Uit de school

Dag van de docent

Bachelors mogen na een paar maanden didactisch kleien al voor klas 1, 2 en 3 staan. Dus is er een onderwijskundig deltaplan nodig. Meer inhoud!

NA DIERENDAG, 4 oktober, komt tegenwoordig meteen de Dag van de Leraar: 5 oktober. Misschien omdat de leraar ook bescherming nodig heeft of een bedreigde diersoort is? In de docentenkamer van mijn bollenstreekschool boven Leiden hangen opeens twee vaalrode banieren waarop de feestelijke Dag staat aangekondigd. Daartussen op twee rode tafels een vierkante meter slagroom- en mokkataart, als zoethoudertjes.
De LIA (Leraren In Actie, een alternatieve vakbond) probeert de Dag zin te geven door in het Tweede-Kamergebouw aandacht te vragen voor wat de commissie-Rinnooy Kan in 2008 adviseerde om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken en de werkdruk te verminderen: kleinere klassen, betere honorering, minder lesuren. Ik zou daaraan toevoegen: investeren in betere lerarenopleidingen door die minder competentiegericht en meer vakinhoudelijk te maken. Maar helaas, Den Haag bestrijdt het lerarentekort met een lapmiddel dat de kwaliteit verder zal ondermijnen: studenten met een bachelor mogen al na een half jaar lerarenopleiding in de onderbouw lesgeven. Maar het tekort aan bevoegde docenten – vooral in de vakken Nederlands, Engels en wiskunde – betreft in de allereerste plaats eerstegraders. In Noord-Brabant bijvoorbeeld staan honderdzeventig vacatures open, waarvan een deel wordt weggewerkt door interne verschuivingen binnen de scholen. In andere provincies zal het niet echt anders zijn. Eerstegraders blijven voorlopig een zeldzame diersoort.
En zo blijft er nog minder over van het al getaande maatschappelijk aanzien van de docent, die – zo wil het hardnekkige vooroordeel – nog vele weken extra vakantie viert als de rest van Nederland al lang weer aan het werk is.
Overigens is de Nederlandse docent zelf ook erg goed in het ondermijnen van de eigen status en de onderlinge solidariteit. In de Volkskrant van 9 september stond een ontmoedigende ‘brief van de dag’ van een jonge docente uit Deventer. Zij plaatste een kanttekening bij het feit dat haar oudere collega’s in de hoogste salarisschaal een bindingstoelage van ruim dertienhonderd euro op hun rekening gestort kregen. Het was niet zo erg dat ze bruto- en nettobedrag door elkaar haalde, en ook niet dat dit geldbedrag ‘een totaal verkeerde extra impuls’ was. Bedenkelijker vond ik haar mening dat het geld zou moeten gaan naar die docenten die de school zouden ‘maken’, namelijk naar degenen die musicals, uitwisselingen, filmvoorstellingen, kerstvieringen et cetera organiseren. Daarmee suggereerde ze dat het lesgeven niet primair is en dat een school pas naam krijgt door de extra inzet van enthousiaste, en blijkbaar jonge, docenten.
Lesgeven blijft de allerbelangrijkste activiteit. De rest van de bezigheden – de organisatie van het bedrijf dat school heet, de culturele activiteiten – zou daar dienstbaar aan moeten zijn. Op een afscheidsfeestje eind vorig schooljaar voor een paar vertrekkende collega’s werd een sectiegenote gefeliciteerd met haar promotie tot jaarlaagcoördinator. Wie zogenaamd stijgt in de hiërarchie van de school, en daarom vaak minder lesgeeft, werkt blijkbaar goed aan zijn loopbaanplanning en laat de pure lesgevers achter zich. Een merkwaardige gedachtegang, die alles op z’n kop zet. De leerlingen iets op systematische wijze bijbrengen, dát is de kerntaak van elke docent.
Kennis en inzicht. Tot mijn verrassing opende het kersverse meerjarenplan van onze school met een revolutionaire zin: ‘Het is de primaire taak van de school kennis op de leerlingen over te brengen.’ Natuurlijk is kennis alleen niet zaligmakend. Onze maatschappij verlangt inderdaad ‘permanente educatie’, van iedereen. De vergadering over het nieuwe schoolplan die de rector op onze school met de sectieleiders belegde vond ik zeer teleurstellend. Niemand van hen had iets substantieels mee te delen, niemand die een woord vuil maakte aan de betekenis van het woord ‘kennis’, niemand blijkbaar die had gemerkt dat onze school een koerswijziging ten goede had doorgemaakt.
Waarom noem ik die schoolplanformulering over kennis overbrengen revolutionair? Omdat het middelbaar onderwijs in Nederland jarenlang is geteisterd door het virus dat competentiegericht leren heet. In een ingezonden brief in De Groene schreef een vaardigheidsverslaafde onderwijskundige dat een docent niet wordt opgeleid ‘om veel kennis te hebben’, nee, hij dient ervoor te zorgen ‘dat leerlingen zich die kennis eigen maken’. Die gedachtekronkel kan ik niet volgen. Hoe kan een docent kennis doorgeven die hijzelf niet of nauwelijks heeft? Didactiek is toch geen lege huls maar een hulpmiddel om kennis en inzicht zo aantrekkelijk en aanstekelijk mogelijk over te brengen, vakkennis die de docent in overvloede heeft omdat hij altijd veel meer dient te weten dan welke leerling ook?
Ik vroeg eens aan een competentiegerichte lesgever of een docent Nederlands ook geschiedenis of aardrijkskunde zou kunnen geven. Als hij didactisch goed is moet dat kunnen, was het antwoord. Dit misverstand over de dominantie van didactiek ten koste van inhoud, dat wil zeggen vakkennis, blijkt hardnekkig, al lijken de goeroes van de lege leermethoden en de vakoverstijgende (vakvermengende?) projecten de laatste tijd in het defensief gedrongen. De dalende kwaliteit van het middelbaar onderwijs heeft alles te maken met de inhoudloze zwakheid van de huidige lerarenopleidingen, die systematisch te weinig degelijk opgeleide eerstegraads docenten afleveren. Maar, o Den Haag!, als bachelors na een handvol maanden didactisch kleien al voor klas 1, 2 en 3 mogen staan, zie ik de werkdruk van begeleidende docenten niet verminderen, integendeel. Er is eerder een onderwijskundig deltaplan nodig dan welke bindingstoelage voor wie ook. Liever inhoud dan een fooi. De kwaliteit van het onderwijs is een barometer voor de toestand in het land.