Afscheid van Martin

Dag lieve kameraad

Om vijf uur vrijdagmiddag hoorden Hubert Smeets en ik dat Martin achteruitging. Hij viel af en toe weg. We besloten even niets tegen de redactie te zeggen. Dat het niet goed ging met Martin en dat hij uit het ziekenhuis was om thuis te sterven, had ons al aangeslagen. Zo’n plotselinge achteruitgang hoefde echter weinig te betekenen. Het kon best zijn dat het morgen of overmorgen weer goed zou gaan met hem.

Precies het eerste telefoontje dat bij de redactie binnenkwam nadat de krant om half acht was gearriveerd, was van uitgever Jan Mets, die als intermediair fungeerde tussen de familie van Martin en de redactie. Martin had te kennen gegeven dat hij de krant wilde zien. Daarom besloten Jan Mets, Maarten Schilt en ik om hem te bezoeken.

‘Hij ligt in bed en ziet er wat slecht uit’, zei Andreas, Martins zoon.

We gingen de slaapkamer binnen en het was duidelijk dat Martin dat prettig vond. Grote ogen, een opgestoken hand. Hij sprak moeilijk, maar zei toch: ‘Daar zijn de heren.’

Ik pakte hem bij wijze van groet bij zijn schouder, die zeer broos aanvoelde.

‘Dit is de krant’, zei ik. Martin trok zijn knieën op en legde het stapeltje kranten dat ik hem gaf er tegenaan.

‘Jezus Christus!’ zei hij. Daarna nog een keer: ‘Jezus Christus.’

We maakten over en weer wat grappen in de trant van: ‘D’r staat hier dat jij het redactioneel hebt geschreven, maar je hebt je wel gedrukt. Dus heeft de redactie het stuk ondertekend.’

‘De kolerelijers’, zei Martin, en glimlachte. Hij bleef de kranten op zijn knieën houden. Opeens pakte hij het eerste exemplaar beet en bracht het langzaam naar zijn neus.

‘Het is een echte krant’, zei hij.

‘Ja, je kunt ze niet vertrouwen, ze maken er opeens een echte krant van.’

Hij lachte. Hij was niet in staat om de pagina’s om te slaan en dus hield ik een exemplaar voor hem omhoog, sloeg de pagina’s één voor één om en vertelde hem over de koppen en de inhoud. Iedere keer als z’n ogen de indruk wekten naar zijn achterhoofd te rollen, deden we rustig aan, wachtten we tot hij weer de wereld in keek en gingen door met bladeren.

Ik wees hem op bepaalde stukken. Toen Martin donderdag uit het ziekenhuis was ontslagen – de brandweer had hem via een ladder een lift naar de derde etage van zijn woning gegeven – had hij de redactie van De Groene naar aanleiding van de moord op Pim Fortuyn laten weten dat ‘de hypocrisie van de politici’ aan de kaak moest worden gesteld. Martin knikte bij de stukken die dat thema vertegenwoordigden.

Mets en Schilt hadden ook een cadeau voor Martin bij zich. Het was het kleine boekje Shylock, woekeraar, dat ze hadden gemaakt naar aanleiding van het laatste artikel dat Martin van Amerongen schreef. In De Groene. Martin was zichtbaar opgelucht met het verschijnen. Hij streek over het boekje, net zoals hij dat over de krant had gedaan.

Hij vond de kleur van het omslag mooi. Die kleur is niet geheel toevallig gekozen, maar heeft te maken met de inhoud – het is het geel van de jodensterren.

‘Ik kan het niet lezen’, zei hij.

‘Ik lees het je vanavond voor’, zei Irene.

Weer wilde hij de pagina’s zien. Jan bladerde met hem het boekje door. Het was duidelijk dat Martin naar iets zocht; hij wilde weten of de opdracht ‘Voor Irene’ er wel instond. Op een of andere manier stelde het hem ook gerust dat zijn geboorte- en sterfjaar erin waren opgenomen. Toen de krant en het boekje waren bekeken, zei hij: ‘Champagne!’

Er werden flessen gehaald, en ondertussen vertelde Irene dat in het ziekenhuis Rose Champagne was bezorgd. Er zat een kaartje bij dat het hier een geschenk betrof van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard. De woorden ‘Zijne Koninklijke Hoogheid Prins’ waren door Bernhard doorgestreept.

Martin wilde ook champagne.

Er werd een glas met een rietje gehaald.

We proostten.

‘Ik wist niet dat jij van alcohol hield’, zei Jan Mets.

‘Ik haat het’, antwoordde Martin, en hij zoog aan zijn rietje. Na een paar slokken, die hij zichtbaar lekker vond, viel hij weer wat in slaap.

‘Martin, we gaan even naar de kamer, dan komen Jan, Maarten en Theo straks afscheid van je nemen’, zei Irene.

Het bleek dat het die vrijdag met het uur slechter was gegaan met Martin. Hij had nog wel even in de rolstoel gezeten en gezegd dat hij wat wilde oefenen voor als de krant gebracht zou worden. Het was duidelijk dat hij naar het eerste exemplaar had uitgekeken. We spraken nog wat met de familie en gingen vervolgens weer de slaapkamer in.

Wat er volgde, was een afscheidsscène die nooit goed onder woorden gebracht zal kunnen worden. Er was over en weer sprake van heftige ontroering die wankel gestut werd door relativerende opmerkingen. We lachten. Soms stak Martin zijn vinger op. De kranten en het boekje lagen naast hem.

Nadat ieder van ons had gezegd en gedaan wat hij moest zeggen en doen, verlieten we de kamer. Zwaaiend. Steeds achterom kijkend. En Martin zwaaide iedere keer terug, hoewel dat net even te zwaar voor hem was; steeds viel zijn hand terug op het bed.

‘Dag kameraad’, zei ik, ‘dag lieve kameraad.’