Perquin

Dagboek

Ik vond deze week mijn oude dagboek terug. Het is een dik schrift met een harde kaft, waarop een zon staat afgebeeld. Vanaf mijn veertiende tot mijn zestiende is het vrijwel dagelijks bijgewerkt. Onder mijn naam op de eerste pagina staat, in keurige letters, ‘Nosce te ipsum’ - ken uzelf.

Ik vond dat kennelijk een goed uitgangspunt toen ik aan het dagboek begon. De inhoud is nogal wisselvallig, zag ik al snel: lange stukken over godsdienst, de dood en (jawel hoor) Socrates worden afgewisseld met beschrijvingen van schooldagen, wandelingen of mislukte familiediners. Ergens staat een recept voor chocoladetaart. De rest van de aantekeningen betrof de liefde, natuurlijk. De onbereikbare variant. Waar heeft een mens anders een dagboek voor?
Het wemelde destijds blijkbaar van de brommerrijdende buurjongens bij wie ik achterop wilde, de aanbeden bovenbouwscholieren die mijn naam niet eens kenden en de briljante leraren ‘wiens hersenscan’ ik boven mijn bed wilde hangen. 'Nee, natuurlijk vindt niemand hem aardig. Hij geeft niets om hun zielige meninkjes, hij is zoveel groter dan dat…’ Zulke dingen. Doorspekt met vraag- en uitroeptekens ook, alsof alles wat destijds gebeurde grondig betwijfeld dan wel grondig bekrachtigd moest worden. Waarschijnlijk was dat ook zo. Ik kom er niet achter. Het dagboek van een puber biedt geen toegang tot een wereld, het doet er alleen verslag van. Het zijn de notulen van een leven waar je, eenmaal volwassen, buiten staat. Hoe verbazingwekkend om te lezen dat ik ooit 'hopeloos, eeuwig en tot in het oneindige verliefd!!!’ was op een Telegraaf-bezorger, die twee pagina’s later weer het veld moest ruimen. Dat lyrische, dat onwankelbare geloof in Het Moment, dat volstrekte gebrek aan relativiteit - was ík dat? Helemaal achterin ontdekte ik echter een tekst die duidelijk maakte dat ik wel degelijk in staat was over de tijdelijkheid der dingen heen te kijken. In furieuze balpenletters stond daar:'Als je dit later leest ga je er vast heel stom over doen. Als dat zo is ben je volkomen mislukt!’ Ik moest daarom glimlachen. Niet uit vertedering maar uit oprechte waardering. Jij komt er wel, dacht ik. Ooit kom jij er wel.