Dáárom moet het slavernijverleden opgerakeld worden

In de eerste aflevering van de podcastserie De plantage van onze voorouders vraagt de moeder van maker Maartje Duin: ‘Waarom moet het allemaal opgerakeld worden?’ Duin heeft dan net verteld dat ze de sporen van het slavernijverleden in haar eigen familiegeschiedenis gaat onderzoeken. ‘Omdat’, zegt Duin tegen haar moeder, ‘het nog niet opgerakeld ís.’ Ze is erachter gekomen dat een voorouder een aandeel heeft gehad in plantage Tout lui faut in Suriname en dat veel van de tot slaaf gemaakten de achternaam Bouva dragen. Duin komt in contact met Peggy Bouva, een nazaat, en samen gaan ze op zoek naar hun gezamenlijke verleden.

Dat is precies wat er de laatste jaren steeds vaker gebeurt: ook de zwarte bladzijden uit de geschiedenis worden onderzocht en bespreekbaar gemaakt. Het begint al bij de basisvragen: wat is er precies gebeurd? Wie had daar een aandeel in? Remco Raben, hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de UvA, zegt in De Groene van 8 oktober: ‘Er is in Nederland veel meer aandacht ontstaan voor het geweld van het kolonialisme: incidenteel geweld, maar ook economisch geweld, slavernij, systematisch geweld. Dat is winst voor historici, die te danken is aan activisten die het op de maatschappelijke agenda hebben gezet.’

Het is geen toeval dat de Amsterdamse gemeenteraad vorig jaar een initiatiefvoorstel aannam met de volgende tekst: ‘Het is hoog tijd voor Amsterdam om formele excuses aan te bieden voor haar rol in het slavernijverleden. Het is tijd om de identiteit van onze stad opnieuw te kunnen definiëren zonder de ballast van het verleden, maar wel met de kennis ervan en de verzoening in de toekomst.’

De betrokkenheid bij slavenhandel werkt door in het Amsterdam van vandaag

Het is de reden dat Amsterdam opdracht gaf aan vier onderzoekers, met daarin twee centrale vragen: hoe was het Amsterdamse stadsbestuur betrokken bij de slavenhandel en slavernij in het Atlantisch gebied én Azië en hoe vertaalt deze rol zich in de doorwerking van en omgang met het Amsterdamse slavernijverleden? En dat was broodnodig, want de belangrijkste conclusie uit het onderzoek, dat resulteerde in het boek De slavernij in Oost en West, is dat het Amsterdamse stadsbestuur direct, wereldwijd, grootschalig, veelzijdig en langdurig betrokken was bij slavenhandel en slavernij. Die betrokkenheid werkt door in het Amsterdam van vandaag.

Een geschikter moment voor formele excuses dan volgend jaar is er amper. Het is dan zowel vierhonderd jaar geleden dat de voc op de Banda-eilanden de eerste volledig op slavernij gebaseerde kolonie onder Nederlands bestuur inrichtte, als vierhonderd jaar sinds de oprichting van de wic, die al snel daarna de leiding nam over de Nederlandse slavenhandel in het Atlantisch gebied. Amsterdam was in beide ondernemingen zowel medegangmaker als belangrijkste begunstigde, schrijven de onderzoekers.

Maar, schrijft Chris van der Heijden in een dossier over ons koloniale verleden: ‘Ergens rond 1900 begint het denken over de verhoudingen tussen – wat met een dwaze term ooit heette – moederland en koloniën definitief te kantelen, in het voordeel van de laatste. Een keerpunt dus.’

Dat het daarna nog zo lang heeft geduurd voor we ‘het’ kunnen oprakelen, zoals Duin haar moeder voorhoudt, en dat het nog steeds voor veel weerstand zorgt, is geen excuus meer om het niet te doen. Want wat De plantage van onze voorouders zo goed maakt, is dat er naar elkaar geluisterd wordt, en dat begint met het erkennen van de pijn van de ander en van de eigen kwalijke rol.