‘Het lijkt wel de koning van de Biesbosch’, zegt iemand.
‘Ja’, zeg ik. ‘Dat is hij ook. Herman Wigbold.’
‘Dag Herman!’ roep ik tegen de golven.
De Koning kijkt niet op of om. Hij heeft een doel voor ogen.
Kapitein op eenmans open boot: dat is Herman Wigbold in de laatste jaren van zijn leven geweest.
Hij was ook heel veel niet.
Hij was geen begenadigd schrijver, al stuurde hij stapels stukken naar elk weldenkend dag- of weekblad. En hij was geen groot denker, al stonden al die stukken bol van de gedachten hoe verkeerd het ging met Nederland en de wereld. Misschien was hij zelfs geen groot journalist. Herman Wigbold was voor alles: de man aan de motor.
Naderhand bleek dat hij van de verworvenheden van de jaren zestig, die hij zelf had helpen scheppen, niet zo veel moest hebben. Ik vermoed: toen ook al niet. En toch heeft hij bij Zo is het en bij Achter het Nieuws en bij al die andere slagscheepjes van toen de motor bediend. Als eindredacteur, als hoofdredacteur of nog preciezer: als gelegenheidsgever. Herman Wigbold is de man geweest die een generatie jong talent de gelegenheid heeft gegeven om zich te ontplooien - ook als het in een richting ging waar hij, Herman de Oudere, weinig van moest hebben.
Sinds de ondergang van Het Vrije Volk stond hij er in zijn eentje voor.
Soms leek het erop of hij al die jongeren die een poosje met hem mee hadden mogen varen, nog even wilde vertellen dat hij het toen ook al niet met ze eens geweest was.
Die rol lag hem zichtbaar niet.
Hij kreeg er iets zuurs door en iets eenzaams. Hij had anderen nodig, al was het maar om ze de ruimte te geven die hij zelf, recht toe, recht aan, op volle vaart ongebruikt liet.