Sport

Dag

Wanneer houdt het op? Waar begint het stoppen? We houden niet van stoppen. Dan wint de tijd. Liever rekken we de tijd. Maar soms is de tijd niet meer te rekken. Dan hebben we gerekt en gerekt, en zijn we uitgerekt. Dan moet er gestopt worden.
Je moet op het hoogtepunt stoppen, zeggen ze altijd. Dat is beter voor de sporter, ja. Het bespaart hem een heleboel ellende, de ellende van de neergang, die onvermijdelijk volgt. Hij hoeft niet tragisch te worden, of zielig. Het onderspit delven. Aan het kortste eind trekken. In het zand bijten. Het hoofd buigen. Met hangende poten weglopen. Met de staart tussen de benen.
Nee, we willen een rechte rug en de kin omhoog. Trots en waardig verlaat de sporter de arena waar hij zo lang heeft gestreden. In zijn hoofd zijn de tribunes vol, in het echt iets minder.
Het bespaart ook de omgeving van de sporter een hoop ellende wanneer hij op het hoogtepunt stopt. Want intussen is in de oren van de sporter elk schouderklopje gaan klinken als een ovatie. Elk complimentje is een jubel geworden. Hij moet oppassen dat hij niet gaat geloven dat hij op een hoogtepunt is, want dan moet hij stoppen.
Je moet niet stoppen terwijl je op een hoogtepunt bent. Je moet ook niet stoppen omdat je op een hoogtepunt bent. Je moet stoppen zodat je op een hoogtepunt bent. Door te stoppen zegt de sporter: ik ga niet wachten tot ik zielig word. Ik stop. En aangezien ik stop, moet ik wel op een hoogtepunt zijn, anders zou ik zielig zijn.
De beste manier van stoppen is misschien om niet eens te beginnen.
Als je dan toch stopt, dan moet er een mooi afscheid komen. Rintje Ritsma. Johan Cruijff. Rondje arreslee, afscheidswedstrijd tegen Bayern München (0-8, slecht voorbeeld).
De sporter raakt een beetje in de war.
Hij moet dus de hele tijd denken dat hij bijna op zijn hoogtepunt is, dat hij bijna gaat stoppen. Dat elke keer de laatste kan zijn, zal zijn. Dat ze het maar hebben getroffen met hem, want hij wordt alleen maar beter.
Mensen zeggen graag dat ze iets goed vinden. Ze vertellen de sporter graag dat hij met de dag beter wordt. Maar wanneer hij met de week slechter wordt, is dat andere koek: dat zeggen de mensen liever niet.
Na het hoogtepunt komt dan dus het zwijgen. Niet te diep zwijgen, want dat valt op. Dus het zwijgen wordt nu en dan doorbroken door een kuchje of een duim in de lucht, wat betekent: hij is nog niet vergeten, het gaat nog steeds best goed (maar dat dat minder is dan het was, dat zeggen we niet). De sporter hoort dat als de bevestiging van zijn vorm: die is nog steeds super.
Natuurlijk twijfelt hij wel eens, maar er zijn genoeg tekenen dat hij door moet gaan. In de herfst is hij nu eenmaal altijd ietsepietsje minder scherp dan in het voorjaar, dus dat komt wel weer goed.
Maar de dag komt dat de rek eruit is. We zijn uitgerekt. De tijd is op, en de koek. Tijd voor de witte badjas. The fat lady. Tijd voor de afscheidstraan.
Een vol stadion. Spandoeken. Zingende supporters, voor één keer in de maat. De burgemeester, nee de koningin, nee Barack Obama die naar de middenstip toe schrijdt, in gepaste traagheid, en de microfoon krijgt aangereikt van de voorzitter van de club, die tranen in zijn ogen heeft van de speech die hij zojuist zelf heeft afgestoken, de speech waarin de sporter werd geprezen.
Geprezen om zijn inzet, zijn inzicht, zijn scherpe blik, zijn teamgeest, zijn loyaliteit, dat vooral, dat hij al zo lang voor dezelfde club speelt. Zijn vrouw en kinderen werden nog genoemd, in een alinea die volgens de voorzitter uiteindelijk de beste uit zijn hele toespraak zou worden.
‘Wij hadden kortom niet zonder hem gekund. De club niet, het elftal niet, jullie, de supporters niet, de fysiotherapeut niet, niemand. Net zoals hijzelf niet had gekund zonder ons, dat weet ik zeker. Of de materiaalman. En nog zekerder weet ik dat hij niet zonder Coline en Aan en Aap had gekund, die hem steunden en die, maar dat moet u niet verder vertellen, meer dan eens in de rust opbelden om advies te geven over zijn speelwijze (lach publiek…). En het gekke is dat het hielp.’
Het is het badjas-gevoel: de ronde door het stadion, met de haartjes nat en de beker met de grote oren in de knuisten, en iedereen juicht en de buit is binnen en je bent een held en dat wil je weten. Een held ben je.
En als alles dan achter de rug is, dat prachtige afscheid, als je eindelijk bent gestopt, op je hoogtepunt, en iedereen denkt: goddank hij is gestopt, dat is pas een hoogtepunt dat stoppen van hem, blij dat het ophoudt – dan begint het pas echt.
Dan beginnen de nadagen. En als de sporter dan op het hoogtepunt van zijn nadagen is, dan stopt hij daar weer mee. Dan begint hij een sigarenzaak. En uiteindelijk, als hij daar weer mee is gestopt, dan komt het zwarte gat. En daar dan iets van maken.