De slag op de Mokerheide

«Daer geschiede groote moort»

Veldslagen bestaan tegenwoordig niet meer. De Amerikanen rukten op naar Bagdad en na ruim een week was alles achter de rug. Hoe was dat 430 jaar geleden, toen er nog echte veldslagen waren? Op zoek naar de waarheid rond een beroemde slag op Nederlands grondgebied, de Slag op de Mokerheide, 14 april 1574.

In 1574 was Requesens landvoogd van de Spaanse koning Phillips II der Nederlanden. Hij probeerde steden te veroveren en sloeg een beleg voor Leiden. Het leek hét moment voor een afleidingsmanoeuvre. Lodewijk en Hendrik van Nassau, twee broers van Willem van Oranje, die zelf in Delft resideerde maar in april bij zijn troepen in de buurt van Geldermalsen verbleef, besloten met Franse steun vanuit het zuiden een inval te doen in de Nederlanden. Die opzet mislukte jammerlijk. Op 14 april 1574 vond de Slag op de Mokerheide plaats, waarbij de twee broers omkwamen en hun leger vernietigend werd verslagen. Volgens een brief van een Spaanse commandant aan Requesens stierven meer dan vierduizend soldaten aan Nassau-kant.

Volgens Pieter Bor, een van de eerste geschiedschrijvers over de Tachtigjarige Oorlog, hadden op 3 februari 1574 de burgers Goossen Ewouts, Schuitemaker, Herman Croon, Jan Pietersz. Verhulst, Jacob van Es en Hubrecht Jansz. een visioen over een veldslag. Om twee uur ’s nachts zagen zij in de lucht boven de stad Utrecht «twee strijdende partijen». Eén groep strijders kwam uit het noordoosten en een uit het zuidoosten. Ze zagen het «aenleggen en afgaen van de roers» (geweren), ze zagen veel spiesen, «noch meer als in een wout bomen zijn». De troepen uit het zuidoosten trokken zich goed georganiseerd terug. Bor schrijft dit in 1595 in zijn boek De Nederlandsche Historien en beweert dat dit een voorspellend visioen was over de Slag op de Mokerheide, die op 14 april van dat jaar zou plaatsvinden en waar volgens zijn schattingen zeker vierduizend soldaten van het opstandelingen leger van de Nassaus om het leven kwamen.

Merkwaardig verhaal. Bor vertelt dat die burgers ermee naar een van de schoutdienaren waren gelopen en dat de beschrijving van de plaats van de slag aardig klopt. Was hij ooit in Mook? Ik begin in andere vergeelde boeken te bladeren, op zoek naar details over deze veldslag, probeer me duizenden met elkaar vechtende mannen voor te stellen, lees dat het leger van Lodewijk van Nassau, de broer van Willem van Oranje dus, vanaf maart 1574 vanaf Maastricht rechts langs de Maas omhoog marcheerde. Wat moet je je bij een «optreckende armee» voorstellen? Goede wegen waren er niet, maakten ze zelf paden?

Ik vind een ooggetuigenverslag van een Duitse priester die in 1579 ergens bij Augsburg een leger voorbij ziet trekken, hij weet niet eens wie het zijn. Vanuit de verte hoorde hij een soort gedonder en geruis, er waren stofwolken te zien en ineens zijn ze er. Eerst passeren stille mannen op wagens met voor en achter paarden, soms een paar kleurig bepluimde heren op een paard, zorgelijk kijkend, honderden paarden achter wagens, karren, ossen, wapens op platte wagens neergesmeten, daartussen ook voortsjokkende kerels in grauwe kledingstukken, de priester telt er een paar duizend, veel officieren ziet hij niet. Namen die een andere route, of herkende hij ze niet? En dan vooral zijn verbazing over het enorme gevolg, de tros van het leger heette dat, duizenden volgestouwde wagens met vrouwen, kinderen, honden, volgeladen karren met eten, huisraad, stoelen, banken, tot en met vogeltjes in kooien, kleding, tenten, geiten en ossen erachteraan, kinderen moeten ze opjagen. Wie geen zin meer heeft om door te lopen of te rijden, blijft achter, de rest sjokt door. De priester stelt vast dat de tros drie keer zo groot is als het leger zelf, het duurt uren voordat alles voorbij is getrokken. Hij had zich, net als ik, er veel meer van voorgesteld: dappere mannen met veel trompetgeschal en rinkelende zwaarden.

Ik lees Emanuel van Meteren, die in 1614 over de slag schreef en vertelde dat de huurlingen van Lodewijk van Nassau vlak voor de slag over geld begonnen te zeuren: «Geld, geld, geld!» riepen ze in koor, waarop Van Nassau dus allerlei vage beloften moest doen.

Ik lees het vertaalde, oorspronkelijk in het Latijn geschreven verslag van Famiano Strada (1572-1649) uit het begin van de zeventiende eeuw, die hetzelfde geldverhaal optekent, ik vermoed dat het van hem afkomstig is. Hij vertelt ook het verhaal van ene Petrus Antonius Perotti, die bij Mook aan Spaanse kant vocht en die zijn lans zag afbreken toen hij op «den vijandt» af was gestormd en die zijn degen niet kon trekken omdat zijn gevest was afgebroken en daarom boven op de dichtstbijzijnde ruiter was gesprongen, diens zwaard uit zijn hand had gerukt en hem vervolgens had doodgestoken «en voorts ter plaetse daer den vijandt het aldermeeste geweldt dede», daarna door een musket kogel in zijn zij gewond raakte en voor dood van het slagveld werd weggedragen en toch «niet lang daer na wederom op de been gekomen was».

Dat kon je dus allemaal gebeuren: lans breekt af, zwaard kapot, kogel raakt je. P.C. Hooft vertelt in zijn Historiën dit verhaal niet, hij noemt opvallend veel namen van Spaanse bevelhebbers, schrijft uitvoerig over de opstellingen en er schemert in zijn verhaal iets door over de onbesuisdheid van Lodewijk van Nassau, die op dat gebied een naam had hoog te houden. Volgens Hooft hadden in het begin van de slag bij «Moock» vooral de geweren en roeren veel succes, meer dan de zwaarden. De zinkroerruiters — ruiters die behalve zwaarden ook handpistolen meevoerden — slaagden erin goed dicht bij elkaar te blijven, «teeghens ’t geweldt van de schok der speeren, die ruime orde en weenigh dwersdraaden vereischen, om dat zy (die ruiters dus — kh) in vollen run hunne kraft baaren».

Hooft schetst hier een probleem van de oorlogvoering van die tijd. Had je nog wel iets aan ruiters? Ze waren steeds kwetsbaarder omdat ze nauwelijks opgewassen waren tegen de «piekeniers», voetvolk met meterslange zeer scherpe lansen, die ze met de achterkant in de grond zetten en dan op aanvallers richtten of waarmee ze in de nek van de ruiters hakten, of de ogen van de paarden doorstaken. Piekeniers vormden de kern van de laat-zestiende-eeuwse legers, zij beslisten een slag, ze stonden in carrés opgesteld, met daaromheen de geweerschutters, die één schot afvuurden en dan moesten maken dat ze wegkwamen omdat het op z’n best een halve minuut duurde voordat ze weer een schot konden lossen. Een halve minuut te midden van ongelooflijk geschreeuw, gedoe, gekletter van wapens en trompetgeschal allerlei ingewikkelde laadrituelen uitvoeren, terwijl er kerels met lansen en zwaarden op je afstormen? Maken dat je wegkomt dus en dan maar iets verderop op een rustiger plaats proberen te herladen.

Ik wil alles weten wat met de Slag op de Mokerheide te maken heeft. Ik herinner me van vroeger overzichtelijke plaatjes van in carré opgestelde troepen, netjes tegenover elkaar, de Slag bij Nieuwpoort van 1600, doodstille gravures met doodstille bepluimde mannen, een paar kanonnen, wat paarden, alles bevroren in zwarte lijnen, in de verte een paar stofwolken. Ik zit nu dagenlang in bibliotheken, vraag uit alle hoeken en gaten documenten aan. Vragen, vragen, vragen. Ik bof, het tijdschrift Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden heeft net een themanummer uitgebracht over de vroege Nederlandse militaire geschiedenis. Achtergrondverhalen over de logistiek van legers, de veranderingen tijdens Maurits, weinig berichten over de situatie in de jaren 1570-1575. Hoe zag een kampement eruit in 1574? Hadden soldaten tent jes? Daarover lees ik andere vaak vergeten boeken. De soldaten trokken struiken of kleine boompjes uit de grond en sliepen daaronder, of als er boerderijen in de buurt waren in de stallen tussen het vee.

Hoe was dat vlak bij Mook? Ik kom het niet te weten. Wel lees ik in de oude bronnen dat het «optreckende» leger van Lodewijk van Nassau geweldig huishield onder de plaatselijke bevolking, moordpartijen en verkrachtingen waren normaal, Lodewijk deed er niets aan: hij had geen geld om het te kunnen stoppen of wilde het niet stoppen. De soldaten kwamen na zware marsen op 13 april bij Mook aan, dertig kilometer per dag hadden ze afgelegd, het was de bedoeling de Maas over te trekken en dan naar Zaltbommel te gaan, waar troepen van Willem van Oranje wachtten, maar de Spanjaarden waren bij Grave via een noodbrug op een doorwaadbare plaats de Maas overgestoken en dwarsboomden alle plannen.

Hoe stelde men legers voor de veldslag op? Ik probeer daar zo rationeel mogelijk over na te denken. Hoe wisten soldaten tot welke afdeling ze hoorden? Gelijke uniformen waren er nog niet, dat kwam pas onder Maurits, ruim 25 jaar later. Wisten ze waar ze moesten zijn? Hoe ging dat precies? Waren er speciale opstellers? Hoe lang duurde dit opstellen? Geschiedschrijvers melden alleen dát men zich opstelde, voetvolk in het midden, verspreid over verschillende groepen, ruiters iets daarachter aan de flanken, honderden stampende paarden vlak bij elkaar, het gedreun moet kilometers ver te horen zijn geweest. Details ontbreken bij alle geschiedschrijvers, men moest er een gooi naar doen, ik doe ook een gooi naar het geluid, het geschreeuw, de kleuren, de stofwolken. De ruiterij van Lodewijk van Nassau stond in een heuvelkom, bijna onzichtbaar voor de vijand, maar die wist verdraaid goed dat ze er waren.

Ik wil alles zo precies mogelijk weten, informeer zelfs wat voor weer het was, maar kom dat niet te weten. Ik lees dat er waarschijnlijk in die tijd nog maar weinig geroepen commando’s waren, misschien hoogstens «naar voren», «naar achteren», «opzij», en dat dan in het Duits of het Frans, er vochten nauwelijks Nederlandse soldaten mee aan de kant van de Nassaus. Vlak voor de veldslag maakten zich aan Nassause kant nog honderden soldaten uit de voeten, omdat velen vlakbij hun eigen landstreek waren en vreesden te zullen verliezen, de geruchten hierover waren sterk. Lodewijks leger was steeds verder uitgedund, hij had nog hoogstens achtduizend man, precies wist men het zelf niet eens, en ook de geschiedschrijvers slaan er maar een slag naar, de rest van de oorspronkelijke tienduizend was verdwenen. In die tijd informeerden soldaten van vijandelijke legers elkaar over hun sterkte, vaak door verkenners die elkaar ontmoetten en gegevens uitwisselden, geruchten daarover hingen als gieren boven de legertrossen. Als de verhoudingen te ongelijk waren, weigerden de soldaten te vechten. Bekend is dat vlak voor de slag bij Mook de Spaanse bevelhebbers langdurig vergaderden over kansen op succes, men was vooral bang voor de ruiterij van de tegenstander.

Gemiddeld waren soldaten 1,60 meter lang, ze hadden lange haren en wilde snorren om er afschrikwekkend uit te zien, tijdens de slag droegen ze een helm en een paar metalen borststukken, er was niet veel méér bescherming, anders konden ze niet hard genoeg rennen. Ze hadden meestal een korte dolk, een langer zwaard en soms een klein en onhandig pistool met een veel te lange loop, vaak gooiden ze dat na het afvuren weg. Ook ruiters waren niet erg goed beschermd, paarden bezweken onder te veel gewicht, ook die waren nauwelijks bepantserd en dus kwetsbaar. Meestal vuurden ruiters eerst met hun handwapen een schot af op voetvolk of op andere ruiters, daarna gingen ze er met zwaarden op los omdat er geen tijd was om te herladen. Op het slagveld werd niet onophoudelijk gevochten, de strijd verliep in golven en met tussenpozen, er waren pauzes, die een half uur konden duren, waarin de vuurroeren werden herladen of de afdelingen gehergroepeerd, ook tijdens de Slag op de Mokerheide.

Misverstanden over troepenbewegingen waren legio, commandanten hadden grote moeite met het bevelen van hun troepen, zeker wanneer de slag eenmaal begonnen was en angst en wanhoop overheersten. De chaos van het daadwerkelijke vechten moet enorm zijn geweest: eindeloos gebrul, hak- en slachtpartijen waaraan men zich, als men er eenmaal aan was begonnen, helemaal overleverde. Soms duurde zo’n tijdelijke infernale botsing van troepenafdelingen meer dan een uur, een mêlee noemde men dat, en daarna werd er weer gewacht, sommige troepen belandden meer dan drie keer achtereen in de strijd. De verschrikkingen moeten onafzienbaar zien geweest, de euforie bij overleving onpeilbaar groot. Vaak gingen overwinnende soldaten na afloop in pure extase over hun eigen overleven urenlang door met het vermoorden van naburige bewoners of gewonde tegenstanders. Een nederlaag was desastreus, verliezers werden direct op het slagveld onthoofd. Ook zij die vluchtten, hun wapens wegwierpen en zich overgaven, gingen eraan, waarna ze van alle bezittingen werden beroofd en hun lichamen naakt op het slagveld achterbleven.

Zo ook bij Mook. Heel soms kon je je redden wanneer je je direct bij de andere partij aansloot, maar meestal kende men geen genade. Hoge heren hadden kans op losgeld, maar bij Mook kwam daar niets van terecht. Lodewijk en Hendrik van Nassau sneuvelden, waarschijnlijk omdat ze in het gewoel niet herkend werden, anders hadden ze misschien nog een kans gehad. Een secretaris van de prins van Oranje liep met gevaar voor eigen leven een week lang op het slagveld naar ze te zoeken, maar herkende hun lichamen niet tussen alle andere naakte en meestal onthoofde lijven van gesneuvelde en vermoorde strijders. De duizenden volgers van de legers wachtten in doodsnood achter het slagveld op de uitslag, waarschijnlijk had men verspieders gestuurd om te kijken hoe het zou aflopen, hoe sneller je dat wist, hoe meer kans je had bij verlies de dans te ontspringen.

Maar het hielp in dit geval niet: de moordpartij op de tros van het leger van Lodewijk van Nassau was verschrikkelijk: duizenden kwamen om, vrouwen, kinderen, mannen, het maakte niets uit, Van Meteren noemt het expliciet in zijn verslag. De slag bij Mook duurde zelf ongeveer zes uur, met tussenpozen en in wisselende hevigheid, daarna volgden nog enkele dagen van moordpartijen, de lichamen van mensen en paarden lagen verspreid over ruim zes kilometer, tot zelfs vlak bij Kleef. Het was volgens alle bronnen na afloop een «bloedighe» moordpartij, soldaten die zich overgaven, kregen van de Spanjaarden geen kans, je moest je zo snel mogelijk uit de voeten maken, en bij Mook viel dat niet mee, omdat de terugtocht werd belemmerd door uitgestrekte moerassen.

De meest gedetailleerde theorie over de precieze plaats van de slag komt van pastoor J.L. Meulleners, plaatselijk priester en historicus, die er in 1893 een pamflet over schreef: De Slag van Mook. Zijn artikel van 27 pagina’s is nog steeds het beste, het overtreft de beschrijving uit 1974 in een Nijmeegs gedenkboek omdat Meulleners zijn twijfels en vragen open en bloot aan ons voorlegt en lang niet alles voor zoete koek slikt. Wat gebeurde er precies en waar? Zijn er nog resten? Klopt alles wel? Kloppen de plaatsbepalingen? Bij Meulleners vind je meteen al op de eerste pagina de man waar alle andere geschiedschrijvers uit de zestiende en zeventiende eeuw op teruggaan: de Spaanse bevelhebber van een regiment cavalerie die zelf aan de slag meedeed en daarvan in zijn Commentaires, dat in 1592 in Madrid verscheen, een verslag geeft: Bernardino de Mendoça. Een echt ooggetuigenverslag dus, maar helaas zonder de details waar ik zo smartelijk naar kan verlangen. Een vrijwel zintuigloos verslag schreef hij, niets over stofwolken, lawaai, gebrul, kleuren, gedreun.

Mendoça heeft toen hij dit verslag in Madrid samenstelde uit zijn aantekeningen alle details weggerationaliseerd, terwijl hij wel degelijk aan het hoofd van zijn ruitertroepen reed toen zij de aanval openden. Hij stelde in hoge stijl een hoffelijk verslag op van de gebeurtenissen. Maar toch, hij was erbij. En hij noemt wel de schetterende trompetten van de Spanjaarden die werden beantwoord door die van de Nassaus. Om zes uur ’s ochtends nota bene, ook dit detail wordt vermeld. Volgens Mendoça maakten de Spaanse troepen de hele nacht voorafgaand aan de slag een enorm kabaal, steeds op andere plaatsen vanuit hun kampementen en linies, met de bedoeling de Nassause troepen af te matten waarvan men wist dat ze vermoeid waren. En hij noemt de dagorder waaronder men ging strijden, de leus dus die men bij de aanvallen riep: «Saint-Philippe».

Bij Mendoça vinden we voor het eerst het mooie verhaal dat de Spaanse troepen vóór de slag allemaal knielden en een Ave Maria zeiden, Van Meteren laat hierover in zijn verslag grote verbazing en nauwelijks verborgen bewondering doorschemeren. Ik verlang bijna naar hoestend geschreeuw op het slagveld, getrommel op te slap gespannen trommelvellen, gerinkel van zwaarden, gekrijs en gebrul, scheldwoorden, dreunende klappen wanneer paarden neerstorten, het geluid van onthoofdingen, geschreeuw om genade, die niet komt, af en toe scherp gedaver van primitieve geweren, geschreeuw en gehinnik, tientallen piekeniers die hun zes meter lange lansen in de grond zetten, met een voet ondersteunen en krachtig standhouden wanneer een paard zich erin vastloopt. Ik ben onverbeterlijk.

Mendoça meldt aan het einde van zijn verslag dat vooral de piekeniers van groot belang waren, je had er veel meer aan dan aan de harkebussiers, voetvolk dat ook kleinere schietroeren kon bedienen. Meulleners probeert met hulp van Mendoça te reconstrueren waar de slag plaatsvond. Waar deze Spaanse bevelhebber spreekt over een heuvel of een bos doet hij zijn best daar een plaatselijke naam aan te verbinden. Het Korendal, de Galgeberg, de weg van Mook naar Groesbeek, het gehucht De Mortel, waarvan in 1890 alleen het Pastoorsboschje nog bestond. Met de tekst van Mendoça in zijn hand is Meulleners op weg gegaan. Deze pastoor zoekt verbeten naar resten, hij graaft zich letterlijk een weg naar het verleden, net zoals ik nu doe, af en toe vindt hij paarden of mensenbotten of resten van een zwaard, en doet daar uitvoerig verslag van. Ik stel me hem voor gewapend met een schep, wie weet in een wapperende soutane, op weg langs de huizen van nietsvermoedende bewoners, af en toe toestemming vragend om ergens te mogen graven en dan een paar weken druk bezig. Hij hoorde bijvoorbeeld dat ooit iemand een zwaardgevest had gevonden, maar toen hij daar op af ging, bleek men dat allang te hebben weggegooid.

Het verleden dichterbij halen, bij Meulleners was dit in 1890 geen verwarde droom, of een vorm van geschiedkundig imperialisme, maar een bloedserieuze praktische aangelegenheid. Hij informeert bij bewoners, vraagt of hun voorouders wel eens iets merkwaardigs hadden gevonden. Soms gaan de remmen los, en komt hij ineens dichtbij: «Op de noordelijke punt van den Zandweg ontdekten zij onder deze wallen eene zwarte, vettige aarde. In de meening dat zij hier goede meststof zouden vinden, gingen zij aan het uitdiepen; zoo doende kwamen zij in een vierkanten kuil terecht, die tot kelder gediend had, maar niet ommuurd was. In de opgedolven zwarte aarde troffen zij o.a. aan: brokken houtskool en vele beenderen. Of er menschenbeenderen onder waren, wist mij de man niet te zeggen.»

Je voelt gewoon dat hij zijn adem inhoudt. Hij vindt een musketkogel, een loden bal letje dat later verloren is gegaan. Volgens Meulleners moet je concluderen dat Lodewijk van Nassau uit Venlo aan was komen marcheren en zich iets voorbij Mook had opgesteld tussen links de Maas en rechts de hoge rand van de Mokerhei, die daar in een boog loopt. Achter hem aan de rand van die steile heuvel strekten zich moerassen uit, ongeveer waar nu de bekende uitspanning De Plasmolen is gevestigd. Niets is er van die moerassen meer over, al eeuwen geleden drooggelegd.

Ik reis naar Mook en maak daar kennis met Ab Smijers, de grote kenner van de historie van Mook. We buigen ons over de kaart die Meulleners van het slagveld gemaakt heeft, compleet met de opstelling van de troepen. Smijers kent het werk van deze pastoor op zijn duimpje, maar hij heeft zo zijn twijfels, er zijn over meer dan zes kilometer wel resten van de slag gevonden: mensenbotten, kogels, paardenbotten. De Mokerhei was destijds een zeer uitgebreid gebied dat zich uitstrekte over ongeveer tien kilometer vanaf Nijmegen tot aan Mook. Zeker is wel dat de slag vlak bij Mook plaatsvond, omdat ook Mendoça die plaats noemt, maar voor het overige staat niet vast waar het precies gebeurde. Stonden de troepen van Lodewijk inderdaad hoger dan de Spanjaarden, dan waren ze wel fors in het voordeel. En dan nóg verliezen!

Na mijn bezoek rij ik in de omgeving rond, door bossen, waar vroeger heide was, de smalle paden hebben namen van Spaanse bevelhebbers: Avilaweg, Bracamontesweg, Hiergesstraat. Daarna loop ik vanaf Mook een kilometer of twee langs de nu opgebroken Rijksweg in de richting van De Plasmolen, naar de boerderij In Swaeren Noodt, aan de rand van een steile heuvel. Hier sneuvelden volgens de overlevering de troepen van Lodewijk van Nassau bij bosjes, Mendoça schrijft dat honderden vluchtende soldaten tot hun middel wegzakten in de blubber van het moeras, dat zich rechts over honderden meters uitstrekte, en dat zij geen genade kregen. «Daer geschiede groote moort», schrijft Van Meteren.

Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden

Jaargang 118, afl. 4 (2003)

Geoffrey en Angela Parker

Europese soldaten 1550-1650 (1978)

Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 64 blz.