Dagboek van een humanistenhond

Hij werd vrijgesproken, maar de officier van justitie gaat in hoger beroep. Nederland, 1995: ‘christenhonden’ kan niet door de beugel. En het kwam nog wel van Multatuli, Gerard Reve en Karel van het Reve. Theodor Holman schrijft van zich af.

HET VOLGENDE VERHAAL hoorde ik van mijn oom Piet Spigt. Het is een verhaal dat bijna alle humanisten kennen.
Er was eens een oud verkommerd joodje. Hij had zijn vrouw, zijn zonen en een dochter verloren. Zijn zaak was verlopen, zijn bezit verloren gegaan. Nu woonde hij op een klein zolderkamertje. Het was er koud en vochtig. Laat ik niet vergeten te vertellen dat er een ruit was gebarsten. Nog steeds liep alles hem tegen. Maar op een ochtend toen hij zijn karig maal gebruikte, viel een sneetje brood dat hij net had gesmeerd op de grond. De boter lag boven. ‘Dat is een teken’, dacht het oude joodje. 'Zou er een wending in mijn leven komen?’ Daar moest hij met de rebbe over spreken. De rebbe hoorde het verhaal aandachtig aan, knikte en zei dat hij erover na moest denken, want het was niet eenvoudig. De man moest maar eens terugkomen. De volgende morgen ging de man meteen naar de rebbe om te vragen of die al tot een conclusie was gekomen. 'Nee’, zei de rebbe, 'ik wens er ook met een collega over te spreken.’ De volgende dag was hij weer vroeg bij de rebbe: 'Rebbe, kan het zijn dat mijn lot zal keren?’ 'Nee’, zei de rebbe, 'ik heb er lang en diep over nagedacht. Ik heb de kwestie besproken met een collega, maar nee. Die voordelig gevallen boterham mag je niet beschouwen als een teken van wending in je leven. Je moet maar denken dat je je boterham aan de verkeerde kant had besmeerd.’
IK HAD DIE dag voor het eerst een faxapparaat, en het antwoord dat ik kreeg op mijn eerste verstuurde fax ('Doet ie het?’) was: 'Gelieve u te melden bij het politiebureau Pieter Aertszstraat i.v.m. een klacht. U wordt verdacht van discriminatie.’ Discriminatie? Ik? Wat kon dat in godsnaam zijn? Ik zocht in mijn computer naar stukken over mijn moeder, want waarschijnlijk had ik een Indische tante van mij beledigd of iets onaardigs gezegd over het Jappenkamp, maar ik kon niets vinden. Ik zocht en zocht. Ik schrijf wel eens over vrouwen in de krant - dat moest het zijn! En dus spoedde ik mij goedgemutst naar de Pieter Aertszstraat, want ik wist zeker dat een of andere vrouwenbeweging mijn stukken verkeerd had gelezen en vond dat ik iets seksistisch had geschreven.
Ik moest mij melden bij inspecteur Van der Lijcke. Inspecteur van der Lijcke - alleen hele slechte detectiveschrijvers gebruiken zo'n naam voor een inspecteur. Ik wachtte en opeens kwam daar een beeldschone vrouw door de deur, die zich voorstelde als inspecteur Van der Lijcke - en ik moest denken aan mijn held Gerard Reve: 'Inspecteur, laat u uw uniform maar aan.’ Inspecteur Van der Lijcke nam mij mee naar een kamer en zei me dat ik verdacht werd van discriminatie wegens een stuk dat ik in Het Parool had geschreven. Er was een klacht ingediend en de officier van justitie mijnheer De Graaff gelastte nu een onderzoek. 'Ik ben dus een verdachte’, zei ik lacherig.
'Inderdaad, verdachte in een strafzaak’, zei inspecteur Van der Lijcke streng.
'Maar wat heb ik dan gedaan?’ vroeg ik.
Inspecteur Van der Lijcke gaf me een column van mijzelf, waarop acht woorden geel oplichtten: 'Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger, (…)’
Er ontspon zich een Pinter-achtige dialoog.
'Hebt u, mijnheer Holman, deze zin geschreven?’
'Ik zie geen zin, wat bedoelt u?’
'Hebt u geschreven: “Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger”?’
'Dat artikel dat u daar heeft, heb ik geschreven. Maar u noemt niet een zin op, u noemt slechts acht woorden van een zin die vele, vele woorden langer is.’
'Maar deze zin heeft u geschreven?’
'Nee, ja - ik bedoel: een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt. Uw zin begint weliswaar met een hoofdletter, maar eindigt met een komma, dus er komt nog iets achter.’
'Maar deze acht woorden heeft u geschreven?’
'Ja, ik heb inderdaad deze acht woorden geschreven, en ook in die volgorde, maar ik heb ze geschreven in een zin en die zin laat u mij niet zien, en die zin stond in een artikel, en u kunt niet alleen die acht woorden uit dat artikel lichten, begrijpt u?’
Ja, inspecteur Van der Lijcke begreep het geloof ik wel. Maar wat moest ze nou doen? 'Ik heb graag dat de officier de zaak niet seponeert’, zei ik toen, 'want ik wil wel eens weten of je op een halve zin kunt worden veroordeeld. Want dit is belachelijk, nog afgezien van de inhoud.’ De inspecteur maakte een keurig rapport van een paar regels en we namen hartelijk afscheid. Later zou inderdaad de hele zin in de dagvaarding staan.
OOK DE ADJUNCT-hoofdredacteur van Het Parool werd verhoord. En daarna hoorden we een hele tijd niets. Na een paar maanden maakte ik een column over een en ander. En toen ging het zaakje rollen. Ik schreef dat de officier de zaak kennelijk had geseponeerd, want ik had niets meer gehoord. Dat schoot helemaal in het verkeerde keelgat van officier De Graaff. Hij belde boos naar de krant, en daarna boos naar mij. Seponeren? Geen sprake van. Ik zou er nog van horen. Maar weer hoorde ik niets. Wie mij had aangegeven? Ik wist het niet. Waarvan werd ik nou eigenlijk verdacht? Discriminatie? Omdat een paar christenhonden zich beledigd voelden? Ook dat wist ik niet.
Een half jaar na die column ging ik op vakantie. Toen ik terugkwam, lag er een brief in de bus waarin stond dat verdachte H. ter zitting diende te verschijnen. Twaalf uur later stond Nova bij me op de stoep, veertien uur later schalde mijn naam door de ether via de EO; al het rottend fruit uit hun muzikale fruitmand hadden ze voor mij bewaard. Mij even bellen, naar goed journalistiek gebruik, ho maar.
DE ZIN WAAR het om gaat, luidt: 'Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger, bidden iets kinderachtigs en de kerk een poppenkast, hoewel ik niemand het recht wil ontzeggen misdadiger of kinderachtig te zijn of van poppenkast te houden.’ Ik zou hem nadien nog zo'n honderd keer in allerlei variaties uitspreken, zien en horen. Het was een zin waar ik veel plezier om had toen ik hem schreef. Het woord 'christenhond’ kwam uit Max Havelaar, wist ik - later zou Karel van het Reve de juiste vindplaats melden. Over de misdadigheid van het christendom had Multatuli ook geschreven in 'Idee 437’, waarin hij schrijft over de bijbel: 'En ook zonder de verstandbedervenden invloed van de vertellingen waarop het christendom gegrond is, hoe kunnen ouders hun kinderen een boek in handen geven, dat onovertroffen is in schunnige taal en walgelijke vuiligheden?’ Vervolgens gaat Multatuli over in het eveneens bekende: 'Uw gehoorzame zoon liegt, bedriegt, steelt, moordt, rooft en hoereert? ’t Staat in de bijbel, zegt-i. Uw dochter doet als uw zoon: ’t Staat in de bijbel, zegt ze.’
Ook de rest van de gewraakte zin uit mijn column was gemonteerd uit uitspraken van Reve, Van het Reve en Multatuli. 'Bidden iets kinderachtigs’ was een verwijzing naar 'Idee 163’ van Multatuli, waarin hij tevens de relatie legt tussen bidden en misdadigheid: 'Bidden zou dus, als ’t niet kinderachtig ware, een misdadige poging zijn om de Natuur te verlokken tot wanorde.’ Karel van het Reve ging daarop door in 'De ongelooflijke slechtheid van het Opperwezen’ en noemde daar bidden 'bizar’.
Ik weet nog dat ik dacht aan Karel toen ik die zin schreef, dat ik hoopte dat hij de Multatuli-verwijzing zou ontdekken. Daarom versterkte ik de zin met een uitspraak van zijn broer. In 1969, tijdens de geruchtmakende uitzending in de Heilige Hartkerk, zei Reve letterlijk: 'De katholieke kerk is een poppenkast en in een poppenkast hoort een Jan Klaassen.’ Ik geloof zelfs dat in de Ideen (ja, twee e’s maar) die uitspraak ook voorkomt. Verder vloekt kapitein Haddock nog ergens met de term 'christenhond’ of wordt Kuifje daarvoor uitgescholden, dat weet ik niet meer, want mijn dochter heeft mijn Kuifjes.
In Multatuli ben ik beter thuis. Mijn vader vertaalde voor Garmt Stuiveling wat dingen van Multatuli uit het Maleis, zoals in deel negen van het Verzameld werk te zien is. Zoals anderen thuis uit de bijbel voorgelezen kregen, hoorden wij vaak de Ideen van Multatuli, want die waren lekker kort. De zin was dus een rangschikking van oude zinnen. Wie rangschikken er in deze tijd? Multatuli zei in 'Idee 244’: 'Lasteraars en dichters scheppen niet. Zij rangschikken.’ Ik was nu dus een lasteraar.
DE PUBLICITEIT die ontstond, vond ik, eerlijk is eerlijk, aanvankelijk wel komisch - daar ging het toch ook om - maar later verschrikkelijk. Je moet er een bepaalde constitutie voor hebben, en die heb ik niet. Ik wind me over alles op, dus ik was voortdurend kwaad, verontwaardigd, uitzinnig blij en dan weer beledigd. Zo'n zaak leert je waar je vrienden zitten. Niet dus bij HP/De Tijd - waar hoofdredacteur Gerard Driehuis nog geen half jaar geleden had zitten slijmen om mij in te lijven en mij nu opeens grove draaikonterigheid verweet en dommigheid omdat ik niet in God geloof - maar wel weer bij Trouw. Trouw, dat christelijke dagblad dat zich net zo goed beledigd kon voelen, vroeg mij een stuk te schrijven om uit te leggen wat ik nu eigenlijk had bedoeld. Zo hoort het. Ook de andere kant werd door hen benaderd. Ze interviewden de Amsterdamse politie-inspecteur Tieleman, een godvrezend man die zich bij de eerste klager had gevoegd met de redenering dat hij in zijn hoedanigheid van inspecteur en christen juist de misdaad bestreed en dus noch misdadiger noch hond genoemd wenste te worden. Hoewel ik medelijden heb met Tieleman, want zijn gedachtenwereld lijkt me een zware last om te torsen, is het gekke dat het niet in mijn hoofd zou opkomen hem 'hond’ dan wel 'misdadiger’ te noemen. Waarom hij zich toch aangesproken voelde, is mij tot op de dag van vandaag een raadsel.
Meer moeite had ik met mr. J. Cordia, redacteur van het Nederlands Dagblad. Hij was de aangever. Mr. Cordia, een collega-journalist nota bene, die naar de politie stapt met een, zoals mijn advocaat dat noemde 'taylormade’-aanklacht. Tegenover Trouw ontkende Cordia in eerste instantie dat hij mij had aangegeven; pas toen men hem confronteerde met de brief die hij aan de officier van justitie had geschreven, gaf hij toe.
Wat betreft mijn kennissenkring waren het vooral Theo van Gogh (zelf artikel 137) en Bob Polak (proces tegen W. F. Hermans) die mij bijna dagelijks steunden. Onderschatting - dat was waaraan ik leed. Ik heb alles en iedereen in mijn naiviteit onderschat. Vooral mezelf. Ik kreeg dagelijks brieven en faxen. Ik werd bedreigd: 'We zullen je eens laten voelen hoe jij ons beledigd hebt. Als voorschot op de straf die je straks zult krijgen (mensen als jij en Hitler branden eeuwig in de hel) zullen wij je eens hardhandig aanpakken met je arrogante kop!’ Verder leerde ik uit de overige brieven dat ik vooral de Brief van Paulus aan de Romeinen moest lezen - negen keer kreeg ik het advies Romeinen 1:18-32 te bestuderen. Dat heb ik uiteraard gedaan. Het betreft hier de passage 'De schuld der heidenen en hun straf’. Onbegrijpelijk, wie kan, als hij ziet welke straffen God voor mij in petto heeft, van zo'n God houden? In mindere mate werd ik doorverwezen naar de Efeziers en het boek Deuteronomium. En ik kreeg vreemde telefoontjes: 'Spreek 'k met Holm'n, de godslasteraar? M'neer Holm'n, u spreekt met Wientjes. Ik zeg niet woor ik vandoan kom. Ik wou weul ’s weet'n, heb’d ook mij b'doeld? En zeg mi nou’s, waarom hebt da geschrewe? En moet’s luist'ren, heb’d ook wel eens met vreemde vrouw'n gedoan? Maar heb’d dan nooit lust 'had om met vreemde vrouw'n geslachtelijk verkeer te hebb'n? En denk oe, dat oe straf krijg van God wanneer u met vreemde vrouw'n verkeert? Dus u denkt niet dat er straf op staat?’
'Jij weet niet wat er in de wereld leeft’, zei mijn vriendin. Inderdaad. Wat ik erg vond, was dat men mijn oude moeder voortdurend lastig viel, hoewel ze zelf al die aandacht heerlijk vond. Op een dag belt ze me op: 'Ik ben gebeld door twee mannen die jou een geschenk willen aanbieden. Ze leken me heel aardig. Ze komen straks om twee uur.’ Ik snelde erheen, dacht dat het studenten waren met een of ander geintje. Ik kom de woonkamer van mijn moeder in en zie het al. Twee heren van in de vijftig. Ze hebben het mooiste geschenk voor me dat ze konden bedenken: een bijbel! Gratis! Laat ik nou al een bijbel hebben, heren. Wilt u nu weggaan, alstublieft? 'Of willen de heren nog een kopje koffie?’ vroeg mijn moeder, die de situatie niet helemaal snapte. 'Graag, mevrouw.’ Ik meende in het huis van mijn moeder geen blad voor de mond te hoeven nemen en heb de heren toen uitgelegd hoe ik dacht over God en sommige christenen. Maar het waren wezens van een andere planeet en zo keken ze ook naar mij.
'Je bent berucht’, zei mijn moeder, 'nu nog beroemd.’ Ik stelde haar teleur toen ik zei dat ik liever berucht was dan beroemd. Ik weet nu niet meer of ik dat meen, eerlijk gezegd.
EN TOEN HET proces. De Volkskrant schreef dat het een eindexamen leek waarvoor ik gezakt was - mijn advocaat en collega’s dachten daar anders over. De Nieuwe Revu deed het denken aan de Spaanse Inquisitie, hetgeen meer overeenkomt met het beeld dat ik had. Het proces duurde vier uur. Ik was uitgeput. Ik had op dat moment longontsteking, ik had twee migraine-aanvallen achter de rug en ik was door mijn rug gegaan. En steeds maar weer radioprogramma’s waarin ik moest verschijnen plus aanzoeken om in blaadjes te schrijven en altijd weer hetzelfde: 'Hoe ver mag de columnist gaan, mijnheer Holman? Dus u vindt ook dat u mag schrijven: “Alle joden moeten uitgeroeid worden en alle negers moeten worden doodgeschoten”?’ De leukste column die over mij verscheen, schreef Eppie Dam in de Leeuwarder Courant van 13 januari. Die heb ik opgehangen. 'Theodor syn opfetting dat “bidden iets kinderachtigs en de kerk een poppenkast” is, binne we gau mei klaar. It mei dudlik weze dat Theodor 1) in lomperik is en 2) gjin weet hat fan 'e heilsume wurking fan 'e poppekast - mar beide is net strafber.’
Was de vrijspraak een opluchting? De officier gaat in hoger beroep, dus ik ben er nog niet van af. Het vreemde is dat ik me inderdaad onrechtvaardig behandeld voel, en daarom zelf ook ben gaan verlangen naar een inhoudelijke toetsing van wat ik zeg. Maar zo'n proces, het duizend keer uitleggen, het voortdurend verkeerd begrijpen en begrepen worden - ik wens zoiets nooit meer mee te maken. Ik wil scheldend en tierend achter een tekstverwerker zitten, maar meer ook niet! Ik heb nu twee keer een proces gehad. En keer van de beledigde Centrumdemocraten en nu van de beledigde christenen. Ik wil dat niet meer.
Dit laatste proces heeft zeker een wending aan mijn leven gegeven. Maar ik denk maar dat ik de boterham aan de verkeerde kant had gesmeerd.