Inertie binnen het kabinet

Dadenloos

Balkenende IV lijkt vooral bij elkaar te blijven uit angst voor de politieke partijen of bewegingen op de flanken. Ironisch genoeg speelt het kabinet die partijen of bewegingen daarmee juist in de kaart.

Voor SP-leider Jan Marijnissen was het vorige week vrij schieten. Wat het kabinet ook zou hebben besloten over het ontslagrecht, Marijnissen wist vooraf dat hij zijn grootste rivaal, vice-premier en pvda-leider Wouter Bos, altijd zou kunnen raken. Met het woord dat ze bij de pvda niet meer kunnen horen: draaien.

Dat het ontslagrecht, voorlopig in ieder geval, intact blijft, juicht de sp inhoudelijk toe. Trots wordt op de website van de partij vermeld dat alleen al het dreigen met stakingen voldoende is geweest. Maar om die uitkomst, de knikker, is het Marijnissen niet alleen te doen: het gaat hem ook om het spel met Bos en de pvda. Dus wees hij er met zichtbaar genoegen op dat Bos in ruim anderhalf jaar tijd als fractievoorzitter van de grootste oppositiepartij eerst vóór een versoepeling van het ontslagrecht was geweest, als lijsttrekker van zijn partij vervolgens tegen, als vice-premier daarna weer vóór – omdat hij had ingestemd met de adviesaanvraag over een voorstel tot versoepeling van minister Donner van Sociale Zaken afgelopen zomer, maar uiteindelijk toch weer tegen, toen zijn fractie en partij zich verzetten.

Was de uitkomst van het kabinetsberaad vorige week anders geweest, dan had Marijnissen zijn rivaal ook van draaien kunnen betichten. Dan zou Bos immers hebben ingestemd met een versoepeling van het ontslagrecht, waar zijn partij in het verkiezingsprogramma nog had beloofd dat daar geen sprake van kon zijn.

Zo was rondom het ontslagrecht goed zichtbaar waar professor Joop van den Berg begin dit jaar in een college op de Campus Den Haag van de Universiteit van Leiden voor waarschuwde: als een partij tijdens de kabinetsformatie te snel wordt geloosd, dan blijft de regeringscoalitie daar altijd last van houden. Elimineren is een kunst, zo hield Van den Berg zijn gehoor voor. Informateur Rein Jan Hoekstra had na de verkiezingen van een jaar geleden de gigantisch gegroeide sp te gemakkelijk richting de oppositiebankjes laten gaan. Daar houdt de 25 man sterke sp-fractie nu de pvda in haar greep. Waar de andere oppositiepartijen, ter rechterzijde, vervolgens weer met graagte gebruik van maken.

Van den Berg verwees naar de funeste gevolgen voor de pvda van de snelheid waarmee de sp was geloosd als mogelijke coalitiepartner. Daar komen inmiddels ook de gevolgen bij van de snelheid waarmee de coalitiepartners, cda, pvda en ChristenUnie, begin dit jaar de formatie vervolgens inhoudelijk afrondden. Dat leidde tot een regeerakkoord met veel open eindjes. Dat klinkt mooi en dualistisch, omdat dan niet alles vooraf is dichtgetimmerd. Maar gevoegd bij de angst voor de sp leidt dat inmiddels tot ruzies, crisissfeer, inertie en onderling wantrouwen.

Dit kabinet-Balkenende IV zit er nog geen jaar, maar inmiddels is er een rijtje onderwerpen samen te stellen van zaken waarvan het heeft besloten ze niet aan te pakken. Geen onderzoek naar Nederlandse stellingname inzake de oorlog in Irak, geen EU-referendum, geen versoepeling van het ontslagrecht, geen kilometerheffing ter bestrijding van de files, geen aanleg van de Zuiderzeelijn, geen handhaving van het oorspronkelijke standpunt over het zwaarder belasten van de topinkomens en geen strenge handhaving van de urennorm in het voortgezet onderwijs. Wouter Bos voegde daar afgelopen week nog aan toe dat dit kabinet geen energie zal steken in onderwerpen waar de coalitiepartners het niet over eens zijn.

Het beeld dat hieruit opdoemt, is dat van een kabinet dat vooral bij elkaar is en blijft uit angst voor de politieke partijen of bewegingen op de flanken. Ironisch genoeg speelt het kabinet daarmee juist die partijen of bewegingen in de kaart. Want hoe divers verschillende groepen kiezers over de hierboven genoemde onderwerpen ook zullen denken, in zijn totaliteit zien die kiezers politici die ‘niks voor elkaar krijgen’, de ‘files niet oplossen’, ‘weglopen voor de problemen’ of ‘hun afspraken niet nakomen’.

Als pvda-leider Bos dan ook nog eens aangeeft weg te zullen blijven van moeilijke onderwerpen, dan loopt hij weg voor het wezenskenmerk van de Nederlandse democratie, waar nooit slechts één partij het voor het zeggen heeft: in kabinetsverband zoeken naar oplossingen voor problemen waarover je als coalitiepartners aanvankelijk verschillend denkt om die compromissen vervolgens uit te leggen en te verdedigen.

Het is koren op de molen van juist die politici, ter rechterzijde, die aanhang krijgen door zich op te stellen als niet behorend tot ‘de Haagse kliek’, ook al zitten ze er inmiddels zelf ook al jaren. Geert Wilders’ Partij voor de Vrijheid en Rita Verdonks Trots op Nederland doen het goed, al is dat vooralsnog alleen in de peilingen. Zij kunnen, met de hulp van het huidige kabinet en niet gehinderd door een weerbarstige werkelijkheid, het beeld blijven oproepen dat als zij het voor het zeggen zouden hebben, de Nederlandse politiek één en al daadkracht zou zijn.

Ook de sp van Jan Marijnissen heeft op landelijk niveau nog niet hoeven laten zien dat regeren in Nederland betekent dat je compromissen moet sluiten. Vooralsnog is zijn partij daar wel bij gevaren, getuige de laatste verkiezingen.

Maar de angst bij de pvda voor de sp draagt er inmiddels toe bij dat de, weliswaar virtuele, winst op de rechter flank binnenloopt. Dat moet niet alleen het kabinet, maar ook de sp aan het denken zetten.