Daar kan Rineke het best mee doen

Hans den Hartog Jager
Haai op sterk water
De Bezige Bij, 336 blz., € 24,50

Er is een mooi boek zojuist verschenen, gevuld met essays over beeldende kunst nog wel. Eerst hebben ze bijna allemaal in NRC Handelsblad gestaan. Ze zijn bijzonder leesbaar en toegankelijk. Meestal zijn stukken over kunst namelijk maagwurgend saai, deze keer eens niet. De inleiding van het boek eindigt met ware woorden: ‘Als we maar kijken. En denken. Hoe beter, hoe liever.’ Applaus, zou ik daaraan willen toevoegen. Hartelijk applaus voor het publiek dat dat aandurft.

De eerste essays in het boek gaan over onze huidige, van zichzelf vervreemde, eigenlijk deerlijk gehavende tijd. Den Hartog Jager geeft deze stinkende levensput waar we allemaal in gevangen zitten goed vorm door veel over Damien Hirst, Andy Warhol, Salvador Dali en Luc Tuymans neer te schrijven. Zo schildert Luc Tuymans onaandoenlijke scènes uit concentratiekampen. Den Hartog Jager gaat diep in op zijn werk en op dat van de anderen, en tevens op de exuberante vormgeving van hun loopbaan. Want het zijn stuk voor stuk dragers van vaandels waar met grote letters ‘enorm succes’ op staat geschreven. Den Hartog Jager verbindt Andy Warhol met onze weblogcultuur, en ook met reality-shows als Big Brother. Het ging Warhol allemaal om het vastleggen van het echte leven. Hij was trouwens een shopaholic die stapelgek was op kopen, kopen, kopen. In zijn jonge jaren deed hij ook wel gênante dingen. Zo stalkte hij de schrijver Truman Capote en zag dat als een vorm van kunst.

Den Hartog Jager dringt steeds diep door in de materie die hij behandelt. Zo merkt hij over Warhol slim op: ‘Kijk naar onze cultuur en je ziet Andy Warhol.’ Hij doet het, ik bedoel dan diep doordringen, ook in de tweede sectie van het boek, wanneer hij over kanonnen als Holbein, El Greco en Caravaggio schrijft. Wegvoorbereiders als ze zijn, van de moderne kunst uit onze tijd. Zo slaagde Holbein erin om het superindividuele van de tijdgenoten die hij schilderde, zoals Erasmus, vorm te geven. Gewone mensen zijn in zijn werk zelfs mooier dan heiligen, wat uitzonderlijk was in de tijd dat Holbein leefde, van 1497 tot 1543. ‘Holbein schonk ze eeuwige schoonheid’, schrijft Den Hartog Jager fraai.

Over Caravaggio schrijft hij dat een van diens mooiste werken, een van de mooiste schilderijen ooit, in Rome hangt, in een kerk, de San Luigi dei Francesi. De schilder geeft op de drie doeken die hij voor die kerk gemaakt heeft de mensen met magere wangen en slordig haar weer. Net echt dus. Den Hartog Jager verbindt Caravaggio met Pasolini. Twee gekwelde geesten zijn het, allebei helaas homo, vinden ze zelf, vol van aardse verlangens die vies en vuil zijn.

Bij de Engelse schilder Lucian Freud stelt hij onomwonden: ‘En pats! De verf is vlees geworden.’ De taal van Den Hartog Jager trilt zelf solidair mee. Hij zoekt tot de bodem uit waarom de dingen in Freuds werk en in diens leven gaan zoals ze gegaan zijn, het neemt je adem bijna weg.

Hij schrijft ook een prachtig, doch wel triest stemmend verhaal over het werk, het leven en het latere lijden in datzelfde leven van Willem de Kooning, hoewel hij trouwens dement als hij was wel doorging met mooie schilderijen maken. Leve de Amerikaanse schilder die hij toch was, hoewel op Europese voeten, zou je kunnen zeggen.

Den Hartog Jager schrijft daarop ook nog een inhoudelijk clever stuk over leven en werk van onze eigen Hollandse kampioen, René Daniëls. Die een zware hersenbloeding in 1987 overleefde, maar treurig genoeg wel stopte met serieus schilderen.

Vervolgens heeft hij het over nog een geheel andere kampioen van ons, de inmiddels wereldberoemde fotografe Rineke Dijkstra. Hij vindt haar werk, terecht mijns inziens overigens, een ware revelatie.

‘Zoveel aandacht, zoveel precisie en goed kijken. Dat zie je niet vaak, zeker niet in de hedendaagse fotografie.’ Nou, daar kan Rineke het best mee doen, dacht ik stiekem bij mezelf.

Wat ik boeiend vind aan Den Hartog Jagers benadering van zijn stukken over kunst is dat hij elke keer zowel het werk als het leven behandelt van degene over wie hij schrijft, zonder de soms wel erg droevige levensfeiten een gemakkelijk en voor de hand liggend excuus te laten zijn voor de kunst die gelijktijdig met de ellende ontstaan is. Dat maakt het ook eenvoudiger voor mij om me in te leven in de kunstenaars over wie hij schrijft. Want het is wel erg gemakkelijk om kunstwerken te gaan verklaren aan de hand van gebeurtenissen in het leven van de maker. Een methode die wat mij betreft juist veel te vaak wordt toegepast in recensies. Hans den Hartog Jager onttrekt zich gelukkig aan dat doodsaaie schema.

In het laatste gedeelte van zijn essaybundel gaat het onder meer over Marc Mulders en de zusjes L.A. Raven. Den Hartog Jager vindt de anorexiatweeling eng. Ik ook. Maar hij blijft ze toch ernstig benaderen, hij gooit geen tegenspartelend kind met het badwater weg. ‘Ze heffen de grens tussen feit en fictie op. Dat is zeldzaam in de hedendaagse kunst.’ Hij hoopt maar van harte dat hun tranentrekkende magerheidsperformance fictie is, maar is er niet zeker van, daar getuigt zijn stuk duidelijk van.

Den Hartog Jager is trouwens zelf geen doorsnee dagbladjournalist, maar de heuse schrijver van twee door De Bezige Bij gepubliceerde romans, Zelf God worden en recenter Maltus. Koop eerst maar Haai op sterk water, zou ik zeggen, en als die essays goed bevallen, koop dan de romans. Dat is tenminste wat ik ga doen.