Katwijk vist niet meer

‘Daar gaat dan je investering van 3,5 ton!’

Lekker zacht en vet is-ie, de nieuwe haring die vanaf vrijdag weer verkocht mag worden. De Hollandse maatjesharing komt uit Scandinavische wateren. Tot treurnis van bijvoorbeeld Katwijk, waar de hang naar het zilte verleden groot is.

Katwijk en haring. Nog hoor ik de boetsters in de jaren vijftig op het Wantveld langs de uitmonding van de Rijn in een zonnig voorjaar zingen bij het gereed maken van het 3000 tot 4500 meter lange vleetnet voor de haringvangst. ‘Hollandse Nieuwe, een kwartje per stuk, je kunt ze weer kopen, o wat een geluk. Maar weet je wel mensen, als je ze eet, wat ze ons kosten aan druppeltjes zweet? ’s Zomers verbranden we haast op het land. In ’t najaar valt van koude de naald uit ons hand. Waardeer dan ons werk en spot er niet mee. Want juist door dat werk komt de haring uit zee!’

‘Boetster worden was het vooruitzicht van veel Katwijkse meisjes als ze van de lagere school kwamen. Vraag je nu aan die meisjes wat zij later willen worden, dan komt er vaak een heel scala van mogelijkheden voorbij’, vertelt de schippersweduwe Grietje van Beelen-Van Duuren (88). ‘Het duurde wel zo’n drie tot vier jaar voor je alle kneepjes van het boeten onder de knie had, want het was een secuur werkje. De mazen van het net moesten precies de voorgeschreven wettelijke maat hebben. ’s Morgens om zeven uur moest je op het veld zitten met het net op je schoot en wee je gebeente als je te laat kwam. ’s Winters werden de netten op de boetzolders van de rederijen geboet. De werkdag duurde tot zes uur. Na het overschakelen van katoenen op nylon netten in 1962 nam het boeten steeds meer af. De nylon netten vergden veel minder onderhoud.’

Het boeten van de drijfnetten van de vleet door de Katwijkse meisjes was heilig vergeleken met wat de Katwijkse jongens van twaalf jaar als afhoudertjes en reepschieters vroeger op de haringvloot te verduren hadden. Ze voelden zich vooral op hun eerste haringteelt meestal meer dood dan levend. Alleen voor het slapen in hun nauwe kooien mochten ze onderdeks komen. De strenge leefregels aan boord bepaalden dat ze hun maal van rijst en bier, grauwe erwten of snert aan dek genoten. Er moesten nu eenmaal kerels van deze jochies worden gemaakt.

Er is trouwens door alle vissers vroeger veel geleden op de haringvloot, vooral als de reizen lang duurden. Het spek werd garstig en het drinkwater in de houten tonnen veranderde in dril. Het moest met een gloeiende pook weer vloeibaar worden gemaakt. Door het schuren van de mouwen van hun oliejas langs hun polsen en de inwerking van het zoute water bij het halen van de vleet kregen de vissers vaak last van pijnlijke zoutzweren. Er gingen ook veel schepen verloren.

Het visserijbedrijf heeft helaas altijd mensen van buiten aangetrokken die bij het stijgen van de haringprijzen met redertje spelen snel rijk hoopten te worden, en die er geen been in zagen vissers in ‘drijvende doodskisten’ de Noordzee op te sturen. Herman Heijermans heeft er het prachtige toneelstuk Op hoop van zegen op gebaseerd. Het Vissersmonument op de boulevard van Katwijk herinnert aan hen die op zee bleven. Er staan 273 namen op van vissers en opvarenden van koopvaardijschepen.

De hang naar het zilte verleden is groot in Katwijk. Bij het vertonen van een visserijfilm in het historische gebouw van het Katwijks Museum aan de Voorstraat blijft geen stoel onbezet. Twintig jaar na de fusie van Katwijk met Rijnsburg en Valkenburg worden er in de laatste week van juni voor het eerst weer Visserijdagen gehouden. Ze dienen vooral ter versterking van de Katwijkse economie en het behoud van wat er nog over is van het Katwijks maritiem erfgoed – veel van Katwijks verleden als belangrijke vissersplaats bestaat niet meer.

Katwijk aan Zee is na bijna zeven eeuwen geen echt vissersdorp meer. De afgelopen twintig jaar is de visserij er als belangrijke bestaansbron verdwenen. Het aantal leerlingen op de Visserijschool is teruggelopen. De Katwijkers hebben als gewilde harde werkers nieuw emplooi gevonden in ploegendiensten op de Hoogovens in IJmuiden, op de binnenvaart, in de bagger, de industrie, de handel en de zorg. ’s Morgens vindt er, net als in Volendam, een gemotoriseerde uittocht plaats. ’s Avonds keren de Katwijkers terug en is er nauwelijks een parkeerplek te vinden. De economische crisis gaat echter ook aan Katwijk niet voorbij. Het heeft ertoe geleid dat werkgevers onzeker zijn en contracten voor korte tijd aanbieden. Daardoor komen mensen in de WW of hebben diverse baantjes.

Maar de bevolking gaat nog steeds op zaterdag naar Quick Boys, de club van Dirk Kuyt. Niet alleen voor het voetbal, maar ook voor een borreltje met een biertje en de saamhorigheid. Een visje bakken op zaterdag blijft traditie. Zondags gaat iedereen na de kerk een bakje doen bij pa of moe of de familie. Het karakter van Katwijk kan, om met historicus A.Th. van Deursen te spreken, nog steeds in drie woorden worden samengevat: ‘Voetbal, vis en volle kerken.’

De visserij is vooral van emotioneel belang voor Katwijk, vertellen de aan het Katwijks Museum verbonden maritiem medewerker Kees Blonk (61), Lies van Beelen (65) en bestuurslid Jan C. van Beelen (53), auteur van het door het museum uitgegeven boek Katwijk, 60 kilometer van zee. Lies van Beelen is voorzitter van de 85 vrouwen tellende Klederdrachtgroep van het Genootschap Oud Katwijk en trekt op verzoek het land in met haar groep, die ook dertien voormalige nettenboetsters telt. Het museum draait op ongeveer tweehonderd vrijwilligers en vijf betaalde krachten. Vooral de Katwijkers van 45 jaar en ouder koesteren het als de plaats waar ze de tijd van hun jeugd terugvinden.

De oud-vissers Maarten van Duijn (75), Jaap van Duijn (71) en Koos van der Bent (75) schetsen een somber beeld van het huidige Katwijkse visserijbedrijf. Rond 1965 bestond de Katwijkse vissersvloot uit 180 schepen. De kottervloot telt nu zeven schepen van schipper-eigenaars en wat kleine dagvissers. Er is overigens een kans dat Katwijk na jaren van strijd een zeejachthaven krijgt met ruimte voor de dagvissers. De huidige waterkering voor de oude kom van Katwijk is niet meer berekend op een storm die eens in de tienduizend jaar voorkomt. De versterking van de kering zou gecombineerd kunnen worden met de aanleg van een zeejachthaven.

Op Katwijkse kotters varen evenals op de Urker vloot Polen en Litouwers. ‘Ze moeten wel, want de sociale lasten van onze vissers zijn te hoog. Anders komen ze niet uit met die dure olie van tegenwoordig’, zegt Maarten van Duijn. Hij heeft zelf van 1971 tot 1991 ook als schipper-eigenaar gevaren. ‘De Katwijkse vissers varen op de kotters van de schipper-eigenaars in maatschapverband. Ze betalen mee met de onkosten van olie, ijs, netwerk, kortom de hele mikmak en delen mee in de besomming’, zegt hij.

Daarnaast is in Katwijk de rederij Parlevliet & Van der Plas B.V. gevestigd met twee dochters in Duitsland, die gedrieën onder verschillende vlaggen vijftien fabriekstrawlers exploiteren die wereldwijd vissen met internationaal samengestelde bemanningen. De Katwijkers op de brug en in de machinekamer blijven aaneengesloten periodes van drie tot zes weken op zee. Ze worden op Schiphol uitgezwaaid en afgehaald door hun familieleden. De visserij wordt door de inzet van de fabriekstrawlers die op bestelling vissen steeds grootschaliger. De ene keer lopen ze binnen met bestelde pakken diepgevroren blauwe wijting, de andere keer met horsmakreel of zilversmelt. Voor het verwerken van deze vissoorten zijn op deze schepen geen vakmensen nodig. Die kunnen overal aangenomen worden. Mauretanië aan de Westkust van Afrika kan bijvoorbeeld voor het vissen in haar wateren eisen dat voor de verwerking Mauretaniërs worden aangenomen. Een zoon van Lies van Beelen is voor P&P onder meer voor dat soort zaken gestationeerd op de Faeröer Eilanden.

Koos van der Bent monsterde als dertien­jarige jongen in 1950 aan op de haringlogger Java KW 159. Op vijftigjarige leeftijd voer hij op de Sch 22 en Sch 23, de twee Scheveningse Wironkotters die nog altijd in span op haring vissen. In 1987 koos hij voor een baan aan de wal. ‘Ik ben blij dat ik niet meer hoef te vissen’, zegt hij uit de grond van zijn hart. ‘Vroeger leefde de Katwijkse gemeenschap mee met de visserman. Dat is helemaal verwaterd! Vroeger werd er in de kerken van Katwijk altijd gebeden voor de mensen op zee. Dat doen ze niet meer, terwijl er toch nog steeds Katwijkers zijn die vissen zoals wij vroeger visten. Op hoop van zegen.’

De fusie met Rijnsburg en Valkenburg heeft het geestelijk leven van het vroeger zo christelijke Katwijk blijkbaar niet onberoerd gelaten. ‘Maar zolang de Katwijkse gelovigen elke zondag op meer dan twintig plaatsen samenkomen zal zeker iets en misschien heel veel van het oude bewaard blijven’, schrijft Van Deursen geruststellend in zijn boek In Katwijk is alles anders.

Jaap van Duijn was ook dertien toen hij in 1954 als afhouder en later als reepschieter op de Vlaardingse haringlogger VL 89 naar zee ging. Vlaardingen was toen nog de Haringstad van Nederland. Onlangs is de laatste Vlaardingse maatjesproducent Warmelo & Van Drift overgenomen door Ouwehand/Parlevliet & Van der Plas op het Katwijkse bedrijventerrein. ‘De VL 89 was nog een echte vleetlogger. ’s Winters ging ik naar school, omdat ik nog geen veertien was. Het jaar daarop stapte ik over op de Noordster KW 67. Op de Johanna KW 39 ben ik van boord gehaald, omdat ik in dienst moest. Ik werd ingedeeld bij de marine. Twintig maanden dienen voor volk en vaderland. Daarna bleek dat mijn vader de logger Het Erf KW 91 met vier andere vissers had gekocht en ging ik weer vissen.’

‘Hoe ik terugkijk op de visserij? Ik zou er nooit meer willen terugkeren. Nooit meer. Ik ben zes weken mee geweest met een kotter. Als je zag wat die schipper-eigenaar voor een boekhouding had op de brug! Daar werd je helemaal stil van. “Daar komt die kolere boot weer!” werd er geroepen als de Barend Biesheuvel weer eens in zicht kwam, het vaartuig van de Algemene Inspectiedienst’, zegt Jaap van Duijn. ‘Als je nu binnenkomt, bekijken ze je gewoon als een crimineel. Er is geen aardigheid meer aan. Wij hebben het ook meegemaakt, ik weet het nog goed, 75 kisten gul aan boord. Een dag later deden we onverwacht een trek van driehonderd kisten gul! Die mochten we niet aanvoeren Wat te doen? Een uitvarend schip kon een deel overnemen. Het vissen is niet leuk meer. Je wordt achterna gezeten. Je krijgt het aan je hart als je vis overboord moet zetten. Spuiten, spuiten op het dek om ervan af te komen. Daar wen je nooit aan…’

De opheffing na ruim een eeuw van de Rederijvereniging Vuurbaak in 2001 ging gepaard met het verschijnen van het gedenkboek Vuurbaak dooft het licht en had alles te maken met de sluiting van de Noordzee voor de haringvisserij wegens overbevissing tussen 1977 en 1983. De aanvoer van gezouten haring werd na de opheffing van die sluiting steeds minder. Dat was het gevolg van de komst van de grote moderne fabriekstrawlers. Na de ontdekking van de ziekte veroorzakende haringworm in 1968 wordt de haring op deze schepen diep bevroren opgeslagen en meestal in pakken van twintig kilo verscheept en rechtstreeks afgeleverd bij de klant. De afslag van de Vuurbaak voor haring kwam daar steeds minder aan te pas.

De haring die op het industrieterrein van Katwijk wordt verwerkt tot maatjesharing komt nu grotendeels uit Denemarken en Noorwegen, wordt gevangen door Scandinavische vissers, aan de wal gekaakt en naar Nederland vervoerd met koelschepen en koelwagens. Op 24 juli 1990 werd er voor het laatst gezouten haring verhandeld op de Katwijkse afslag. De IJm 205 en 206 voerden toen 2200 kantjes haring aan. Daarna werd het stil in het verenigingsgebouw van de Vuurbaak. In 2000 viel het pand onder de slopershamer om plaats te maken voor het woningbouw- en winkelproject Princehagen. Het archief van de Vuurbaak, de gong die bij de haringafslag werd gebruikt en de oude verre­kijker waarmee de Katwijkse reders in vroeger tijden de zee afspeurden, kregen een plaats in het Katwijks Museum.

De eerste tekenen van de overbevissing van de haringstand in de jaren zeventig zetten een domper op de euforie over de overvloedige vangsten op de Noordzee na de bevrijding van Nederland in mei 1945. Het visserijbedrijf in IJmuiden, heel belangrijk voor de Katwijkse vloot, was in mei 1945 een onvoorstelbare puinhoop. De vishallen waren verwoest. Er was geen pakhuis meer beschikbaar voor het opslaan en verwerken van vis. Toch kwam dat bedrijf spoedig weer op gang. Het Bureau Teruggave Vissersvaartuigen slaagde er dankzij het Visserijarchief van de visserijambtenaar Arie van der Veer in vrij snel veel door de Duitsers gevorderde of gestolen schepen terug te vinden. Zwaar geschonden, onderdeks uitgebroken en vaak zonder masten en kenmerken werden ze in Duitse havens aangetroffen. De Katwijkse vloot, in mei 1940 nog 109 schepen sterk, bleek in 1945 gereduceerd te zijn tot 24 schepen. Drie jaar later bestond de vloot weer uit 95 schepen.

In 1945 kon een gezamenlijke Nederlandse vloot van 72 schepen al weer deelnemen aan de haringvisserij met de vleet. Zij voerden ruim 12,7 miljoen kilo haring aan. Doordat er tijdens de oorlog nauwelijks op de Noordzee was gevist, waren de vangsten van haring en rond- en platvis de eerste jaren na de bevrijding overvloedig. De trawlers en loggers liepen IJmuiden binnen boordevol verse haring aan dek. Zoveel hadden zij gevangen, ze konden het niet meer in hun ruim bergen. Iedereen die er op de Kant langsliep, kon voor niets of niemendal een tas of fietstas vol haring meekrijgen.

Voor de visserij op schol en tong en rondvis, zoals kabeljauw en wijting, leek voor de Katwijkse vissers en hun collega’s uit andere vissersplaatsen ook geen vuiltje aan de lucht. Het kon niet op. Er werd geïnvesteerd in grotere kotters met zwaardere motoren. De boomkorkotter kwam in zwang, waarmee zowel aan bakboord als aan stuurboord met een trawlnet kon worden gevist. Het bleek dat vissen, garnalen en schelpdieren door de toename van algen door fosfaatafvoer van de Rijn sneller groeiden.

Maar in 1988 deed de befaamde visserij­bioloog dr. Dolf Boddeke met de chemicus dr. Paul Hagel op het Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek in IJmuiden een schokkende ontdekking. De fosfaatafvoer van de Rijn had zijn hoogtepunt bereikt en begon sterk te dalen. De milieubeweging drong aan op de verwijdering van fosfaat uit het Duitse rioolwater en het gebruik van fosfaatvrije wasmiddelen elders in Europa. De conclusie van Boddeke en Hagel was duidelijk: de Nederlandse visserijsector die zich op basis van de verhoogde fosfaatafvoer tot een miljardenbedrijf had ontwikkeld ging terug naar af. Het dringende pleidooi van Boddeke om de Noordzee te bemesten door gereguleerde toevoeging van fosfaat werd door de overheden verworpen. ‘De huizenhoge stapels kisten kabeljauw in Den Oever werden verleden tijd’, schrijft Boddeke in zijn boek De wereld is een wonder. ‘De vloot van meer dan honderd schepen die met kabeljauw- en wijtingvisserij ruimschoots de kost verdiende, verdween als sneeuw voor de zon, de laatste drie schepen in 2005, zonder dat er ook maar enige verbetering in de kabeljauwstand optrad.’ Met de boomkorkotters met zware motoren voor de visserij op tong en schol gebeurde hetzelfde. Er werden miljoenenverliezen geleden door de verkoop van kotters aan het buitenland.

Ben Daalder becijferde als voorzitter van de Federatie van Visserijverenigingen dat er in die jaren 240 Nederlandse kotters uit de vaart zijn genomen. In diezelfde periode probeerde Maarten van Duijn met de Klazina Jacoba KW 77 het hoofd boven water te houden. ‘Er kwam een sanering. Failliet gaan was ook niet alles, dus ging ik hup de sanering in’, zegt hij. ‘Als ik de visserij nu bekijk met alle regels eromheen, dan zou ik nooit meer naar zee terug willen. Vissen met grotere netten, vissen met grotere motoren – alles moest teruggedraaid worden. Die periode is voor ons de geschiedenis ingegaan als de Grote Knak van 1991.’

De folklore van de Visserijdagen roept bij oude Katwijkse vissersvrouwen herinneringen op aan het overwicht van de moeder van de visser op haar naaste familieleden. Dat overwicht gaat terug naar de tijd waarin de vissers vanuit Lerwick op de Shetland Eilanden op haring visten en lang van huis waren. Hun vertrek met de haringvloot leverde destijds een geweldig schouwspel op vol strakke zeilen en wapperende wimpels. Door de grote economische crisis van 1929 kwam echter een einde aan de vaart naar de Shetlands. Daarna kwamen de motorloggers, snel en onafhankelijk, met radio voor uitwisseling van de vangstberichten. Er was toen geen haringstation meer nodig in Lerwick.

‘Als schoonmoeder en oma bleef de vissersmoeder nog lang de lakens uitdelen in de familie’, vertelt Grietje van Beelen-Van Duuren. ‘Je man stond altijd tussen twee vuren. Hij ging na binnenkomst van zijn schip ook altijd eerst bij zijn moeder langs.’ Haar bemoeizucht ging heel ver. Als een meisje in de familie twaalf of dertien jaar werd, ging ze met opgestoken vaan op bezoek om op z’n Katteks te vragen ‘of ze al de zaken had’, dat wil zeggen ongesteld was geweest. Zo ja, dan moest er voortaan streng op het bewaken van haar eer worden gelet. Oma bemoeide zich met vrijwel alles en iedereen, ook met grote inkopen.

Grietje van Beelen had er met haar gezin van negen kinderen veel mee te stellen. ‘In de glorietijd van Elvis Presley hadden mijn jongens zoals alle jongens van hun leeftijd lang haar en droegen ze ook Elvis-blouses. Dat was absoluut niet naar haar zin. “Als ze liggen te slapen, knip je dat lange haar van ze kort en knip je meteen die bloesen stuk, want het is geen gezicht zoals ze er nu bij lopen”, zei ze. Van lieverlee is dat overwicht van de oma’s gelukkig verminderd.’

Vooral vroeger met langere reizen stonden de vissersvrouwen met een groot gezin er alleen voor. In hun eentje moesten ze het huishouden draaiende houden en de kinderen opvoeden omdat er nauwelijks communicatie met de schepen mogelijk was. De mannen wilden daarmee als ze voor een paar dagen thuiskwamen niet lastig worden gevallen. ‘Toen mijn man eerst op een logger en naderhand als schipper van een kotter op zee was, gaf-ie via Scheveningen-Radio ’s avonds om zeven uur altijd een “roepje” naar huis. Dan moesten de kinderen stil zijn. Dat was het klokje van zeven en dan na het avondgebed naar bed. Dat herhaalde zich iedere avond. Nu kunnen de vissersvrouwen met hun satelliettelefoon als het nodig is hun mannen op zee altijd spreken’, vertelt Grietje van Beelen.

Ze vervolgt: ‘De vissersfamilies hadden vroeger allemaal een bijnaam. De tak waarbij wij hoorden werden de “Knarren” genoemd. Die Knarren werden allemaal schipper. De vader van mijn man was ook schipper. Mijn man is schipper geweest tot hij een maagbloeding kreeg. Toen moest-ie stoppen. Later is hij naar de kleine handelsvaart gegaan. Het vissers­leven was te zwaar voor hem geworden. Hij is 81 jaar geworden. De vissersschepen bleven in zijn tijd heel lang op zee. Mijn eerste kind is geboren op 9 december. Mijn man viste toen vanuit Dieppe op haring in het Kanaalgebied. Toen-ie met kerst uit Dieppe terugkwam, hoorde hij pas dat hij vader was geworden. Het was best een opgave om alle kinderen te geven wat zij nodig hadden. Vooral in de periode dat hij ziek was kreeg hij een uitkering waar je zeker met een groot gezin nauwelijks van kon rondkomen.’

Schippersvrouw Thea van der Plas-Coorn (43) kan zich niet goed verplaatsen in de tijd waarin Grietje van Beelen haar leeftijd had. Ze zou absoluut niet toestaan dat haar schoonmoeder de lakens zou uitdelen in haar gezin: ‘Ik was 28 toen ik mijn eerste kind kreeg. Een leeftijd waarop je wat steviger in je schoenen staat en je beter kunt verweren.’ Ze is een zelfstandige vrouw en sterk betrokken bij het in de vaart houden van de kotter Leendert de Mol KW 5 van haar man Nico van der Plas (52), schipper-eigenaar van dit schip en van een klein bootje dat met staand want vist. Ze doet de boekhouding voor deze kleine vloot, maakt de netten voor de dagvisser en is ook van de partij als er iets moet gebeuren op de kotter. ‘De verhoudingen zijn heel anders dan vroeger in het visserijbedrijf. Het gaat er in ons familiebedrijf nu om hoe we kunnen blijven vissen. Daarvoor zijn we helaas steeds afhankelijker geworden van het rijk, Europa en de milieufanaten. Vissen is gewoon lastig geworden. Je kan het zo gek niet opnoemen, of ze bedenken weer iets.’ Daarbij komt dat door het speuren en winnen van olie en de bouw van windmolenparken de ruimte op de Noordzee om te vissen afneemt.

De Leendert de Mol KW 5 verblijft van maandag tot en met vrijdag op de Noordzee. Tijdens die vijf dagen stomen en vissen werken Nico van der Plas en zijn bemanning zich een slag in de rondte. ‘Tien jaar geleden heeft mijn man een nieuwe kotter laten bouwen. Een zo economisch mogelijke boot om mee te kunnen vissen. Een schip waarmee hij binnen tien minuten van de ene op de andere visserij kon overstappen. Helaas werd het aan boord hebben van twee vistuigen verboden. Daar gaat dan je investering van 3,5 ton! Dat gaat elke keer zo. Als er één visser inventief is, dan is mijn man dat wel. Maar je bent geen eigen baas meer. Je krijgt van Brussel de zwarte piet, want wij vissen de Noordzee leeg. Dat is de tendens, terwijl je weet dat dit gewoon niet waar is. Sinds besloten is dat fosfaten niet meer in het water mogen worden achtergelaten omdat dit schadelijk zou zijn voor het milieu is er gewoon te weinig voedsel in de Noordzee. Dan blijft de vis weg. Tien jaar geleden kregen we de scholbox, het reservaat dat werd ingesteld om jonge schol te beschermen. De kraam­kamer van de Noordzee. Op een gegeven moment mocht er wel in gevist worden, maar bleek er geen vis meer in te bekennen. Rara hoe kon dat? Het was de schuld van de visserman. Van wie anders? Vroeger was je er als visser trots op dat je een plekje wist waar het goed vissen was. Dat was het bewijs dat je een echte visser was.’