Gustave Flaubert

Dag en nacht

Gustave Flaubert
Geluk is onmogelijk: Een keuze uit zijn brieven
Vertaald, gekozen en ingeleid door Edu Borger
De Arbeiderspers (Privé-domein nr. 262)
347 blz., € 25,-

‘Mejuffrouw en dierbare collega’, zo begint op 30 maart 1857 de 35-jarige Flaubert zijn tweede brief aan de twintig jaar oudere mej. Leroyer de Chantepie, die hem kennelijk een bewonderende brief geschreven had naar aanleiding van Madame Bovary, of het proces erover. Ze stuurde hem meteen drie boeken en een portret van zichzelf, en vroeg hem honderduit. ‘Nu zullen we als twee mannen met elkaar kletsen’, vervolgt hij. De twee zullen elkaar gedurende de briefwisseling van zo’n jaar of dertien nooit direct ontmoeten. Flaubert blijft haar maar adviseren alsof ze echt een collega is met een literaire carrière voor de boeg. In wel meer brieven wekt hij de indruk te vergeten aan wie hij de gedachten toevertrouwt die hem op dat moment bezighouden. Hij schreef de brieven vooral ’s nachts. Wat een contrast tussen de epistels die, soms verscheidene achter elkaar, in één ruk op papier werden gezet en het geknoerst op zinnen overdag. Aan het geploeter geeft hij tegenover iedereen lucht, over het schrijven en de boeken zelf zegt hij niet veel, des te meer over de onmogelijkheid en de eindeloosheid van de zichzelf opgelegde kwellingen: Salammbô, De leerschool der liefde en de laatste jaren Bouvard en Pécuchet, de boeken waarmee hij na 1857 bezig was en die in Nederland minder gelezen worden dan de brieven. Dit is al de derde bundel en deze sluit direct aan op de correspondentie met de pendelvriendin Louise Colet, met wie het net uit was.
Uit Flauberts brieven is een uitgebreide schrijfcursus samen te stellen; deze bundel gaat meer dan de vorige keuzes over andere zaken, vaak over ditjes en datjes, het verafschuwde literaire leven, drama’s in het persoonlijke leven zoals de dood van de moeder en het faillissement van de man van het inwonende nichtje waardoor Flaubert op z’n vijftigste nog dreigde voor geld te moeten gaan werken, en de grote wereld die in 1870/1871 dichterbij kwam met de Pruisen aan wie hij een nog grotere hekel had dan aan de Communards van Parijs. Jammer dat je niet weet wat de anderen geschreven hebben, onder wie beduidend meer dames dan heren; vandaar de paternalistische toon. De meeste brieven zijn vrij kort, soms eerder telegrammen; meer uitvallen dan invallen. Opvallend is de eerbied waarmee de met zijn buitenstaanderschap koketterende provinciaal grote namen als Baudelaire, Taine en Michelet aansprak. Hij was een poseur, maar hij speelde wel telkens de passende rol.