‘daar ga je, musketier!’

Ze komen er allemaal, in cafe Witte. Iedereen die ooit een regel in druk heeft doen verschijnen, heft er het glas of kotst er in de bloembakken. Maar is die Gaston Tarjet er eigenlijk ooit waargenomen? Een sleutelnovelette.
Wie raadt de sleutel? Wie is wie in deze ‘sleutelnovelette’? En welke schrijver gaat achter de naam ‘Gaston Tarjet’ schuil? Stuur uw oplossing naar De Groene Amsterdammer, Postbus 353, 1000 AJ Amsterdam, en maak kans op een fles excellente oude jenever.
Zeventien mei 199.. De datum is gegeven, het weer een geschenk: een aangename vrijdagavond in de late lente. Aan zulke omstandigheden haal ik graag herinneringen op en iedereen is er. Cafe Witte heeft een naam op te houden als de grootste bieromzetter van de stad en de van oorsprong Twentse uitgever Groot-Holland helpt hem daarbij. Een naam, om te beginnen. Wat doet Groot-Holland verder in de stad? Dat verhaal is te lang. Er wordt gefluisterd dat hij door de jezuieten is gedropt op de marmeren drempel van een grachtenpand en dat hij daar nu zijn eigen boeken dopt. Hoffelijk is hij. Ik zie hem opnieuw voor me op de knieen liggen. Smekend. Soebattend.

‘Waarom kom je niet gewoon in onze stal?’
Ik glimlach en vraag wat hij biedt.
'Trouwens, mest jij die stal van jullie eerst maar eens uit. En hoe zit het met die jezuieten?’
'Weggepromoveerd.’
Het komt er moeizaam uit.
'Dus nu…’
'Ja’, monkelt hij. 'Nu helemaal zelf…’
'Dan kan een gebedje geen kwaad’, antwoord ik. 'Als je het niet erg vindt kijk ik het nog even aan…’
Er wordt tegenwoordig veel gepraat over drank en schrijvers. Als wij bij elkaar zijn, ik zeg het maar eerlijk, drinken wij. Maleiers, tempeliers, zeg het maar.
Hier zie ik de dichter Oude Splittering opduiken, wankel ter been. Zijn Pietje Puk- krullebol hoog op een lang onderstel, rood brilletje op zijn neus (en wat voor een neus!) daaronder een ribjasje voor het artistieke gevoel.
'Zo Oude Splittering… Weer onder de mensen?’
'Ik sprak in tongen’, zegt hij. 'Ik moest er even in, maar het heeft geholpen. Dit is mijn eerste avond uit.’
Hij heeft zijn domineestoon niet in het gesticht achtergelaten. Even later hoor ik hem galmend in de volgepakte kroeg 'De zieke jongeling’ declameren.
'Want ik heb de tering, moeder!’
'Van wie is dat ook alweer?’ vraagt de ex- criticus Der Heiligen, die naast me zit bij te komen van een hele week weight-watchen.
'Jan van Beers als ik mij niet vergis, of van Splittering zelf, kan ook. Hij schijnt veel van anderen over te schrijven. Drinken we nog wat?’
Soms ontmoet je een geestverwant bij cafe Witte. Dat is nooit eenvoudig. De diplomaten, de tactici, mensen die te bescheten of te voorzichtig zijn om het achterste van hun tong te laten zien, of die gewoon geen achterste van hun tong bezitten. Daar kun je rechtuit op toe. Ik sla ze dan op hun schouder, zeg dat we weliswaar op verschillend spoor zitten, maar dat we uiteindelijk allebei beste kerels zijn. Daarna kun je zeggen wat je denkt: de ontreddering volgt gauw genoeg.
Geestverwanten is een ander verhaal.
Der Heiligen en ik zitten dus nog wat te drinken als er een vent voorbij komt, met een heel romantisch hoedje op. Geestverwanten herkennen elkaar. Copertini. Ook hij ziet me onmiddellijk.
'Jouw ruksporen liggen door de stad verspreid, viespeuk!’ roept hij, met zwaar aangezet, dubbeltongs 'hoe heet dat ook weer in het Nederlands’-accent. 'Zelf gezien, ik heb de hele middag gewandeld.’
Het duurt net te lang voor ik iets weet uit te brengen, maar je moet toch wat zeggen:
'Zet je hoedje eens af, lul de behanger… Laat de binnenkant maar zien. Of zit ’t aan je kop vastgeplakt?’
Wil hij vechten! Zwaait wat met een paraplu.
Je begrijpt zulke mensen niet. Zijn dat nou geestverwanten? Ik stoot Groot- Holland, die intussen in de stoel naast me is neergezonken, aan met mijn elleboog.
'Iemand uit jouw stal misschien?’
Groot-Holland wordt wakker en veert op, onmiddellijk. Theater uit het Oosten: armen breed, bonhomie uit het Twickelse woudenlandschap.
'Marten! Ik dacht dat je in Italie zat! Had me even gebeld!’
Copertini hangt intussen in een bloembak en prikt me met een vinger in de zij.
'Weet je wel wie je voor je hebt, klootzak? Wat ik heb gedaan?’
Ditmaal weet ik het meteen.
'Je schreef toch een boek waarin je geilde op een hitje dat publiekelijk uittoeterde dat ze jou een papzak met een sigaar in ’t hoofd vond? Was het niet zo? Ik heb met je te doen, jongen…’
Copertini kijkt me enigszins ontsteld aan, maar doet een oprechte poging zijn rug te rechten.
'De gordel rilde toevallig wel van mijn boek. Men was beledigd als men er niet in stond. Jij komt er ook niet in voor.’
'En in haar gordeltje wilde maar geen beweging komen. Och gut…’
Binnen lijkt Oude Splittering niet meer te stuiten.
'Want ginds bij de linden klinkt vedel en trom, daar zwaaide en draaide de vrolijke drom, maar aan…’
Nog steeds Van Beers. Ineens zie ik de dichter op de kroegdrempel staan. Hij laat zich op de knieen vallen en begint op handen en voeten tussen de terrastafeltjes te kruipen.
'Ik ben mijn huisleutels kwijt, mijn arme sleuteltjes…’
'Dat is een dichter!’ roep ik naar Groot- Holland. 'Dat is wat voor jou.’
Tijd om te bestellen. Ik loop naar binnen, wring me naar de bar en terwijl de ober tapt voel ik een hand om mijn enkel. Ik kijk en vind mijn geachte collega Van den Bezem tussen twee barkrukken op de vloer.
'Jij bent er dus toch? Ik dacht al…’
Hij kijkt me aan met brekende ogen en stamelt: 'Omhels je vrouw van me.’
'Ik zal eens vragen of ze daar prijs op stelt’, zeg ik. 'Of zal ik maar meteen zeggen dat ik haar ga neuken in Jouw Naam?’
'Ze is zo mooi…’
'En ze lijkt zo op je eigen vrouw, ijdeltuit’, wil ik zeggen, maar hij is er al niet meer bij.
Op mijn weg naar buiten stuit ik op de vrienden Suikerbuik en Glatze.
'Zo heren’, zeg ik opgewekt. 'Op strooptocht? Gaat de stad er hier ook al op achteruit? Verval in zicht? Hoe staat het met de vloerbedekking?’
Suikerbuik is de eerste.
'Ik hoor dat je boeken niet zo goed verkopen.’
'Hoe gaat het met je nieuwe vrouw?’ vraag ik. 'Of ben je die ook alweer kwijt?’
De spekgladde Glatze wil duidelijk niet achterblijven. Hij doet een stap voorwaarts en zegt met bittere amandeltjesadem:
'Zeg, kun jij geen stropdas betalen?’
'De stropdas is versiering van de armoede’, zeg ik. 'Je kunt vlaggen met een kravat van duizend gulden, maar een mooi bos haar dat wuift in de wind… Kom daar maar eens om.’
Daar zitten we weer, Der Heiligen en ik. Groot-Holland blijkt vertrokken. We raken ongearticuleerd en lachen veel. In een ooghoek zie ik een ouwelijke, kale vent over het plein in onze richting schuifelen. Alsof hij schaatst: knikkende knieen, handen op de rug.
'Moet je es kijken’, zeg ik.
'God… Nee, onmogelijk. Dat kan toch niet… Deze is aan zijn AOW toe.’
'Nee hoor’, zeg ik. 'Hendriks. Kijk maar eens goed. Die jongen is van mijn leeftijd.’
Ik ben vierendertig.
'Net een schoon overhemd aangetrokken, daar gaat hij straks overheen braken. Wedden?’
Vijf minuten later zit die zuipschuit dus bejaard en wel met zijn dronken kont in de geraniums van de terrasomheining. Hij huilt.
'Mijn huwelijk is kapot…’
'Zie je wel’, zeg ik tegen mijn buurman. 'Het is hem.’
Dan kijk ik Hendriks aan:
'Laatst zag ik je nog met vrouw en kind een fietstoertje maken. Ik dacht al: dat kan nooit goed gaan.’
Met een zwaai gooit hij de inhoud van een bierglas over me heen. Ik aarzel. Der Heiligen klopt de man zo'n beetje op de schouder en zegt dat hij misschien maar beter naar huis kan gaan. Hij weet dat uit ervaring, echt… Dat klopje op de schouder is Hendriks net te veel: hij laat het hoofd zakken en braakt over zijn witte overhemd.
'Zie je wel? Ik zei het toch? En altijd worteltjes. Als er gebraakt wordt komen er worteltjes.’
Ik ga staan en wijs het gezelschap op de oranje stukjes die goddank inderdaad aan het witte katoen kleven.
Even leeft hij op. Hij grijpt me bij mijn jasje en zegt met gezwollen lippen:
'Jij bent helemaal nat…’
'Ja. En stuur me nou morgen niet weer zo'n klef excuusbriefje.’
De volgende dag krijg ik uiteraard toch weer zo'n briefje. Hij had zich niet goed gevoeld en had 'de antiperistaltiek tenslotte toch niet over mij laten neerdalen?’ Daarna kost het hem twee bladzijden om wurmend en schmierend de slotsom te bereiken dat een schrijversleven al heel moeilijk is voor een gewone sterveling, maar voor een talent als hijzelf is het extra zwaar, tegen het ondraaglijke aan. Vandaar dat bier, 'dat ineens mijn glas uit wilde, omdat ik al genoeg had gehad’.
Zover zijn we echter nog niet. Even de balans opmaken. Wie tref ik die avond bij Witte? Groot-Holland hebben we gehad, Oude Splittering, Suikerbuik en Glatze, Copertini, Hendriks die zo aan het leven lijdt, en natuurlijk Van den Bezem op de vloer. Zijn er geen vrouwen? Ja. Janneke Wermeskerken, breed, zo van de kermis met haar gouwen bek, die goede sier maakt met een been in het gips.
'In een orkestbak gevallen. Om te gillen, vind je niet?’
Ze heeft haar hele hofhouding meegenomen, in de gedaante van een hele dikke, zangerachtige man met een brilletje dat blikkert als haar gebit. Grijnzend schreeuwt ze door ’t cafe 'of er hier nog iets te interviewen valt’.
Dan is er de korte deegsliert Duurstede, die in een wolk sigarenrook staccato Wagner-teksten staat te ratelen. Naast hem een lange deegsliert, een criticus moet ik aannemen. Als ik nogmaals naar de toog schuifel, hoor ik hem zeggen dat het lezen van de betreffende boeken het recenseren ernstig hindert:
'Dat geeft maar vooroordelen.’
De reptielachtige uitgever Van de Krook komt binnen, geflankeerd door cabaretvriend Pen. Elk met een gitaar. Ze hebben net gezongen over een zelfmoordgeval, zeggen ze, voor de Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie.
'De tekst was van onze cabaretvriend Kloaak’, zegt Van de Krook met zijn eeuwig natte mondje. 'Iets met een, twee, drie erin. Heel leuk, hij is daar sterk in.’
'Je zult zo langzamerhand wel eens erelid worden’, zeg ik. 'Wanneer ga je zelf?’
Hiermee is de lijst van dramatische personen wel compleet, geloof ik. Ik had willekeurig een andere kunnen samenstellen, vol grootheden uit kunst en cultuur, maar die vormen ditmaal slechts decor en publiek tegelijk. Een personage heb ik nog vergeten. Hij is heel geschikt als katalysator. Waarom? Omdat hij reacties oproept. Hier is hij de man die zich brokkelend in het slot steekt en een deur doet openzwaaien. Een erg norse vent, ik mag hem graag. Dichten doet hij ook. Ik noem hem wel eens Kappie: Ketting, de literair-criticus.
Veel critici in cafe Witte, ik kan er niets aan doen, ze komen er zelf.
Ik sta toevallig net aan de bar te bestellen als ik de gesprekken ineens hoor verstommen. Ik kijk om en meen even dat ik mijn vrouw zie binnenkomen. Meteen daarna komt ze opnieuw binnen. Hoe kan dat? Zo ongearticuleerd ben ik toch niet? Als ze op me toe komen, zie ik dat het de echtgenote van Van den Bezem is, met haar tweelingzuster. Ze buigen zich voor de bar, rapen hun zwager/echtgenoot tussen de krukken op en slepen hem tussen zich in de kroeg uit.
'Goeie reis’, roep ik hem achterna. 'Omhels ze van me, in godsnaam!’
Nog steeds is het doodstil in Witte. Dan zie ik hem: Ketting. Met zijn marineblauwe ogen monstert hij het gezelschap. De dikke zanger voert hem aan de arm naar Wermeskerken, die al uit de verte gilt dat er aan hem immers altijd iets te interviewen valt.
Ik sta er bij als ze begint. Ketting kijkt stuurs.
'Wat vin-je van het gezelschap?’
'Ik vind het maar een splinterige troep’, moppert Ketting. 'Een voor een, niemand voor allen.’
'En zo hoort het ook, Kappie!’ roep ik, erg jolig.
'Nee Tarjet’, zegt hij. 'Dit is een brokkelboel en dat moet je filosofisch zien. Zolang het parool geen “heelheid” is, wil ik de gangway niet op.’
'Een heerlijke kermis. Toch?’ probeert Wermeskerken, met haar allerliefste edelmetaal. 'Trouwens, met dat been moeten ze mij aan boord hijsen!’ Ze gilt het uit van de lach.
Ineens staat Der Heiligen naast me. Hij priemt zijn slanke wijsvinger in de steile borst van Ketting.
'Dit heeft niets met filosofie te maken’, zegt hij. 'Ik kan daar tien argumenten voor leveren. Maar het belangrijkste is dit: drinken is een basisbehoefte en vrijdagavond is het al zolang de mens bestaat. Dat is: twee miljoen jaar. Wij zijn bovendien schrijvers of zoiets. Dat scheelt ook een slok op…’
'Op de eeuwigheid!’
Dat is Oude Splittering. Van hem zijn we nog niet af. Hij ziet er ontketend uit. Wilde ogen, bezieling, dat werk. De aandacht is algemeen.
'Dominee! Dominee!’ scandeert het hele gezelschap. Opnieuw steekt Oude Splittering van wal.
'Want ginds bij de linden klinkt vedel en trom, daar zwaaide en draaide de vrolijke drom, maar aan lijden en sterven, daaraan dacht er geen…’
Ik klop Kappie op de schouder. Hij kijkt me verstoord aan.
'Wat wil je, minkukel?’
'Zo ken ik je weer’, zeg ik enthousiast. 'Maar wat ik zeggen wou: aan heelheid toch geen gebrek?’
'Tien argumenten!’ roept Der Heiligen nog eens. 'Ik heb er tien!’
Dan ben ik aan mijn slotwoord toe:
'Niet nodig, laat maar zitten. We zijn klootzakken onder mekaar. Zuipen! Een voor een…’
Het duurt even voor de verzamelde literaire wereld kan klinken. Na klinken komt immers drinken en daarvoor moeten eerst de glazen vol. Dan roep ik nog eens:
'Een voor een…!’
Ik draai me naar Ketting, die niet weet hoe hij het heeft, en tik mijn glas tegen het zijne:
'Daar ga je, musketier!’