DAVID MITCHELL, DE NIET VERHOORDE GEBEDEN VAN JACOB DE ZOET

Dadels eten op de wachttoren

David Mitchells De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet begint met een acht pagina’s durende bevalling waarbij de adem in je keel stokt. Alles wijst erop dat de dwarsliggende foetus dood is, maar door de uitvoerige beschrijving van de handelingen en vooral ook de overwegingen van de vroedvrouw - het naar buiten stekende armpje amputeren, het dode kindje met de verlostang in stukken naar buiten trekken en… nee, toch maar niet amputeren, toch maar het hoofdje bevrijden dat verstrikt is in de navelstreng en het lijfje in z'n geheel halen - voedt de auteur stukje bij beetje de verwachting dat misschien tóch…

Medium 9789089530097 david mitchell de niet verhoorde gebeden van jacob de zoet 178

De scène is typerend voor het boek als geheel. Het verhaal van de belevenissen van de jonge VOC-klerk op de Nederlandse factorij Deshima voor de Japanse kust rond 1800 ontleent zijn spanning goeddeels aan de manier waarop telkens, op micro- zowel als macroniveau, de uitkomst van een in gang gezette handeling wordt uitgesteld. Zo komt de bevalling pas ruim zeventig bladzijden en heel wat gebeurtenissen verder weer ter sprake als Jacob voor het eerst de vroedvrouw, Aibagawa, ontmoet en stante pede verliefd op haar wordt, en pas helemaal aan het eind schiet het dan tweejarige jongetje zelf, vlak voor de zelfmoord van zijn vader, nog even voorbij. Maar de meeste charme ontleent het boek aan de manier waarop dit uitstel telkens wordt opgevuld met noodzakelijke feitelijke informatie, zoals de inrichting van Deshima als Jacob zit te schetsen, maar vooral met verhalen en spannende gebeurtenissen die met de hoofdhandeling niets te maken hebben, zoals een aardbeving, kort daarop gevolgd door een tyfoon, die op zijn beurt weer wordt onderbroken door een verslag van een hofreis naar Edo, de beschrijving van die miljoenenstad, en het relaas van de plechtige ontvangst door de Shogun aldaar.

Sommige van de ingelaste geschiedenissen lijken me voor Nederlandse lezers nogal stereotiep, zoals de verhalen die Jacobs metgezellen - een geronselde verschoppeling, een uit een Batavisch weeshuis gevluchte halfbloed en een Duitse avonturier die nog in Suriname met de bosnegers heeft gevochten - tijdens een partijtje kaarten ophangen over hun verleden. Maar ze vormen wel een krachtig en daardoor functioneel contrast met de verhalen van Japanse kant, die vooral door hun exotisch gehalte soms wonderschoon zijn. Het mooiste voorbeeld vind ik het verhaal van het stokoude kruidenvrouwtje Otane over haar ontmoetingen met Aibagawa. De auteur ironiseert zelf de wat geforceerd aandoende truc om haar dat alles aan haar hond te laten vertellen: ‘Hij kent het verhaal al lang en breed, denkt Otane, maar hij vindt het niet erg het nog eens te horen.’ Maar het werkt wel.

De plot van het boek is de onmogelijke relatie tussen Jacob de Zoet, Aibagawa en de tolk Ogawa Uzaemon, die wordt gedwarsboomd door de machtige abt Enomoto, die weer tegengewerkt wordt door de eerlijke magistraat Shiroyama, vader van het indertijd toch nog levend ter wereld gekomen jongetje. De vijandschap tussen beide heren wordt prachtig verbeeld door het go-spel dat ze spelen, de witte stenen van Enomoto tegen de zwarte van Shiroyama:

'Als Wit weet te voorkomen dat de hoofdlegers van Zwart in dit late stadium verbonden worden…
… wordt mijn machtige rijk, ziet Shiroyama, in drie schamele leengoederen opgesplitst. De brug is er op twee kruispunten na. Shiroyama bezet er eentje…
… en Enomoto plaatst een witte steen op het andere. De krijgskansen keren.
Ik speel daar, dus hij gaat daar. Ik speel daar, dus hij daar. Ik speel daar…’

Hoe spannend de plot op zichzelf ook is, zonder al die beeldende beschrijvingen en ontroerende, gekke en ongelooflijke verhalen - de wraak van het zingende kistje van de vermoorde lintenverkoper, bijvoorbeeld - zouden we niet veel anders hebben gehad dan een exotisch jongensboek. Het is dáárin dat het schrijfplezier van de auteur zich manifesteert, en dat geldt misschien nog wel meer voor de quasi-achteloos door alle verhalen en gesprekken heen gestrooide beschrijvingen, soms een enkele zin ('De Kale Top hangt, onwaarschijnlijk als een toneeldecor, onder zware, verfrommelde wolken in de lucht’), soms ook bladzijden lang. Prachtig is de evocatie van de zonsondergang op een landerige achternamiddag als Jacob de Zoet al dadels etend op de wachttoren staat. En niet minder treffend zijn sommige beschouwende passages, zoals de gedachten van een slaaf over eigendom en vrijheid: 'Nee, een slaaf kan zelfs niet zeggen: “Dit zijn mijn vingers” of: “Dit is mijn huid”… Ooit bedacht ik de volgende vraag: Is mijn naam wel van mijzelf?… Mijn ware naam zeg ik tegen niemand. Dan kan niemand mijn naam stelen…’
Maar het sterkst zijn de gesprekken, die van de een op de ander heen en weer schieten en niet zelden onderbroken worden door heel andere gedachten en door van elders komend geluid. Als bijvoorbeeld Ogawa Uzaimon van Jacob diens exemplaar van Adam Smith’s De rijkdom der naties wil kopen, denkt die aan zijn verstopte psalmboek (de Japanners verbieden christelijke geloofsuitingen), terwijl tegelijkertijd 'hoekige meeuwen en kantige vliegers de azuurblauwe lucht doorkruisen’. In dit soort passages toont Mitchell een bijkans roekeloos meesterschap. Een meesterschap dat behalve op zijn verbeeldingskracht vooral berust op zijn stijl.

Dat laatste blijkt met name als tegen het eind de plot het grotendeels overneemt van de verbeelding. Het is dan ook jammer dat het Nederlands hier en daar de lenigheid en scherpte van het origineel mist. Maar voor het overige alle lof voor deze vertaling die, door alle scheepvaartkundige, medische en vooral Japanse termen, allerminst gemakkelijk moet zijn geweest.


DAVID MITCHELL
DE NIET VERHOORDE GEBEDEN VAN JACOB DE ZOET
Uit het Engels vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema,
Ailantus, 624 blz., € 24,95