TONEEL: De kersentuin

‘Daar gaat Jepichodov’

Daar is-ie weer. Midden op het karig gemeubileerde en in vitrage gehulde toneel staat de kast uit de kringloopwinkel. Met de opgezette meeuw uit De meeuw. En met de bak vol boekhoudmappen van Sonja en Wanja uit Oom Wanja. Dat waren de twee eerdere delen uit het Tsjechov3-project van de toneelfirma Hummelinck Stuurman.

Paul R. Kooij, die de omhoog gevallen boerenpummel Lopachin speelt, leunt met gespreide armen tegen de kast. Hij rammelt eraan. En daar is de trein. Er wordt hier geen tijd vermorst. Voor je het weet is vrijwel het hele gezelschap aanwezig. En kan de vertelling over De kersentuin beginnen. Met in het centrum de terugkerende weduwe Ljoebov Ranjevskaja, op de vlucht voor het leven, teruggevlucht om datzelfde leven in grote porties in het gezicht gesmeerd te krijgen.

Carine Crutzen speelt haar niet als verdwaasde cocotte, eerder als manisch-depressieve vrouw die haar moederschap heeft verdronken in een goeie cognac, die lang heeft mogen rijpen in kelders waarvan ze de huur niet meer kan betalen. Haar broer Gajev (Hein van der Heijden) is hier een aristocratische alcoholist met een hernia, die zijn lijf permanent naar achteren doet hellen – een subtiele maar effectieve transformatie. Kern van het als een zwaard van Damocles boven het gezelschap hangende probleem: geldzorgen en een overdaad aan oogkleppen om die geldzorgen niet te hoeven zien. Gerardjan Rijnders’ regieaanpak van Anton Tsjechov is concreet en helder. In Oom Wanja vonden hij en Pierre Bokma vorig seizoen een verrassende, scherpe toon voor de onversneden woede van Wanja, die zich vaak als Weltschmerz had vermomd.

Ook De kersentuin regisseert Rijnders nu vanuit een precieze (her)lezing van de tekst. En vanuit een exacte schets van de situaties. Uit die combinatie ontstaat: komedie. Waarin een aantal goeie grappen uit het kluchtrepertoire – een weggetrokken stoel, urineren in de theepot – zich prima thuisvoelen. Want dat heet: lucht blazen in aanzwellend drama. En: plaatsmaken voor een huivering of een onverwachte ontroering.

Eigenlijk proberen Ljoebov en Gajev steeds nieuwe listen te verzinnen om maar niet te hoeven toegeven aan de ordinaire plannen van de patjepeeër Lopachin. Hij, gekoeioneerd door Gajev, verliefd misschien op Ljoebov, houdt zijn kop erbij als het gaat om de huwelijksvalstrik die ze voor hem opzetten. Hij is de beroerdste niet, maar uiteindelijk is alles handel. Als Ljoebov ontdekt dat die platte handel van Lopachin het van alles en iedereen heeft gewonnen, lijken haar tranen voornamelijk uit de fles te komen. Ze kan weer doen waar ze goed in is: vluchten voor het echte leven. Het tweede bedrijf zit hier vol stille verrassingen. De gesprekken met de eeuwige student Petja Trofimov (mooie rol van David Lucieer) over dat andere leven dat misschien nog eens komt, ze vormen tijdverdrijf en ze zijn naïef, maar ook zó waarachtig dat Anja (Eline ten Camp) er zomaar om moet huilen. Verrassend ook dat de oude Fiers (Reinier Bulder) opeens rechtop staat als hij zich de ramp herinnert die de afschaffing van de lijfeigenschap voor hem was. En wanneer de brekenbenende boekhouder Jepichodov (Thomas de Bres) langskomt met zijn gitaar die hij, verliefd als hij is, voor een banjo aanziet, zegt iemand: ‘Daar gaat Jepichodov.’ En iemand anders antwoordt: ‘Ja, daar gaat Jepichodov.’

Zo’n ijzingwekkend stil water is Tsjechov.


De kersentuin toert t/m 2 juni door het hele land; hummelinckstuurman.nl