlandse evenknieen. Een emancipatiebeweging die per ongeluk in fout vaarwater was terechtgekomen? Grote kuis in de geschiedenis van het Vlaamse nationalisme en de Vlaamse Beweging.

IN 1983 PUBLICEERDE Hugo Claus de vuistdikke roman Het verdriet van Belgie. Een veelvuldig geprezen, gekocht en wellicht zelfs veel gelezen meesterwerk. Voor Nederlanders is het eigenlijk een heel exotisch boek, niet alleen door het taalgebruik, maar ook door het verhaal. Want al vertoont het milieu van Louis Seynave, de held uit het boek, enige gelijkenis met het rancuneuze en bekrompen wereldje van NSB'ers en andere fouteriken die zich ten onzent tussen 1940 en 1945 roerden, de Vlaamse collaboratie wijkt toch wel heel sterk af van de Nederlandse. Het Vlaamse fascisme heeft een heel andere geschiedenis dan het Nederlandse.
Nederlanders begrijpen hier over het algemeen niets van. H. J. A. Hofland bekende ooit: ‘Ik heb geen verstand van Belgie; het is het meest toegankelijke buitenland dat we hebben, maar de gemeenschappelijke taal werkt bedrieglijk, want het is ook het ingewikkeldste. Over het Vlaamse streven naar zelfstandigheid weet ik geen zinnig woord te zeggen, maar wat er omheen gebeurt blijft verdacht.’ Hofland schreef dit na een bezoek aan de IJzerbedevaart, een jaarlijkse happening die tal van Nederlanders aantrekt die eens lekker willen huiveren, want daar marcheren ze nog: de 'zwarten’, de hele, halve, authentieke en neo-fascisten. Daar dreunen nog de laarzen, weerklinken de klaroenen, wapperen de vaandels en glimmen de koppels.
Het zal niet verbazen dat de Vlamingen zelf hier heel anders tegen aankijken. Het Vlaams nationalisme heeft - althans tegenwoordig - niets meer van doen met het fascisme en dat handjevol rechts-extremisten vormt niet meer dan een luidruchtig en abject randverschijnsel. Die bewering heeft men heel lang kunnen volhouden, al klinkt het sinds de electorale successen van het Vlaams Blok steeds minder overtuigend. Maar toegegeven, de overgrote meerderheid van de IJzerbedevaartgangers moet niets hebben van fascistische retoriek. Toch blijven veel Vlamingen enigszins spastisch omgaan met het 'zwarte’ verleden.
Neem nu de IJzertoren te Diksmuide, die foeilelijke kolos. Officieel een gedenkteken voor de talloze Vlaamse jongens die in de Eerste Wereldoorlog zijn gesneuveld voor een staat en een koning die hen behandelden als derderangs burgers, maar vooral een onvervalst Vlaams-nationalistisch heiligdom. De geheimzinnige, in kruisvorm geplaatste letters 'AVV/VVK’ betekenen: 'Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus’. En vervolgens de regels: 'Hier liggen hun lijken/ als zaden in het zand/ hoop op de oogst/ o Vlaanderenland’. Auteur van dit gedicht was Cyriel Verschaeve, wiens dodenmasker boven in de toren valt te bezichtigen. Deze Verschaeve was ooit het culturele boegbeeld van het Vlaamse nationalisme en had in 1926 de eerste steen gelegd van de oorspronkelijke IJzertoren. Deze met alles wat 'Germaans’ was dwepende onderpastoor van Alveringem riep tijdens de bezetting zijn landgenoten hartstochtelijk op zich te melden voor de SS. Nederlanders kunnen zich toch moeilijk voorstellen dat er in het monument op de Dam een nis zou zijn uitgespaard met daarin het dodenmasker van Rost van Tonningen. En ook tussen de tegeltjes die donateurs van de IJzertoren hebben laten ophangen, vind men soms namen van dubieuze organisaties: diverse clubs van Oostfrontstrijders, benevens de 'Vlamingen in Argentinie’. Als die Vlaamse nationalisten zo fatsoenlijk willen zijn, dan mogen ze de IJzertoren wel eens kuisen.
In de geschiedschrijving van de Vlaamse beweging is de laatste jaren wel een begin gemaakt met een dergelijke schoonmaak. En dat was hard nodig ook. Niet dat de massale collaboratie, waarvan Het verdriet van Belgie zo'n messcherp beeld geeft, alom werd ontkend - dat zou onmogelijk zijn geweest - maar wel was de gangbare opvatting dat een groot deel van de Vlaamse beweging min of meer per ongeluk in nationaal-socialistisch vaarwater terecht was gekomen. Deze interpretatie van de geschiedenis is voor een groot deel het werk geweest van de belangrijkste historicus van de Vlaamse beweging, Hendrik Elias. In een achttal boeken heeft hij de ontwikkeling van de Vlaamse emancipatiebeweging beschreven tot 1939. Dit werk heeft hem in Vlaanderen veel roem en zelfs een staatsprijs opgeleverd. Ook dat is iets wat we ons in Nederland niet kunnen voorstellen - immers, Elias was van 1942 tot aan de bevrijding in 1944 de leider van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), een qua ideologie en omvang met de NSB vergelijkbare club. Men denke zich in: Mussert niet gefusilleerd maar directeur-generaal van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, compleet met een lintje van de koningin!
Maar het geschiedbeeld van Elias en zijn vele epigonen staat tegenwoordig bloot aan felle kritiek. Tien jaar geleden al heeft Maurice de Wilde in zijn geruchtmakende tv-documentaires al heel wat lijken uit de kast gehaald, maar nu begint ook eindelijk de wetenschappelijke geschiedschrijving op gang te komen. Dit jaar promoveerde bijvoorbeeld de historicus Bruno de Wever op Greep naar de macht: Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde - Het VNV 1933-1945, waarin hij liet zien dat het radicale flamingantisme zeker niet pas tijdens de Duitse bezetting ontspoorde.
VLAMINGEN HEBBEN DUS nogal eens de neiging de 'zwarte’ kanten van de geschiedenis van hun emancipatiebeweging te verdoezelen, terwijl Nederlanders dit vaak weer overdrijven. Wat is hier de oorzaak van? Om te beginnen moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de Vlaamse Beweging en het Vlaams nationalisme. De Vlaamse Beweging ontwikkelde zich in de negentiende eeuw van een culturele beweging van voornamelijk intellectuelen tot een brede politieke stroming. Hoewel enkele flaminganten pleitten voor aansluiting bij Nederland, stond voor de meerderheid de eenheid van de Belgische staat niet ter discussie. Gelijkberechtiging van Vlamingen en Franstaligen was het hoofddoel. Begin deze eeuw waren drie jonge politici de voormannen van de Vlaamse Beweging: de katholieke Frans van Cauwelaert, de socialist Kamiel Huysmans en de liberaal Louis Franck. Binnen hun partijen en in het parlement streden zij voor de Vlaamse eisen.
Onder 'Vlaams nationalisme’ wordt een zelfstandige politieke beweging verstaan met als hoofddoel de autonomie van Vlaanderen. Dit Vlaams nationalisme ontstond tijdens de Eerste Wereldoorlog, aan beide zijden van het front. In het bezette deel van Belgie kwam het tot een splitsing tussen de flaminganten. De zogeheten 'passivisten’ vonden dat het niet het moment was om de Vlaamse eisen kracht bij te zetten en respecteerden de door de uitgeweken regering afgekondigde 'godsvrede’. Een deel van de meer radicale flaminganten was echter van mening dat de ineenstorting van het franskiljonse Belgie een godsgeschenk was en dat de Duitse bezetting nieuwe kansen bood aan het Vlaamse streven. Deze 'aktivisten’ begonnen enthousiast te collaboreren, al leverde hun landverraad weinig meer op dan een door niemand serieus genomen 'vervlaamste’ universiteit van Gent. Na de Duitse nederlaag regende het doodvonnissen, zij het dat deze na verloop van tijd allemaal werden omgezet in gevangenisstraffen.
Aan de andere kant van het front langs het riviertje de IJzer, in het piepkleine stukje Belgie dat niet was bezet, werd door een handjevol flamingante intellectuelen propaganda bedreven onder de in meerderheid Vlaamse soldaten. In de loop van 1917, toen aan het gehele westelijke front de oorlogsmoeheid toesloeg en er aan geallieerde zijde verschillende muiterijen plaatsvonden, leek deze propaganda succes te hebben. In de zogeheten Frontbeweging leek het Vlaamse streven eindelijk een massabasis gevonden te hebben. Na de wapenstilstand in november 1918 wilden de Vlaamse soldaten echter zo snel mogelijk naar huis - van bereidheid om, desnoods met de wapens, de Vlaamse eisen kracht bij te zetten geen spoor.
Hoewel de 'Fronters’ en de 'aktivisten’ in feite tegenover elkaar hadden gestaan, zouden ze elkaar na de oorlog spoedig vinden. De oorzaak hiervan was dat van de vage beloften van koning Albert en de regering zo goed als niets terecht was gekomen. Beide groepen vonden elkaar in de Frontpartij, een amalgaam van groepjes en clubjes met verschillende eisen en opvattingen, maar met een gemeenschappelijke diepgewortelde haat tegen de verfranste Belgische staat. Een sterke politieke beweging was dit Vlaams nationalisme vooralsnog niet. Tussen 1919 en 1933 ontstonden tal van politieke partijtjes, vaak regionaal van aard, die weer spoedig ten onder gingen. Pogingen om tot een eenheidsbeweging te komen strandden keer op keer.
PAS MET DE oprichting van het VNV, in 1933, kreeg het Vlaams nationalisme een duidelijk politiek gezicht. Een gezicht anno 1933, met duidelijk fascistische trekken, zoals De Wever laat zien. Weliswaar bevonden zich in de top van de partij enkele figuren, zoals de latere leider Elias, die daar aanvankelijk enige moeite mee hadden, echt verzetten tegen een steeds fascistischer wordende koers deden zij zich niet. VNV-leider Staf de Clercq hield de vrij heterogene partij bij elkaar door tegelijkertijd uiterst autoritair op te treden en zich ideologisch zeer op de vlakte te houden. Hij leek de verschillende stromingen binnen het VNV met elkaar te willen verzoenen, maar achter de schermen steunde hij de onversneden nationaal-socialist Reimond Tollenaere. Als deze Tollenaere begin 1942 niet aan het Oostfront was gesneuveld, was hij waarschijnlijk de opvolger van de enkele maanden later overleden De Clercq geworden.
Nadat pogingen van de SS om de voormalige sociaal-democraat Edgar Delvo naar voren te schuiven waren mislukt, kwam de leiding in handen van de intellectueel Elias, de belangrijkste vertegenwoordiger van de gematigde vleugel. In zijn boeken heeft Elias het later altijd zo voorgesteld dat de gematigde VNV'ers pas onder de zware druk van de Duitse bezetters het nationaal-socialisme omarmden. In de jaren dertig pleitten Elias c.s. weliswaar voor een 'hervorming’ van het democratische stelsel, maar in feite waren hun autoritaire opvattingen hoogst antidemocratisch. Ook van de totalitaire aanspraak dat het VNV de belichaming van de Vlaamse natie was, namen de 'gematigden’ geen afstand. En zo zou het telkens gaan. Misschien waren Elias en zijn geestverwanten geen overtuigde antisemieten, de propaganda tegen de 'sterrendragers’ en de 'kromneuzen’ was niet minder rabiaat.
Elias stelde later dat hij zich vooral had verzet tegen de annexatiepolitiek van de SS-gezinden, die zich hadden georganiseerd in de nationaal-socialistische werkgemeenschap De Vlag, en dat hij een einde had willen maken aan de collaboratie. De VNV-leider verkeerde in ongeveer dezelfde situatie als zijn Nederlandse collega Mussert, die ook te kampen had met het streven van mensen als Rost van Tonningen, die Nederland ingelijfd wilden hebben bij Duitsland. Evenmin als Mussert was Elias echter in staat om een onafhankelijke koers te varen en bleef hij enthousiast collaboreren. Hoewel hij in de zomer van 1943 een breuk met de SS forceerde en het VNV'ers verbood toe te treden tot het zwarte korps, stelde dit niet veel voor. Partijleden die toch lid werden van de Waffen-SS, werd geen strobreed in de weg gelegd en elke andere vorm van collaboratie werd ten zeerste aangemoedigd.
NA DE BEVRIJDING van Belgie, in september 1944, werden de Vlaamse en Waalse collaborateurs uiteraard vervolgd, al zou het nog tot de definitieve ineenstorting van het Derde Rijk duren eer de kopstukken van het VNV in de kraag werden gevat. Tot op heden wordt er in Vlaams-nationale literatuur geschreven over de 'repressie’ - en dat slaat niet op de Duitse terreur maar op de halfslachtige 'zuivering’ na de oorlog. Moord en brand werd er gegild door de Vlaamse nationalisten, want de vervolging zou zich eenzijdig richten op de Vlaamse landverraders, terwijl de Waalse vrijuit gingen. En bovendien, van 'landverraad’ was helemaal geen sprake geweest aangezien Belgie hun vaderland niet was. Hoewel er door de Franstalige politieke en maatschappelijke elite wel wat ontactisch is opgetreden bij de zuiveringen, en het bijzonder zuur was dat de Rexisten-leider en bevelhebber van de SS- divisie Wallonien Lon Degrelle naar Spanje kon uitwijken, zijn de Vlaamse nazi’s en meelopers niet zwaarder gestraft dan de Waalse. Het feit dat Elias niet tegen de muur is gezet, zegt al genoeg.
WAAR IN NEDERLAND de collaborateurs na 1945 zich opvallend koest hielden, en over hun daden en oude opvattingen angstvallig zwegen, waren de 'zwarten’ in Vlaanderen heel wat minder deemoedig. In tal van rechts- radicale blaadjes werd op niet mis te verstane wijze amnestie geeist voor de Vlaamse collaborateurs. Ook in de in 1954 opgerichte Volksunie speelden aanvankelijk nogal wat ex-VNV'ers en ex-SS'ers een rol. Nadat deze partij in 1961 vijf parlementszetels had veroverd, deed zij echter haar uiterste best om haar imago van een gereincarneerd VNV kwijt te raken.
De Unverbesserlichen roerden zich vooral in de Vlaamse Militanten Orde. Nadat de eerste organisatie van die naam, die reeds in 1949 het leven zag, ter ziele was gegaan, werd de tweede opgericht in 1971. Deze VMO van Bert Erikson hield zich vooral bezig met neonazistische kleuterspelletjes, straatschennerij en het opgraven van lijken. In 1974 groeven VMO'ers de in Oostenrijk rustende botten van Cyriel Verschaeve op, om ze aan de heilige Vlaamse grond toe te vertrouwen. In 1978 zorgden ze voor een illegale herbegrafenis van Staf de Clercq.
Toch was er tot aan de tweede helft van de jaren tachtig weinig aan de hand. Ook het in 1978 opgerichte Vlaams Blok, een rechtse afsplitsing van de Volksunie, stelde aanvankelijk weinig voor. Er waren weliswaar tal van obscure, zeer onwelriekende clubjes als de VMO, het Taal Aktie Kommitee en Were Di, maar dat bleven toch marginale verschijnselen.
Hoe kwam het dan dat in Nederlandse ogen nagenoeg de gehele Vlaamse beweging verdacht was? Een van de belangrijkste oorzaken, naast ordinaire onwetendheid voortkomend uit Nederlandse arrogantie, was dat ook de fatsoenlijke, democratische meerderheid der flaminganten zich niet scherp distantieerde van het rechts-extremistische Vlaams nationalisme. De collaborateurs waren dan misschien de zwarte schapen van de Vlaamse familie, ze bleven tot de familie behoren. Waarschijnlijk was men bang de franskiljons in de kaart te spelen en bovendien hadden ook tal van keurige organisaties de nodige lijken in de kast. Vandaar dat bijvoorbeeld het Willemsfonds en het Davidsfonds, culturele organisaties van respectievelijk liberale en katholieke signatuur, in de naoorlogse IJzertoren hun tegeltjes lieten inmetselen tussen die van de Oostfrontstrijders en de naar Zuid-Amerika gevluchte oorlogsmisdadigers. Vandaar ook dat in de monumentale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging elke relatie van het VNV met het nationaal-socialisme werd verzwegen. En misschien daarom werd het (neo)nazistische tuig nooit van de IJzerbedevaarten weggetrapt. Wellicht was men bang dat met de erkenning dat een aanzienlijk deel van het radicale flamingantisme rigoureus de fout was ingegaan, de gehele Vlaamse beweging in een verkeerd daglicht zou komen te staan. Op de publieke opinie in Nederland was het effect echter averechts.
IN HOEVERRE KAN MEN nu de xenofobe schoftigheden van het Vlaams Blok zien als een logisch uitvloeisel van het Vlaams nationalisme? Is Filip Dewinter de nieuwe Staf de Clercq? Rechts-extremistische partijen komen overal in Europa voor, lieden met een ongezonde belangstelling voor de vermeende grandeur van het Derde Rijk vind je ook in Frankrijk, Duitsland of Nederland. En net als in die andere landen krijgen fascistoide ideeen vooral een kans in tijden van economische crisis en sociale onzekerheid. De reden dat in Vlaanderen zulke onlustgevoelens en primitieve instincten een grotere weerklank lijken te vinden dan in andere Westeuropese landen, heeft veel te maken met het feit dat de Vlamingen zelf heel lang een onderdrukte bevolkingsgroep waren. Ze zijn dat al lang niet meer. Vlaanderen is Wallonie in de meeste opzichten voorbij gestreefd, en dat laten ze merken ook. Maar toch klinkt er nog altijd iets door van een minderwaardigheidscomplex, van verongelijktheid. De underdog die het plotseling voor het zeggen krijgt, blijkt vaak weinig mededogen te hebben met vroegere lotgenoten.