Essay: De publieke erkenning van de Indonesië-weigeraars

‘Daar zit je dan met je verzetskruis op je revers’

Tijdens de politionele acties in Indonesië ging het er vaak mensonwaardig aan toe. Maar van eerherstel voor de militairen die weigerden te gaan en die daarvoor vaak jarenlange gevangenisstraffen kregen, wil de regering nog steeds niets weten.

Half mei verscheen in de Volkskrant een opiniestuk van de SP’er Harry van Bommel over de zogenoemde Indië- of Indonesië-weigeraars, mannen die destijds geweigerd hadden naar Nederlands-Indië te gaan, om die reden opgepakt waren en veelal langdurige gevangenisstraffen hadden ondergaan. Hoewel voor hen in kleine kring wel enige aandacht heeft bestaan – twee boekjes (1989 en 1995), een doctoraalscriptie (1983) en wat artikelen – lijkt hun lot pas sinds kort echt in de belangstelling te staan. Helaas zijn de meeste weigeraars, geboren rond 1925, ondertussen gestorven of zo oud dat ze wel iets anders aan het hoofd hebben. Niettemin zet een aantal van hen, gesteund door enkele geïnteresseerden, door. Het resultaat is ernaar: nieuwe publicaties, een rechtszaak en zelfs politieke bemoeienis, al met al zoveel dat het in andere tijden en andere omstandigheden vermoedelijk consequenties gehad zou hebben. Dat zal nu niet het geval zijn. Het gaat om maar weinig mensen, het is eenvoudig de schouders erover op te halen. Politieke schuldbekentenis en juridisch eerherstel zijn dan niet opportuun. Vandaar de noodzaak van publieke erkenning, dat is wel het minste wat er kan gebeuren.

Daartoe om te beginnen de feiten. Terwijl Nederland tussen eind 1944 en mei 1945 werd bevrijd, bleef Nederlands-Indië bezet. Vandaar dat nogal wat jonge mannen zich vrijwillig meldden om overzee met de Japanners te doen wat eerder met de Duitsers was gebeurd. Al met al waren de vrijwilligers met zo velen (circa 25.000) dat het niet nodig leek dienstplichtigen te sturen. Dat veranderde na de Japanse capitulatie, augustus 1945, toen het besef kwam dat de vijand niet een buitenlandse indringer was, maar een binnenlandse oppositie. Daarmee verminderde het animo van vrijwilligers en was er opeens toch weer behoefte aan dienstplichtigen. Aanvankelijk werd gedacht dat enkele duizenden soldaten genoeg zou zijn, maar eind 1945 bleek de kracht van Soekarno en de zijnen te groot. Daarop werd besloten om honderdduizend man te sturen.

Zoals bekend uit enquêtes en ander onderzoek stemde het merendeel van de bevolking met deze politiek in. Dat betekende echter niet dat men zelf de kastanjes uit het vuur wilde halen of dat de zoon, kleinzoon of echtgenoot dat moest doen. Te meer niet omdat Nederlands-Indië ver weg was en het familielid, aldus een destijds veelgehoord argument, ‘hard nodig’ was – voor de boerderij, de oude moeder, het eigen gezin. Verder stemde een deel van de bevolking niet in met de Indië-politiek van de Nederlandse regering, zoals er ook mensen waren die zich principieel tegen elke vorm van oorlogvoering verzetten. Al met al vormden deze weigeraars een flink aantal. Hoewel het merendeel van hen uiteindelijk toegaf, probeerden ruim vierduizend weigeraars tussen 1945 en 1949 (toen Indonesië onafhankelijk werd) hun dienstplicht te ontlopen. De overheid probeerde hen op alle mogelijke manieren te dwingen, of ze sleepte de weigeraars voor het gerecht. De gevolgen waren groot, in een aantal gevallen tot op de dag van vandaag.

Maar de dienstweigeraars waren uitzonderingen. De meesten gingen, aanvankelijk zelfs enthousiast. Een aardig voorbeeld van hoe dit in zijn werk ging, wordt verhaald in de Kamper Almanak van 2007. Bijna alle jongens die zich in de zomer van 1945 in Kampen als vrijwilliger meldden, hadden tevoren bij de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) gezeten. Zij waren veelal jonge knullen die in de loop van de oorlog gewend waren geraakt aan een ‘ongewoon’ leven en dat maar al te graag wilden voortzetten. Vandaar dat er vele tientallen reageerden op het ronkende affiche dat kort na de bevrijding overal in Nederland werd aangeplakt. ‘Zie de wereld’, riep het met grote letters. Onder die tekst een leeuw in BS-pak. Hij blaast een trompet waaraan een oranje wimpel. Het beest staat op een wereldbol met de tekst: ‘Pak aan in Indië. Neem Dienst. Inlichtingen bij het naastbijzijnde aanmeldingsbureau voor oorlogsvrijwilligers’.

Na een korte opleiding in de Jan van Schaffelaarkazerne in Ermelo werden op 15 oktober 1945 zo’n honderd Kampense jongens uitgeleide gedaan. Het werd een feestelijke dag. Het halve stadje van 24.000 inwoners was uitgestroomd. Op de markt sprak de burgemeester. Er werd gemarcheerd achter de plaatselijke hoempapa. En toen de bussen wegreden, aldus het verhaal in de almanak, ‘schoten enkele Indiëgangers ten afscheid met hun stenguns in de lucht’.

Na nog een korte training in Engeland en een langer verblijf op Maleisië zetten de jongens in maart 1946 voet op Java. Ze waren zo’n beetje de eersten die dat deden. Van twijfel was bij hen geen sprake – zeker niet als we het een halve eeuw later gepubliceerde dagboek van Pieter Brugman (Naar de Oost, Voorhoeve 2000) mogen geloven. Vier van de honderd lieten het leven. De anderen keerden in mei 1948 terug en werden net zo enthousiast onthaald als ze eerder waren uitgezwaaid.

Ondertussen waren vanuit hetzelfde Kampen enkele honderden dienstplichtigen in dezelfde richting vertrokken. Of het stadje ook weigeraars gekend heeft, is niet bekend. Veel zullen het er in ieder geval niet geweest zijn. ‘Van enig verzet tegen of twijfel aan het nut van troepeninzet is in de lokale kranten uit die tijd niets terug te vinden’, staat in de almanak. En: ‘Wie in deze streken zich aan dienst in Indië trachtte te onttrekken – hetzij door onder te duiken, hetzij door een beroep te doen op de wet gewetensbezwaren – hoefde niet te rekenen op veel begrip of empathie.’

Bij de grote troepenverscheping in september 1946, de eerste keer in de Nederlandse geschiedenis dat dienstplichtigen overzee werden gestuurd, was het aantal weigeraars wel substantieel. Voorafgaand aan hun vertrek kregen de jongens dagen verlof. Tien procent keerde daar niet van terug, dat waren zo’n tweeduizend soldaten. Van een van de onderdelen liet zelfs meer dan zestig procent zich niet meer zien. Weliswaar liepen die aantallen vanwege dwang, inkeer of angst voor straf snel terug, maar eind oktober waren er altijd nog een kleine tweehonderd jongens ‘zoek’.

Ondertussen was de zaak her en der behoorlijk uit de hand gelopen. Op de dag dat de troepen daadwerkelijk scheep gingen, dinsdag 24 september, kwam het in Amsterdam en Zaandam onder leiding van de cpn en haar (Eenheids)vakcentrale tot ‘werkstakingen op groote schaal’, aldus de opening van het Utrechts Nieuwsblad. Havenbedrijf, Schiphol, openbaar vervoer, gasfabriek, stadsreiniging, ptt, markthallen, overal werd het werk neergelegd. De staking sloeg over naar verschillende levens­middelenbedrijven en cacaofabrieken in de Zaanstreek. Regering en leger meenden daarom dat hard optreden noodzakelijk was. Dienstweigering en communisme zouden twee zijden van dezelfde medaille zijn. Vandaar de dreigende woorden die generaal Kruls, voormalig chef-staf van het Militair Gezag en op dat moment Nederlands hoogste militair, op de radio sprak: degenen die opriepen tot dienstweigering waren raddraaiers en degenen die aan hun oproep gehoor gaven, stonden ‘ernstige, heel ernstige straffen’ te wachten, straffen ‘die uw leven kunnen verwoesten’.

Fred Bergfeld was een van degenen die zich door dergelijke dreigementen niet lieten vermurwen. Geboren in 1925, en gestorven in 2006, had deze zoon van een Amsterdamse sigarenhandelaar tijdens de oorlog deel uitgemaakt van een communistische verzetsgroep. Hij werd gepakt, zat negen maanden in Kamp Amersfoort, ontsnapte en aan het eind van de oorlog was hij actief bij de Binnenlandse Strijdkrachten van Overijssel. Maar eenmaal terug in Amsterdam, zo vertelt hij in het in 1995 door voormalig Waarheid-journalist Henny Zwart gepubliceerde boek Er waren er die NIET gingen, werd hij overvallen door de man met de hamer. ‘De spanning was over, de reactie kwam. Ik werd overspannen, zat uren voor me uit te staren. De mensen in m’n omgeving, m’n meisje, haar ouders, m’n verzetsvrienden, snapten het best, toonden begrip. Het Ministerie van Oorlog niet. Die stuurde begin 1946 een oproep. Of ik me maar wilde melden, het leger had soldaten nodig.’

Niet dus. Bergfeld, die eveneens tot de eerste lichting behoorde, dook onder, niet eventjes maar voor jaren. Aanvankelijk viel dat niet mee. Opnieuw werd hij opgejaagd, opnieuw sliep hij de ene nacht hier, de andere daar. ‘Het militaire apparaat was zeer actief in het opsporen van onwillige soldaten’, vertelde hij aan Henny Zwart. ‘Ze deden alles om je te kunnen pakken. In die tijd had ik drie paar ogen en oren. Familie, vrienden, bekenden, alle adressen waarvan ze maar vermoedden dat je daar kon zijn, werden gecontroleerd.’

Pas in 1949, na maar liefst drie jaar vluchten, vond hij een vaste stek, een zolderkamer bij een vrouw die in het verzet twee zoons had verloren. Vanaf dat moment kon hij ook samenwonen met het meisje dat hij aan het eind van de oorlog had leren kennen en hij kon, hoewel nog altijd illegaal, aan het werk gaan. Maar een vak leren was onmogelijk. Dat kon pas enkele jaren later, nadat hij zijn straf had uitgezeten en was ontslagen uit militaire dienst.

De jaren vijftig waren ruimschoots voortgeschreden en Fred was ver in de twintig. Kapot was zijn leven niet. Daarvoor was hij te zeer overtuigd van zijn gelijk. Maar zwaar getekend was hij wel, eerst door de vervolging tijdens, daarna door de vervolging na de oorlog. In zekere zin is deze laatste vervolging volgens hem nooit opgehouden. Zo maakte hij tijdens een debat over Poncke Princen, Nederlands beroemdste Indië-deserteur, begin jaren negentig nog mee dat iemand in de zaal vroeg waarom hij niet meeklapte bij de opmerking dat landverraders als Princen alsnog afgeschoten moesten worden. Een antwoord was eigenlijk niet nodig. Bergfeld kreeg te horen dat ook hij een verrader was en dat hij eveneens de kogel verdiende. ‘Daar zit je dan met je verzetskruis op je revers.’

Het opjagen van Bergfeld ging inderdaad gepaard met praktijken die je in naoorlogs Nederland niet voor mogelijk houdt. ‘Om een uur of elf ’s nachts werd de buurt afgezet’, vertelde een van de onderduikers aan twee studenten die in 1983 een doctoraalscriptie over het onderwerp schreven (Al weer iets groots verricht: Hoe Nederland zijn Indië-deserteurs tot de laatste man berechtte). ‘In de tuin en voor de deur, overal stonden soldaten, MP’ers met geweren. Ik lag heerlijk te pitten en toen werd ik wakker geschud. Meekomen. Ik kleedde me aan en ging naar beneden. Voor de rest kon ik niets doen. Kom ik op straat. Militaire politie, jeeps, een hoop volk om je heen. Je komt eruit alsof je een misdadiger was, alsof ze een van de grootste boeven aller tijden gevangen hadden.’

Er waren ook andere methodes. Als een weigeraar getrouwd was, dreigden ze zijn vrouw, indien mogelijk, met stopzetting van de uitkering. Distributiebonnen werden ingehouden. Zo ook, vanzelfsprekend, de kostwinnersvergoeding. Telkens en op de meest onverwachte momenten werden de huizen van de echtgenote, de ouders en familielieden bezocht. Er werd sterke morele druk uitgeoefend, onder meer door een persoonlijk bezoek van de burgemeester. Het was kortom niet eenvoudig de rug recht te houden.

Degenen die dat toch deden en werden gepakt werden in afwachting van hun proces aanvankelijk naar Schoonhoven gestuurd. Maar het beleid van de man die het daar voor het zeggen had, luitenant-kolonel J. Termaten, werd als te soft ervaren. Hij probeerde de jongens te overreden en stuurde ze zelfs naar huis als ze beloofden alsnog naar Nederlands-Indië te gaan. In dat geval hoefden ze volgens hem ook niet voor de Krijgsraad te verschijnen. Dat zette kwaad bloed bij degenen die uit vrije wil gingen, veroordeeld werden of van hun weigering anderszins nadelen ondervonden. Daarom werden deserteurs vanaf maart 1947 naar elders overgebracht, onder meer naar Fort Ruigenhoek bij Utrecht of Barakkenkamp Damstersingel in Groningen. Het leven daar was geen lolletje – dat was het in Schoonhoven trouwens ook niet. De weigeraars werden keihard gedrild, stevig ondervraagd door de legerpsychiater, destijds een nieuw fenomeen dat was overgewaaid uit de VS, en op allerlei andere manieren (geen verlof, geen bezoek, geen cadeautjes) murw gemaakt.

Hoewel de eerste lichting deserteurs na hun arrestatie aanvankelijk alsnog op de boot werd gezet, met de bedoeling dat zij in Batavia berecht zouden worden, kwamen de strafzaken vanaf de zomer van 1947 voor een zogenoemde Krijgsraad te velde, een militair tribunaal dat zijn zetel in Rotterdam had. Daar werden per dag en in een tijdspanne van een uur of vijf zo’n dertig zaken behandeld. Dat betekende dat voor elke weigeraar niet meer dan tien minuten uitgetrokken werden en het vonnis louter geveld werd op basis van informatie die door derden (rechercheurs, psychiater) en eventueel de beklaagde zelf was verschaft. Voor toelichting, motivatie, bijzondere omstandigheden of andere overwegingen was geen ruimte. Pats-boem, snelrecht. En beroep, zoals in het Krijgsraadrecht gebruikelijk, was in theorie niet mogelijk. Later veranderde dit, maar dat betekende in lang niet alle gevallen een verbetering. Het Hoog Militair Gerechtshof legde in sommige gevallen zelfs zwaardere straffen op.

Van de eerste 950 veroordelingen kreeg bijna de helft niet meer dan een jaar gevangenisstraf, 152 jongens kregen tussen de één en twee jaar, 94 tussen de twee en drie, 165 tussen de drie en vier en 83 tussen de vier en vierenhalf jaar. Aldus de cijfers uit een artikel in de socialistische De Vlam, Weekblad voor Vrijheid en Cultuur van oktober 1949. Later werden nog ruim vijftienhonderd anderen veroordeeld, voorzover na te gaan tot min of meer vergelijkbare straffen. Bijna evenveel (1460) weigeraars ontsnapten aan een oordeel doordat ze ondergedoken bleven, net zo lang wachtten tot de belangstelling verdwenen was of naar het buitenland vertrokken.

Overigens stak achter de oorspronkelijke strafmaat een interessante redenering: dat de veroordeelde weigeraars niet eerder op de arbeidsmarkt mochten komen dan degenen die wél naar Indië waren gegaan; het werd als oneerlijke concurrentie beschouwd.

Het regime in de gevangenissen waar de circa 2500 veroordeelde Indië-weigeraars terechtkwamen, was relatief modern, met dien verstande dat zo veel mogelijk geprobeerd werd de gevangenen niet te laten ‘declasseren’ (door aanraking met criminelen of voormalige collaborateurs) en ze aan het werk te zetten. Vandaar dat een flink aantal van hen in de Limburgse mijnen terechtkwam. Daar onderscheidden zij zich overdag niet of nauwelijks van andere arbeiders. Maar ’s avonds zaten ze opgesloten; bezoek, verlof en andere vrijheden waren beperkt.

Halverwege de jaren vijftig, in enkele gevallen iets later (het laatste proces dateert uit 1958), was het allemaal voorbij. De Indië-weigeraars integreerden in de samenleving, Nederlands-Indië was oude koek, de politionele acties werden vergeten, een nieuwe tijd begon. Kortom, zand erover.

Eind jaren zestig kwamen de gebeurtenissen in Nederlands-Indië opnieuw in de belangstelling, het duurde tot de tweede helft van de jaren tachtig dat de dekolonisatie onderwerp werd van een scherp publiek debat. Dat debat, dat het afgelopen jaar ook in De Groene Amsterdammer plaatsvond, duurt tot op de dag van vandaag. Terugkerende kwesties in dat debat zijn dat er destijds ontoelaatbare dingen waren gebeurd, dat nogal wat Nederlandse soldaten zich schandalig hadden gedragen, dat de hele constellatie nauwelijks tot iets anders dan ontsporing van geweld kon leiden. De dienstweigeraars hadden het dus goed gezien en in ieder geval hadden zij het goed gedaan. Nederland had nooit aan dat ‘politionele avontuur’ moeten beginnen. Men had zo snel mogelijk de onderhandelingstafel moeten opzoeken. De verscheping van zoveel troepen was niet nodig geweest. Vanuit de toenmalige optiek viel het gebeurde weliswaar te begrijpen, maar goed was anders. Sinds de verschijning van de Indische delen van Het Koninkrijk van Loe de Jong tussen 1984 en 1986 is er een massa literatuur verschenen waarin dit op de een of andere manier wordt betoogd of geïllustreerd.

Ten gevolge van alle beroering rond de gebeurtenissen in voormalig Nederlands-Indië wisten ook enkele voormalige dienstweigeraars elkaar opnieuw te vinden. In oktober 1988 vond in Dronten een eerste bijeenkomst plaats. Zo’n 350 mannen waren aanwezig. Het werd een emotionele belevenis. Velen hadden elkaar 35 jaar niet gezien. Velen spraken voor het eerst over hun ervaringen. Bijna niemand had zoiets ooit in het openbaar gedaan. Het woord ‘eerherstel’ viel. De bijeenkomst werd gesteund door nogal wat organisaties, partijen en vooraanstaande personen zoals Pax Christi, Oud-verzetsstrijders Nederland, ppr, cpn, psp, Henk Gortzak, Jan Wolkers en Ger Harmsen.

Vooral Harmsen, historicus en (geroyeerd) communist, zette zich enorm in voor de groep en hield tijdens de bijeenkomst in Dronten ook de keynote speech – het materiaal hiervoor is terug te vinden in zijn archief op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. In deze speech lichtte Harmsen de geschiedenis van de Indonesië-dienstweigering toe en vertelde hij over de repressie. Fel vocht hij het heersende en ook door Loe de Jong geschetste beeld aan dat de weigeraars veelal plattelandssukkels waren die de grote wereld vreesden. Dat beeld was onjuist. De meeste weigeraars hadden volgens Harmsen politieke motieven.

Vermoedelijk is ook dit niet meer dan een gedeeltelijke waarheid. Er waren inderdaad heel wat weigeraars met politieke motieven, maar de meesten handelden uit pragmatische overwegingen, terwijl enkelen principiële (antimilitaristische) redenen hadden.

De bijeenkomst in Dronten had tot gevolg dat twee ppr-politici Kamervragen stelden. Een daarvan luidde: ‘Bent u [de minister] bereid, in overleg te treden met de initiatiefgroep eerherstel Indonesië-weigeraars om op enigerlei wijze naar eerherstel te zoeken voor de militairen, die weigerden naar Indonesië te gaan en daarvoor tot vaak jarenlange gevangenisstraffen zijn veroordeeld?’ Het antwoord van het kabinet-Lubbers was duidelijk: nee. De regering meende zich niet te moeten mengen in een historisch debat.

In de openbaarheid werd dit debat ondertussen wél gevoerd. Weliswaar nog altijd in kleine kring, maar het sijpelde door naarmate de irritatie, de schaamte en het schuldgevoel over de gebeurtenissen in naoorlogs Nederlands-Indië toenamen. Er was geen groots werk verricht. Integendeel. Het was er herhaaldelijk mensonwaardig aan toegegaan. Beter dit volmondig te erkennen dan te blijven kronkelen in duizend bochten.

In dit kader passen ook de vele berichten, brochures, blogs en autobiografische publicaties die in de afgelopen 25 jaar over de Indonesië-weigeraars zijn verschenen. Een spraakmakend voorbeeld is de bekladding c.q. ‘artistieke aanpassing’ in 2000-2001 van het Leidse Indië-monument: van de drie mannetjes op dat monument werd er één weggehaald, terwijl de resterende twee met rode verf werden overgoten. Ook werd de tekst ‘Een afscheid zonder thuiskomst, 1945-1950’ (ter herinnering aan 26 gevallen plaatsgenoten) aangevuld met een groot ‘Velen gingen niet’. Hoewel dergelijke activiteiten en publicaties bijna uitsluitend uit links-kritische, pacifistische kring voortkwamen, breidde die kring zich uit, zoals ook het gevoel van schaamte over de toenmalige gebeurtenissen groter werd. Doorslaggevend in deze waren de berichten aan het eind van de twintigste eeuw over de naoorlogse omgang met joodse goederen, de terugkerende concentratiekampgevangenen, plus de Srebrenica-affaire. Een gevoel van ongemak doortrok de politiek. Dat was in het voordeel van de Indonesië-weigeraars.

De afgelopen maanden zijn de pogingen tot eerherstel welhaast zeker een laatste maar ook de meest concrete fase ingegaan. Op hetzelfde moment verschijnen tal van artikelen en ook het boekje Indonesië-weigeraars (te verkrijgen via Blurb) met ontroerende foto’s, mooie verhalen en een goede documentatie. Belangrijkste reden voor deze hernieuwde poging tot eerherstel is het verzoek van twee weigeraars aan de Hoge Raad tot herziening van hun vonnis. Initiatiefnemer is de sinds 2005 bestaande Stichting Komite Utang Kehormatan Belanda (Stichting Comité Nederlandse Ereschulden). Deze streeft naar ‘erkenning en excuses van de Nederlandse regering aan de Indonesische slachtoffers, erkenning voor de oorlogsschade, roof, rechtsherstel en het leed dat het Indonesische volk heeft ondergaan’. Het gaat deze stichting in de eerste plaats om de gepleegde oorlogsmisdaden, maar ook om degenen die geweigerd hadden daaraan mee te doen. De zaak van de twee weigeraars diende op 14 mei. Twee dagen later publiceerde Harry van Bommel zijn stuk in de Volkskrant. Op 25 juni kwam de raad met zijn uitspraak. Die was zoals te verwachten: negatief. Van herziening van het vonnis zal geen sprake zijn. Tegelijkertijd staat het als een paal boven water dat de toenmalige politieke en juridische maatregelen onjuist zijn geweest. Historiografische erkenning daarvan is het minste wat er kan gebeuren.


zie groene.nl voor Dossier Pijnlijke geschiedenis