Prinsjesdag 2001

Dag van de democratie

Een weinig verrassende Prinsjesdag, dit jaar. De extra investeringen van het kabinet waren al enkele maanden bekend en de Troonrede bracht niets nieuws. Of toch? Sinds wanneer is Prinsjesdag bijvoorbeeld de «Dag van de Democratie»?

Prinsjesdag is de «Dag van de Democratie». Althans, sinds vorige week donderdag, toen Wim Kok er op een persconferentie over het sobere karakter van de editie van dit jaar deze draai aan gaf. Annuleren van een en ander wegens de aanslagen op de Verenigde Staten was grondwettelijk niet mogelijk en bovendien, aldus Kok, na de weinig democratische terroristische aanslagen moest «onze Dag van de Democratie» nadrukkelijk als een soort signaal doorgang vinden. Op de Marokkaanse schrijver Abdelkader Benali na leek het of niemand het novum van Kok ook maar had opgemerkt. Benali hield op Radio 1 een vrolijk pleidooi voor re-shuffling van de derde dinsdag naar een feestdag voor de democratie. Dat andere reacties uitbleven is enigszins opmerkelijk. Was Prinsjesdag immers niet de dag die juist vanwege het bijzonder ondemocratische karakter van een aantal van de rituelen door een handjevol leden van de Staten-Generaal gemeden werd?

Wegens de gewoonte om het niet-gekozen staatshoofd de regeringsplannen in de Troon rede te doen ontvouwen, weigert normaal gesproken een aantal praktizerende republikeinen in de fractie van GroenLinks aanwezig te zijn. Dit jaar echter niet. Uit respect voor de slachtoffers in Amerika en om niet met een republikeinse actie de aandacht van de toestand van de wereld af te houden, waren alle GroenLinkse kamerleden afgelopen dinsdag in de Ridderzaal van de partij. «In deze omstandigheden had de Gouden Koets echter ook niet moeten rijden», vindt GroenLinks-kamerlid Pitstra. «Prinsjesdag moet sober, maar de monarchie mag kennelijk wel gewoon doorgaan.»

Ook de parlementariërs van de Socialistische Partij, die vorig jaar wegens de ondermaatse paarse belangstelling voor de publieke sector nog verstek lieten gaan, waren dinsdag paraat. «In deze dagen is partijpolitiek niet opportuun», aldus SP-leider Jan Marijnissen. De bij zijn partij inmiddels traditionele «alternatieve troonrede» is deze week niet uitgesproken.

Vorig jaar, toen een deel van de meer radicale GroenLinks-afgevaardigden er nog de voorkeur aan gaf niet naar de Ridderzaal te togen, verdedigden zij dit besluit met een ingezonden artikel in dagblad Trouw. In dit stuk werd de nadruk gelegd op de weinig democratische geschiedenis van de derde dinsdag in september. In de patriottische tijd (eind achttiende eeuw) werd de verjaardag van de naar Engeland vertrokken prins stadhouder Willem V aangegrepen voor Oranjelievende feestelijkheden. «Prinsjesdag was een demonstratie van Oranjegezindheid: voor de absolute macht van de koning en tegen elke poging om een vorm van democratie, hoe schamel ook, te introduceren», merkten de parlementariërs Van Gent, Singh Varma, Pitstra, Platvoet, Van der Steenhoven en Vendrik op. Ze schreven verder: «Is dit een zinvolle start van het parlementaire jaar? Is een traditie die wortelt in een ondemocratische gezindheid het waard om gekoesterd te worden?» Het antwoord was voor hen vorig jaar duidelijk: geen gang richting Troonrede.

Voor het eerst in lange tijd waren door de aanslagen in Amerika vrijwel alle leden van de Staten-Generaal present. Maar in de Troonrede werd niet uitgebreid stilgestaan bij wat sommige mensen al de «nieuwe wereldorde» noemen. Een schamele eerste alinea bevatte de gevoelens van medeleven van de regering. In enkele zinnen toonde de koningin de «diepe verbondenheid en solidariteit» van het Nederlandse volk met de Amerikaanse slachtoffers en nabestaanden. «Nauwe internationale samenwerking is noodzakelijker dan ooit om de fundamentele waarden van vrijheid, democratie en rechtvaardigheid te verdedigen.»

Het kwam vervolgens op de Europese monetaire politiek, de zorg, het onderwijs en de veiligheid. En de regering bezwoer opperste attentie voor het in de eerste jaren van Paars II vooral door de oppositie geagendeerde thema van «investeren in de samenleving», in de publieke sector. Niet zo vreemd na de aanhoudende vernietigende kritiek op de aanzwellende wachtlijsten in de zorg en de krakkemikkige klaslokalen met veel te grote klassen. Het rapport van de commissie-Van Rijn over werk in de publieke sector was het afgelopen parlementaire jaar in het kabinet bijna een breekpunt. De Volkskrant meldde zaterdag jongstleden dat ook het beraad over de miljardeninvesteringen in de dinsdag aan de Kamer aangeboden Miljoenennota bijna tot een kabinetscrisis leidde. Waar bij het aantreden van het eerste paarse kabinet voor werd gevreesd, bleek terecht: in economisch minder zonnige tijden kan een regeringscoalitie tussen PvdA en VVD voor flink wat problemen komen.

Daar komt nog bij dat ondanks een groeiverwachting van een magere twee procent voor dit jaar en volgend jaar de beide partijen er alles aan gelegen was om met de aanstaande kamerverkiezingen zo herkenbaar mogelijk uit de strijd te voorschijn te komen: de VVD met behoud van de Zalmnorm en de PvdA met een voor het oog forse investering in publieke zaken. Het lijkt gezien de te verwachten recessie in de wereldeconomie niet onwaarschijnlijk dat die twee procent later dit jaar wordt bijgesteld. Ondertussen wordt een nog behoedzamer groeiscenario, waar in de laatste jaren van overvloed zoveel kritiek op was, thans door een ruime politieke meerderheid geaccepteerd. «Behoedzaamheid is zeker nu zeer aan te bevelen», zei premier Kok afgelopen maandag op een persconferentie waarin hij tevens voor het eerst sinds de aanslagen in de VS ferme oorlogs taal bezigde.

Taal die in schril contrast staat met de stortvloed aan platitudes die de koningin op gezag van het kabinet in de Troonrede uitsprak. Met betrekking tot twee voorname pijnpunten van de paarse kabinetten, de veel bekritiseerde magere aandacht voor het milieu en de in zeven jaar alleen maar oplopende WAO-cijfers, werd zoals in alle troonredes van Paars II aanhoudende zorg en aandacht beloofd.

Uitgesproken plannen of visies ontbreken. Maar toegegeven, dat is inherent aan het huidige systeem van tradities en rituelen van Prinsjesdag. Wellicht valt meer nieuws te verwachten wanneer de Troonrede als een soort state of the union met een kabinetsvisie op het komende parlementaire jaar niet door de koningin maar door de premier zou worden uitgesproken. Over die twee pijnpunten had dan een meer uitgesproken standpunt kunnen komen. Wellicht dat Wim Kok zijn plotselinge herdoop van Prinsjesdag in Dag van de Democratie in dit verband nader kan duiden.