Ger Groot

Dada

De Zürichse Spiegelgasse is om twee dingen beroemd. Vladimir Oeljanov heeft er gewoond en schuin tegenover hem was het Cabaret Voltaire gevestigd. Lang heeft dat niet geduurd. Reeds na een paar maanden zei de Nederlandse café-eigenaar Jan Ephraim het kunstenaarsgroepje rond Hugo Ball de huur op wegens tegenvallende bierverkoop. Ook Oeljanov had moeite met de huur. In maart 1917 vertrok hij met geheime Duitse steun naar Rusland om er als «Lenin» de revolutie te leiden. Hugo Ball was driekwart jaar eerder uitgeweken naar de Salle zur Waag, om er op 14 juli zijn soirées Dada te hervatten.

De invloed van de laatste zou in de twintigste eeuw binnen de kunst even groot zijn als die van de eerste op het toneel van de wereldpolitiek, schrijft Geert Mak in zijn Europa-boek (Atlas). Dat is, wat Lenin betreft, een wrange vaststelling. De balans kwam bij het sluiten van de eeuw neer op een politiek, moreel en financieel bankroet. Bij die verwoesting zinkt de vrolijke anarchie van Dada in het niet, hoe fel het ook van zijn kant gedreven werd door eenzelfde haat jegens het burgerdom.

Wat in het Cabaret Voltaire hoogtij vierde, was de ontluistering van de grote cultuur, van het kunstenaarsgenie en vooral van een hoogdravende plechtigheid waarop de ware Bildung zich beriep. In plaats daarvan kwamen brabbeltaal, blasfemie en scatologie, in een mengsel van parodie en provocatie. De vorig jaar verschenen bundel Een avond in Cabaret Voltaire (Vantilt) geeft er met teksten van Tristan Tzara, Richard Huelsenbeck en Hans Arp een aardige indruk van. In een kerstspel van Hugo Ball balkt de ezel lang durig «ia ia», loeit de os «meuh meuh» en bidden Jozef en Maria: «ramba ramba ramba – m – bara rambababababa». Klokken en klokjes luiden tot slot: «Bim bam boem, gong gong.»

Een kleine eeuw later roept dat in zijn studentikoosheid een zekere gêne op, zoals ook de cabareteske humor uit de jaren vijftig dat doet. Dada werd door zijn eigen succes snel overtroefd en bewees zijn vruchtbaarheid in de avant-gardes die eruit voortkwamen. Zelf bleef het, schrijft Maarten Doorman in zijn zojuist verschenen boek De romantische orde (Bert Bakker) «vooral een negatieve beweging» waarvan «moeilijk is vast te stellen waar zij ondanks haar vitaliteit inhoudelijk voor stond».

Cabaret Voltaire en de latere soirées Dada waren de eerste voorbeelden van wat later happening of performance zou gaan heten. Ze waren belangrijker als gebaar dan als resultaat. De nihilistische humor ervan bleek, zoals de meeste geestigheid, beperkt houdbaar en moest vervliegen in wat als kubisme, surrealisme of zelfs Nieuwe Beelding een plan en een toekomst had, compleet met manifesten en zelfs wetenschappelijke pretenties. Pas daarmee kon de schok van de provocatie scheppend worden. Toen de Duitse Dada-beweging enthousiast begon te worden voor Lenins revolutie liep ze onherroepelijk al op haar laatste benen.

Maar net zo min als het bolsjewisme konden ook de zelfbewuste erfgenamen van Dada rekenen op blijvend krediet. Aan het eind van de eeuw begon er twijfel te rijzen aan een kunst die haar status ontleende aan de overschrijding van steeds weer nieuwe grenzen.

Kunst en politiek zijn elkaars medeplichtigen geworden in hun geloof in eenzelfde dialectiek, die Doorman «romantisch» noemt. De revolutie vormt daarvan de motor, en de brandstof is de getaboeïseerde status-quo: onmisbaar omdat er zonder hem niets om te wentelen valt.

Vanaf Dada is de twintigste eeuw daardoor gefascineerd geweest, maar nu is de rek er uit. Een politiek van permissiviteit roept vanzelf om haar eigen demonen van normen en waarden, en een kunst waarin alles toegestaan en dus ook reeds gedaan is, grijpt van de weeromstuit terug op rijm, tonaliteit en perspectief. Doorman suggereert, zonder het uit te spreken, dat er zich een geschiedenis opent aan gene zijde van de dialectische vooruitgang.

Ook in de jaren dertig mondde de avant-garde al uit in een retour à l’ordre, en dat ging verbazingwekkend makkelijk. Alleen het nietzscheaanse, affirmatieve «nee» van Dada lijkt irrecuperabel. Of niet? In Zürich wordt het Cabaret Voltaire in oude luister hersteld. Met geld van de gemeente en van de firma Swatch.