Dag Amsterdamse dichter, dag Adriaan Jaeggi

ADRIAAN JAEGGI
HET IS HIER ALTIJD LAAT VAN LICHT: AMSTERDAMSE STADSGEDICHTEN
Nieuw Amsterdam, 58 blz., € 14,90

Adriaan Jaeggi maakte deel uit van de ‘Poule des Doods’. Van deze groep dichters is bij toerbeurt iemand aanwezig bij een begrafenis van mensen die eenzaam gestorven zijn. De dichter van dienst schrijft een gedicht voor de overledene en draagt dat voor tijdens de uitvaart – het initiatief is van dichter F. Starik.
In de tijd dat hij stadsdichter was van Amsterdam, van januari 2006 tot januari 2008, woonde Adriaan Jaeggi de begrafenissen bij van mevrouw Waterman, meneer Koopman en de heer Vianen. Op basis van wat summiere informatie over hun leven schreef hij een gedicht waarmee ze ten grave werden gedragen. Een laatste woord van een onbekende, maar wel een woord dat iets liet zien van hoe hun leven gegaan kan zijn. Dat ook van de op haar verjaardag gestorven Agatha Elizabeth Esther Waterman gehouden is: ‘dichter komen wij niet,/ nooit, misschien wel niemand ooit// zelfs niet de man die je voor vier jaar had,/ en die misschien je noemde:/ Aagje, Liesje, Sterre’.
Of dat de bedrijvigheid in het verzorgingstehuis de eenzaamheid van meneer Koopman in een nog feller licht plaatste, zoals Jaeggi laat zien in een wrange imaginaire monoloog:

Het spijt ons erg dat wij er niet bij kunnen zijn.
Maar u weet zelf hoe het is op donderdag
met de intakegesprekken met nieuwe bewoners
en mevrouw P. is gisteren gevallen
dus die moet naar de wc worden gereden
en vind daar maar weer mensen voor.

En dat de Amsterdamse Surinamer Vianen misschien best een joviale man was. De dichter ging om zich een beeld te vormen van de man nog even bij zijn huis langs.
De ‘Eenzame uitvaart’-gedichten zijn opgenomen in Het is hier altijd laat van licht, samen met de twaalf andere gedichten die Adriaan Jaeggi voor de stad schreef. Hij was de eerste stadsdichter van Amsterdam, in die functie verheven na een oproep die hij zelf in Het Parool plaatste. ‘Burgemeester, wethouder, wat treuzelt u? Voor Almere ons vóór is: geef ons een stadsdichter!’ Jaeggi werd aangesteld op Gedichtendag 2006. Voor de hand liggend was de keuze niet per se, hij had per slot van rekening slechts één dichtbundel op zijn naam staan, Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten. Bovendien: was hij in een stad waar de dichters voor het oprapen zijn, de beste? Waarom geen Campert, Kouwenaar, Van Toorn, of waarom Vinkenoog, die lange tijd min of meer officieus het ambt bekleedde, niet benoemd? Maar het stadsbestuur was lui, zo veronderstelt Jaeggi in de rede die hij uitsprak bij de aanvaarding van zijn functie, en die eveneens is opgenomen in het bundeltje: ‘(…) en diezelfde mensen op het stadhuis hebben nog gevoel voor humor ook, want die zeiden: als jij het dan zo graag wilt, met je grote mond, doe jij het dan maar’.
Adriaan Jaeggi heeft gedaan wat een stadsdichter misschien wel in de eerste plaats moet doen: hij heeft zich ingezet voor Amsterdam, hij heeft zich betrokken getoond. Hij schreef gedichten voor de Stadsspelen, voor de Intreeweek, wanneer kersverse studenten de stad binnenstromen, voor de nieuwe openbare bibliotheek, bij de herdenking van Willem Bilderdijk, bij de verkiezing van de Brouwersgracht tot mooiste straat van Amsterdam en voor het vijfjarig bestaan van de nieuwbouwwijk IJburg. In een stukje dat hij vóór zijn aanstelling schreef voor de daklozenkrant is te lezen dat de stadsdichter van Amsterdam het wel eens knap lastig zal kunnen krijgen, want hij doet het nooit goed. Amsterdammers zijn nu eenmaal geboren kankeraars: of het is te blank, of te allochtoon, of te somber. En hoewel de kaart van Amsterdam-Centrum voor Jaeggi het meest vertrouwd lijkt en hij waarschijnlijk niet iedere dag een wandeling maakte in ‘prachtwijken’ als Slotermeer of Bos en Lommer, was hij in de verscheidenheid van de stad toch op zoek naar iets van gemeenschapszin:

Ik zocht zoals iedereen Amsterdam zoekt
niet als trapgevelnest maar als peper en zuur
niet als inspraakorgaan maar als water en vuur

Begin dit jaar, tijdens Gedichtendag, gaf Adriaan Jaeggi de fakkel door aan Robert Anker. Zijn onheilspellende gedicht De ijskap van Groenland werd bij die gelegenheid gezongen door Theo Nijland. Het werd een onvervalst Amsterdams lied, en het is via YouTube nog te beluisteren.
Het laatste woord in Het is hier altijd laat van licht is aan de dichter F. Starik. In een verslag van een eenzame uitvaart schrijft hij: ‘Adriaan Jaeggi is een man die onmiskenbaar iets gezelligs heeft, een hartelijke open, goedlachse man, iemand die ondertussen toch altijd scherp oplet (…). Iemand die ermee wegkomt dat hij in zijn gedicht zegt: “Dag trucker, dag Amsterdamse Surinamer”, bij wie die woorden er naturel, warm, oprecht, gemeend uitkomen. Hier is iemand echt dag komen zeggen.’ Van Adriaan Jaeggi moeten we nu wel heel vroeg afscheid nemen.