Film: ‘Dolor y gloria’

Daar drijft de cineast

Asier Flores als Salvador Mallo, Penélope Cruz als Jacinta en Raúl Arévalo als Venancio Mallo in Dolor y gloria © Cinéart Nederland

De term autofictie, de zelfgeschreven biografie waarin de auteur bewust losjes omgaat met feiten van zijn of haar leven, komt goed van pas bij het beschouwen van de nieuwe film van Pedro Almodóvar. Dat we in de filmische autobiografie van de Spaanse meester tot ver in het domein van de fantasie treden, blijkt al uit de geanimeerde, Saul Bass-achtige titelsequentie, gevolgd door grafische voorstellingen van echte en ingebeelde kwalen bij de hoofdpersoon, een regisseur van middelbare leeftijd. Ook doen de felle kleuren en vreemde vormen van objecten in zijn appartement denken aan surrealistische kunst. De ironie is dat Salvador/Pedro (Antonio Banderas) wil dat alles werkelijkheid wordt, vooral zijn herinneringen. Maar de echtheid van het verhaal van zijn leven ontwijkt hem, zoals lang geleden het stuk zeep dat constant door zijn vingers heen glipte bij een riviertje waar hij speelde terwijl zijn beeldschone moeder (Penélope Cruz) samen met andere vrouwen de was deed.

Na de titelbeelden is de camera onder water: een zwembad. Hier en daar liggen losgeraakte mozaïeksteentjes in alle kleuren op de bodem. En daar drijft de cineast in een zittende positie: een aantrekkelijke man met grijze strepen in zijn baard en haar, zijn bovenlichaam in goede conditie voor zijn leeftijd, hoewel een close-up van zijn rug een lang, paars littekenen toont dat lijkt op een rits. Als je die zou kunnen openen, wat zie je dan? Almodóvar zegt: herinneringen. Alles wijst erop dat Salvador terug moet, zijn verleden in, wil hij iets over zichzelf begrijpen.

Een kans hiertoe krijgt hij doordat een filmmuseum een van zijn vroege films restaureert en hij gevraagd wordt contact te leggen met de hoofdrolspeler. Het blijkt dat die film autobiografisch was en dat Salvador woedend op de acteur werd toen die had ‘geweigerd’ het personage (Salvador) conform het script te spelen. Wanneer Salvador en de acteur elkaar weer zien, klikt het meteen, niet in de laatste plaats omdat de acteur de regisseur introduceert tot de ‘geneugten’ van heroïne. Van kwaad naar erger gaat het: Salvador zakt verder weg in de roes van herinneringen.

Salvador ontdekt iets over zijn huidige, lamentabele staat door zijn jeugd in te kleuren. Zijn moeder, bloedmooi, sympathiek, zijn vader, afwezig. En: die prachtige jongen die keukentegels komt leggen in het armtierige huis (een grot) waar hij met zijn ouders woont. De jongen maakt een schets van Salvador, een jaar of zes. Letterlijk: hij tekent hem ‘voor het leven’. Salvador voelt iets groots als de jongen zich na het werken in de keuken uitkleedt om zich te wassen met precies zo’n stuk zeep als dat waarmee Salvador bij het riviertje speelt waar zijn moeder de was doet. Als Salvador de naakte rug van de jongen ziet, zeepbubbels over de billen heen sijpelend, valt hij spontaan flauw. Dit alles is (auto)fictie: als de film eindigt, komt de artificialiteit opnieuw naar voren.


Te zien vanaf 19 september