Opera Doctor Atomic

Dag des Oordeels

De opera Doctor Atomic maakt duidelijk dat niets zo sterk en onuitroeibaar is als het geloof in het einde der tijden. We verkeren in afwachting. Van de Flits.

WEER STAAN ZE tegenover elkaar: de natuurramp en de ramp door menselijk toedoen. De aardbeving en de kernramp. De eerste met duizenden doden, de tweede op het moment dat ik dit schrijf nog zonder.
Waarom grijpt de tweede dieper aan, maakt hij kwader, stort hij in een bozer ontreddering?
Over de aardbeving/tsunami worden om zo te zeggen verstandige woorden gezegd, getuigend van antropologisch vernuft, bijvoorbeeld: de geduldige, ingenieurlijke, militair gedisciplineerde volksaard van de Japanner is een antwoord op het natuurgeweld dat iedere generatie daar sinds de beginne treft.
Van de dreigende kernramp worden zulke fijn zwiepende dingen niet gezegd. Daar reageren veel Japanners helemaal niet geduldig en rationeel op. De vliegvelden zijn verstopt door mensen die subiet van het eiland weg willen wezen. Ze lijken vervuld van een irrationele, onbestemde, misselijkmakende weerzin die in de grond woede is. Want ze vluchten voor mensenwerk. Hun angst is iemands schuld. En ze raken verwikkeld in de bijbehorende, onbeheersbare spiraal van argwaan: jegens schuldige mensen, die per definitie liegen, omdat ze de beschuldiging vrezen.
Een ramp waar mensen van beschuldigd kunnen worden paranoïseert. De gedachten gaan malen om het knagende besef dat men zich, toen alles nog goed ging, en men profiteerde van de centrales, heeft laten voorliegen - of beter: dat men zichzelf heeft voorgelogen. Liegen klinkt misschien te actief. Leven in een technologische, energie-slurpende verzorgingsstaat vereist een gecompliceerde, levenslange act van jezelf geruststellen en sussen.
Daarom lijkt de reactie op de dreigende kernramp, veel meer dan die op de natuurramp, op een inwendige wraakoefening. Zie je wel, ik had het moeten weten - ik word gestraft met wat ik eigenlijk al wist.
En plotseling zijn er niet van je af te meppen gedachten: bijvoorbeeld dat je op de meltdown hebt gewacht, je hele energie-slurpende leven lang. We konden hem denken, de meltdown, omdat we hem met de koeling en de waarborgen beheersten. Of we wilden of niet, we vochten tegen de perceptie dat we au fond nooit niet in afwachting zijn van iets verschrikkelijks.
De dichter Nijhoff heeft van deze afwachting een klassiek gedicht gemaakt: Het uur u. Het is drie jaar voor de eerste atoombom geschreven en in 1942 gepubliceerd. Het gedicht maakt in raadselachtige, ongrijpbare bewoordingen duidelijk dat ook aan het eind van het moderne levensbesef een Dies Irae is gesitueerd. We lijken met succes onze christelijke grondslag te hebben weggedacht, en daarmee de Apocalyps - maar de ervaring van eindtijd, compleet met Dag des Oordeels is onuitroeibaar gebleken.
Na de oorlog zijn er meer van dit soort ‘wachtende, aftellende’ kunstwerken, vooral films gemaakt - een geestige, messcherpe is Stanley Kubricks Dr. Strangelove (1964), waarin een groep politici en geleerden zichzelf naar het werpen van de eerste atoombom toe redeneert. Een mystiek voorbeeld is Andrej Tarkovski’s Sacrifice (1984), waarin een groepje vrienden in een zomerhuis op een Zweeds eiland de (abusievelijk aangekondigde) atoomoorlog afwacht.
Een jonge loot aan deze postapocalyptische stam is de opera Doctor Atomic (2006), van de Amerikaanse componist John Adams.
De titel is onmiskenbaar een verwijzing naar Kubricks film, maar de toon is ditmaal niet alleen satirisch. Hoofdpersoon is J. Robert Oppenheimer, de vader van de Amerikaanse atoombom. Aanvankelijk lijkt hij met polemische ironie bekeken te worden, we zien een kettingrokende macher, die voor geen twijfel vatbaar is, een jonge hond ook, die zich met Bram Vingerling-achtig enthousiasme verheugt op de 'brillant luminescence’ die het gevolg zal zijn van zijn wetenschappelijke inspanningen.
De opera is in feite een documentaire: veel tekst is letterlijk afkomstig uit archieven, dagboeken, protocollen. Het is een kras voorbeeld van een sample-libretto, bijeengegaard door theaterregisseur Peter Sellars, zeldzaam effectief, zij het aanvankelijk ook onmiskenbaar volkshogeschool. Daar sleept de stuwende, spannende muziek van Adams je overigens moeiteloos door heen.
Maar juist als Oppenheimer een, inderdaad, kubrickiaanse, al te eendimensionale schurk wordt, die in feite zijn (existentieel ongeruste) collegae verraadt, maken we mee dat hij, voor het eerst, informatie krijgt over de biologische gevolgen van straling. Dat wil zeggen: over de uitwerking op één mens. We hebben dan wel al opgemerkt dat hij, bij alle tunnelvisie en ambitie, een onmiskenbaar fysiek iemand is. En juist als hij zich voor het eerst het ene lichaam voorstelt dat met zijn bom te maken zal krijgen (en niet de abstracte mierenhoopvijand die met één flits zal worden weggevaagd), begrijpen we ook dat het uur van de test onwrikbaar bepaald is.
Dit is vlak voor de pauze. Het concrete aftellen begint. Oppenheimer staat alleen op het toneel, op de plek van de op handen zijnde test. Er is geen weg meer terug. En dan zingt Oppenheimer een aria die inmiddels beroemd is geworden, en soms los van de opera te horen is: Batter my heart.
Dat zijn de eerste drie woorden van een sonnet van John Donne (1572-1632). Het is een schaamteloos explosief gedicht - zij het dat de explosie zich naar binnen richt, naar de ziel van de dichter. Die vraagt aan zijn 'three-person’d God’, zijn driepersoonsgod, om letterlijk afgebroken, en zelfs: verkracht te worden. Alleen wanneer zijn hart, zijn begeerte, zijn trots met de grond gelijk worden gemaakt zal hij kunnen wat hij het liefst wil: ontvankelijk zijn voor God, wat hetzelfde is als door Hem bemind worden.
Het is een van de diepe misverstanden van onze levensverzekerde epoche dat mystiek iets zachts en wolligs zou zijn, een lifestyle, een keuze. Dit gedicht, geschreven door een van de helderste en meest uitgesproken renaissancistische geesten van zijn tijd, is woest en hardhandig. Het voorafschaduwt de lucide, hartbrekende mystiek van Pascal, en zelfs van Kierkegaard. 'Nooit word ik schoon, tenzij U mij verkracht.’ Er staat chaste, dat ook 'kuis’ betekent, maar meer dan alleen een seksuele connotatie heeft. 'Zuiver’…
Rare toestand! We horen een zeventiende-eeuwse, proto-christelijke smeekbede om zondeloosheid, uit de mond van een uiterst twintigste-eeuwse, sigaretten rokende man die straks de triomf van zijn wetenschap zal beleven…
Zelfs al weten we dat Oppenheimer dit gedicht uit zijn hoofd kende (zoals hij ook Baudelaire kon opzeggen, en passages uit de Bhagavad Gita) - dan nog is deze aria een wonderbaarlijke ingreep. Het is een expressieve, merkwaardig barokke compositie. Hij klinkt naar zeventiende eeuw, naar Purcell, maar ook naar Mahler, en vooral: naar Benjamin Britten, en is dus helemaal John Adams, die zich ontplooid heeft tot een toonzettende smeltkroes, en een van de nieuwe pleitbezorgers van de tonaliteit.
Terwijl Oppenheimer Batter my heart, three-person’d God zingt (of: uitkermt) verandert de opera van karakter. We keken naar 'geschiedenis’, naar hoe het zo ver met de Amerikanen en hun bom gekomen is - en nu is het alsof we het verhaal van binnenuit meemaken. Vreemd, want Oppenheimer zingt niet eens zijn eigen woorden. Het zijn woorden van iemand die op een ander tijdstip - niet lang voor zijn dood-zonder-pijnstillers in een totaal andere, aderlatende eeuw - met zijn kop tegen een schijnbaar heel andere muur bonkte.
Donne vreesde dat het te laat was, dat hij onherroepelijk zondig was, want zonder Gods hulp kon hij zijn begeerte niet beheersen. Over dát soort zondebesef gaat het als Oppenheimer zingt niet, en toch vertolkt het gedicht, dat woord voor woord verstaanbaar wordt gezongen, exact de muur waartegen Oppenheimers rug nu staat. 'Als ik al anders had gewild, als ik de Faustische, of zo u wil Prometheïsche drang om atomen te splitsen, de materie te ontketenen, al had willen onderdrukken - dan heb ik dat niet gekund. Ik ben een ongerechtigheid, een misfit van het verstand.’
Wat we horen is een gericht gedicht, voor onze ogen vindt iemand het bidden uit, ontstaat God. En vanaf dat moment (het is nu pauze in het theater, en daarna komt er nog anderhalf uur) is de opera een Zone geworden, een tijd binnen de tijd. Eigenlijk verstrijkt er in de resterende anderhalf uur maar één moment: dat tussen de Aria en, één stilte later, de Test, die we te zien zullen krijgen als lichtflits. En deze ene stilte stroomt vol met de muziek, de aria’s en de koren van de personages, die tezamen de hele wereld zijn - in afwachting van het uur des oordeels.
Van tijd heeft de mensheid nog altijd geen kaas gegeten - daarom behelpt zij zich met kunst en beoefent zij godsdienst. Juist de geconcentreerde contemplatie van het einde ontsluist de ervaring van eeuwigheid. 'Ik ben ervan overtuigd dat op het gebied van het verstrijken van de tijd ons nog de grootste ontdekkingen te wachten staan’, schrijft Andrej Tarkovski. Zijn dagboek heette Time within Time.
Je kunt duizendmaal je schouders ophalen over het eindtijdgeloof - maar Doctor Atomic maakt duidelijk dat niets zo sterk en onuitroeibaar is áls dat geloof. Als dat we in afwachting verkeren. Van de Flits. En van de vrouwenstem die, ditmaal in het Japans, zegt dat haar kind dorst heeft.
Daar eindig Doctor Atomic mee. Als alle tijd, ondanks zichzelf, verstreken is, en het koor een freeze geworden van mensen, starend, met zonnebrillen op - tegen de flits, de straling, dan horen we: 'Alstublieft, geef me water.’
Het is niet ondenkbaar dat je daarna, op weg naar huis, en naar het late Journaal met zijn mondkapjesjapanners, tot je eigen verbazing Batter my heart prevelt.


Op donderdag 24 en vrijdag 25 maart is Doctor Atomic van John Adams te zien als deel van de AAA-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest, www.concertgebouworkest.nl/aaa. Bij de betere platenzaak is de dvd Doctor Atomic te verkrijgen, in de uitvoering van The Metropolitan Opera, gedirigeerd door Alan Gilbert, met Girald Finley als J. Robert Oppenheimer (2008)