In de voetsporen van Thea Beckmann #1

Daar ga ik. Met zoon (3) en huurauto op kinderkruistocht

Morgen vertrekken mijn zoon van drie jaar oud en ik op kruistocht. Op Kinderkruistocht, welteverstaan: met zijn tweetjes reizen we de route na van de Kinderkruistocht die in het jaar 1212 plaatsvond.

Medium rp p ob 2308
Kinderkruistocht, Monogrammist LIW, 1700 - 1800. Houtsnede, h 249mm × b 365mm. © Rijksmuseum

Er waren in dat jaar twee van dit soort kinderkruistochten: de eerste in Frankrijk en de tweede in Duitsland. Die laatste is wereldberoemd geworden door Kruistocht in spijkerbroek, een boek van Thea Beckmann waar ik op de basisschool kennis mee maakte.

Mijn zoon en ik volgen de route van de Franse versie en in tegenstelling tot de duizenden kinderen in 1212 maken wij deze reis met een huurauto: een Renault. Een Franse auto leek mij, gezien het feit dat we door Frankrijk gaan reizen, wel zo toepasselijk.

Wij maken deze reis niet zomaar. Na de zomer maak ik met Marjolijn van Heemstra en Jetse Batelaan (Theater Artemis) een voorstelling die is ontsproten aan onze gedeelde fascinatie voor het boek van Thea Beckmann en thema’s als vijanddenken, Oost versus West, christendom versus islam, islam en Europa, idealisme en radicalisme zal behandelen.

Mijn zoon en ik maken dus feitelijk een onderzoeksreis (maar vieren ook gewoon vakantie, hoor) van Amsterdam naar Tours, van Tours naar Clermont-Ferrand, van Clermont-Ferrand naar Avignon en van daar naar Marseille.

Hoe het ook al weer met die Kinderkruistochten zat?

In het jaar 1212 verschijnt Jezus Christus in visioenen en dromen aan twee herdersjongens. De eerste, een jongen van zestien die Stephan heet, woont in Frankrijk, in het dorpje Cloyes in de buurt van Parijs. De tweede, Nikolaas, is even oud en komt uit een dorpje in de buurt van Keulen: Rottweil.

Beiden krijgen van Jezus dezelfde boodschap: verzamel een leger kinderen, trek onbewapend naar het Heilige Land en bevrijd Jeruzalem van de Saracenen.

Aldus geschiedt: zowel in Frankrijk als in Duitsland trekken deze prediker-herders tienduizenden jongeren en kinderen aan met hun opzwepende teksten, die beweren dat het na meerdere mislukte Grote-Mensen-Kruistochten nu op de Kinderkruistochten aankomt om de ongelovigen voorgoed uit te roeien. Zowel Stephan als Nikolaas belooft de Kinderkruisvaarders dat de Middellandse Zee voor het leger kinderen zal wijken, zoals ooit de Rode Zee dat voor Mozes had gedaan tijdens de Exodus. Vervolgens zullen ze te voet, over de drassige bodem van de Mare Nostrum, naar het Heilige Land trekken.

De reis van Nikolaas is bij het grote publiek in Nederland dankzij Thea Beckmann nog het meest bekend. In het boek maakt hoofdpersoon Dolf in de twintigste eeuw stiekem gebruik van de tijdmachine van zijn moeder en belandt in de Middeleeuwen, midden in de Kinderkruistocht die op dat moment door het Rijnland voert. Er gaat iets mis en hij komt vast te zitten in het jaar 1212. Toestand. Spanning, sensatie, avontuur. Happy End.

De reis van Stephan is minder bekend maar wat wel zeker is: geen happy end.

Wanneer zijn karavaan in de zomer van 1212 in Marseille aankomt wachten de dertigduizend kinderen drie dagen vergeefs tot de zee zich terugtrekt. Na drie dagen beginnen de eerste kinderen zich los te maken uit zijn leger en trekken de Franse binnenlanden in. Velen komen daar om van de honger en andere ontberingen.

Wanneer er na nog een dag wachten nog altijd geen enkel golfje voor Stephan is geweken bieden twee mannen aan om – gratis en ter meerdere ere en glorie Gods – een aantal schepen voor ze te regelen waarmee ze naar het Heilige Land kunnen varen. Volgens de overlevering heten deze mannen IJzeren Hugo en Willem de Big. Genoeg om op z’n minst je oren te spitsen, maar in het geval van Stephan de Cloyes en de zijnen geen reden tot wantrouwen. Er gaan er zo’n zevenduizend aan boord. Na een dag varen worden de schepen omsingeld door Noord-Afrikaanse, Arabische en Guenese schepen: Hugo en Willem hadden kennelijk andere intenties dan ze in eerste instantie deden voorkomen. Binnen een maand worden de zevenduizend kinderen, Stephan incluis, verkocht op slavenmarkten om zo te voldoen aan de grote vraag naar blonde en lichtogige slaven.

Morgen is het dan zo ver. Een aantal weken geleden ben ik begonnen met voorbereiden. Als alleenstaande vader een autovakantie met een peuter van drie maken heeft nogal wat voeten in de aarde. Ik struin het internet af naar ervaringen en tips van anderen, zoek een goede huurauto, reserveer op tijd kindvriendelijke hotelkamers en B&B’s. En dan is daar natuurlijk het aanvragen van een kinderpaspoort. Kennelijk hebben de Nederlandse gemeenten in het verleden zoveel slechte ervaringen gehad met gescheiden ouders en paspoortaanvragen dat de boel behoorlijk streng geregeld is. Mijn ex moet eerst naar het stadhuis om aan te geven dat ik enkele dagen later een paspoort voor onze zoon zal aanvragen. Pas dan kan ik, met onze zoon erbij, naar het gemeenteloket om een paspoort voor hem aan te vragen.

Als we zijn pasfoto’s hebben ingeleverd en de aanvraag wordt behandeld eten we in de buurt van de Stopera een ijsje.
We hebben het over Frankrijk. Ik heb hem beloofd dat we veel kastelen zullen bezoeken en dat er misschien ook wel ridders op paarden zullen zijn.

Ik probeer het concept van identiteitspapieren aan hem uit te leggen, mijn eigen paspoort dient als voorbeeld.

‘Als iemand in Frankrijk aan jou vraagt wie je bent, wat zeg je dan?’

‘Adam!’

‘Juist. En als iemand dan zegt dat hij je niet gelooft laat je je paspoort zien. Kijk, zo.’

Ik open mijn paspoort en laat hem zien waar mijn naam staat.

‘Kijk, hier staat Sadettin.’

‘Niet baba?’

Ik schud mijn hoofd van nee. Baba, zeg ik, zo mag alleen jij mij noemen.

Hij knikt, maar vindt het wel raar.

‘Dus dan heb jij straks ook zo’n boekje, en bij jou staat er “Adam”.’

‘Nee’, zegt hij tussen twee happen ijs door, ‘er staat “Ridder Adam”!’

Ik knik. Ridder Adam.

Morgen ga ik met hem op Kinderkruistocht.