Daarom tsjechov

EEN VAN DE openingsvoorstellingen van het Internationaal Theaterschool Festival in Amsterdam is Hedda Hedda. Ze wordt aangekondigd als een klucht, tekst en regie: Gerardjan Rijnders. De artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam heeft een avond met de afstudeerklas van de Amsterdamse Toneelschool doorgezakt, en met de fles op tafel is er veel losgekomen over het erbarmelijke leven van een afstudeerklas aan de Amsterdamse Toneelschool.

Het stuk gaat over de achterkant van een opvoering van Ibsens Hedda Gabler door een groep afstuderende toneelschoolstudenten. Het toneelbeeld is een realistische afdruk van de ellende in de nieuwe Amsterdamse toneelschool: weinig inspirerende gangen met veel deuren waarachter zich een boel rotzooi afspeelt. We krijgen fragmenten van die ellende te zien.
De vertolkster van Hedda vindt haar prestatie ‘kut’, ze wil zelfs helemaal niet meer op, maar ze laat zich toch overhalen, een van haar tegenspeelsters gaat het vanavond 'helemaal anders’ doen, iedereen heeft het over de manipulaties achter de schermen door ene André, een van de acteurs rukt zich drie tot vier keer per dag af omdat hij het neuken wil uitstellen, en begint vervolgens in de gang een vrijpartij met een actrice die zojuist heeft laten weten dat ze een aidstest heeft gedaan en op de uitslag wacht - het kan niet op!
Tegen het eind horen we via de intercom de slotscène van Hedda Gabler en het daverende applaus. Dan is er nog een apotheose waarin de plot van deze klucht geraffineerd wordt afgewerkt - we verklappen niet wélke plot, ze stelt ook niet veel voor.
Er werd door de jonge acteurs overigens enerverend gespeeld, de one-liners van Gerardjan Rijnders gingen er bij het publiek in als bijbelspreuken in een zaal vol ouderlingen, de inside-grappen over soaps of over de acteur die een bijrol in de serie Baantjer had binnengewinkeld, het scoorde allemaal leuk. Maar het gebodene interesseerde me geen lor. Hedda Hedda oogt als bijzonder overbodige voorstelling.
MISSCHIEN is de voorstelling wel bedoeld als commentaar op de vraag achter de eindeloos herhaalde vertoning van klassiekers. Ik kan me levendig voorstellen dat die vraag je als aankomend acteur naar de keel vliegt: waarom moet dat 'ouderwetse’ stuk opnieuw worden gespeeld? Wát zit er in die toneeltekst dat we nog niet over ons eigen leven hebben ontdekt?
Welke verborgen levenssappen bevat bijvoorbeeld Oom Wanja, een tekst uit 1897, van Anton Tsjechov? Dat stuk staat het komend seizoen maar liefst drie keer op het repertoire van Nederlandse en Vlaamse toneelgroepen: bij de Brusselse KVS (regie: Albert Lubbers), bij Fact (regie: Ivar van Urk) en bij Toneelgroep Amsterdam (regie: Titus Muizelaar). De derde klas van de Toneelschool Amsterdam heeft deze Tsjechov-tekst dit jaar tot uitgangspunt genomen van haar eindejaarsproduktie, in de regie van acteur Victor Löw. De voorstelling is op het Internationaal Theaterschool Festival twee keer te zien.
Nog één keer die vraag: waarom worden Ibsens Hedda Gabler, Shakespeares Hamlet en Tsjechovs Oom Wanja zo vaak gespeeld? Het antwoord is vrij eenvoudig. In deze drie teksten wordt een existentiële levensvraag snoeihard gesteld: waarom verder leven in een wereld die alleen maar uitnodigt tot zelfmoord? Tsjechovs antwoord in Oom Wanja is vrij banaal: 'Prachtig weer om je op te hangen.’
De voorstelling van de groep derdejaarsstudenten van de Amsterdamse Toneelschool vindt plaats in een sober decor. Er zijn drie hoge zwarte wanden. Rechts staan vijf klassieke stoeltjes, achter rechts een oude bank met de rug naar de zaal, achter links een chaise-longue, ook met de rug naar de zaal. Links van het midden is een rond podium met kussens, waarboven een soort stoelmand hangt. Linksvoor staat een foeilelijke stoel, met ernaast een kleine tafel, waarop het kadaver van een konijn ligt.
In het achtertoneel hangen twee monitoren op ongelijke hoogte. Ze produceren voornamelijk geluidloze ruis. Wanneer het in het tweede bedrijf van Oom Wanja onweert, komt op de monitoren tergend langzaam het woord 'onweer’ voorbij. Als het stuk over zijn hoogtepunt heen is, slaan de twee monitoren op zwart.
Ergens achterin staat een tafel, vol glazen en flessen. Bovenin hangt een raam met acht ruitjes; op een van de ruitjes staat 'Jelena’ geschreven, daaronder een hart met een pijl erdoorheen.
Ik omschrijf het speelvlak zo uitgebreid vanwege de banaliteit. Oom Wanja is een banaal stuk. De speelvloer ziet eruit als het stuk wanneer je het voor de eerste keer leest: stomme mensen in een stomme omgeving. Alles lijkt ingevuld, iedereen kiest meteen een eigen plek. Tjebbo Gerritsma (Wanja) gaat linksvoor in zijn losjes dichtgeknoopte kamerjas op die lelijke stoel zitten. Hij lijkt er niet van los te kunnen komen; áls hij er eenmaal van los komt, lanceert hij zichzelf als een projectiel.
WANJA IS de spil van dit drama. Hij woont al jaren op een verlaten landgoed in de provincie met zijn nicht Sofja, meestal Sonja genoemd (Hildegard van Nijlen). Wanja is ongelukkig en verliefd op de tweede vrouw van zijn zwager, in het stuk professor Serebrjakov, in deze voorstelling een aan lager wal geraakte dichter (prachtig gespeeld door Waldemar Torenstra), gehuwd met de jonge Jelena (Heleen Parser). Sonja is ongelukkig en verliefd op de arts Astrov (Wolter Muller), die regelmatig op het landgoed langskomt, onder meer om Serebrjakovs kwaaltjes te behandelen.
De verliefdheden van die vier - Wanja op Jelena, Sonja op Astrov - vormen het centrum van het drama. Dat is ook het magistrale van dit stuk: Wanja en Sonja willen eigenlijk niet meer leven, maar ze hebben ervoor gekozen om hoe dan ook door te gaan. Jelena en haar oude meneer Serebrjakov weten niet eens meer waarom ze leven, maar ze doén het, alsof ze een automatische piloot hebben ingeschakeld.
Het wonder van deze voorstelling, de magie die Victor Löw in zijn acteurs en actrices heeft losgetikt, is de bijna nonchalante manier waarop die automatische piloot van Tsjechovs personages wordt getoond. Een voorbeeld. De huisarts Astrov wordt in het geniep bemind door Sonja. Zij openbaart in het tweede bedrijf 'over de band’ - zij spreekt over een ander personage dan zichzelf - haar liefde voor de dokter. Tijdens deze scène gaat de hand van Astrov langzaam maar zeker in haar broekje. Híj doet wat zíj verlangt, we zien waarnaar zij verlangt, we zien wat hij allang niet meer wil maar bijna mechanisch uitvoert - de twee personages spreken er niet meer over.
Fraai centrum in deze voorstelling is Jeroen van Venrooij. Hij speelt drie Tsjechov-rollen tegelijk: de moeder van de professor (overleden verklaard maar in tekst nog zeer aanwezig), de failliete grootgrondbezitter Telegin, en Marina, een oude 'min’, een soort peettante en huishoudster. Verzorgend en wegpoetsend loopt deze drietrapsraket rond, voortdurend poetsend met een duizenddingendoekje. Aan het eind krijgt hij de ruimte voor een uitval, een poging om alles op een rij te zetten vanuit de positie van de observator - een overigens hopeloze poging, zijn uitval komt te laat, er valt niets meer te redden.
Dat eind van de voorstelling is vrij wanhopig. Iedereen gaat weg, maar niemand vertrekt, iedereen blijft zitten waar hij of zij zit. De professor - in deze voorstelling een aan coke verslaafde dichter - zakt voor de zoveelste keer in elkaar. En Sonja spreekt de gruwelijke slottekst van het stuk. 'Wanja, je hebt geen plezier gekend in je leven. Maar we zullen rusten. We zullen rusten.’
Het licht dooft. e weet dat niemand zal rusten. Zo eindigt de voorstelling: in onrust, in compassie met deze troosteloze figuren. Een wanhopige herrie in hun hoofd.