Dagboek van een vermeend terrorist

Deze zomer verschijnt bij uitgeverij De Papieren Tijger een boek van Hans Krikke over zijn lotgevallen als RaRa-verdachte.
Justitie ziet nog steeds geen reden om hem op te pakken. Maar Hans Krikke blijft RaRa-verdachte. Het pakte uit als een beroepsverbod, want opdrachten krijgt hij nauwelijks nog. De journalist hield een dagboek bij.

SINDS DRIE MAANDEN leef ik in een andere wereld. Het is een wereld waarin ik tegenover een onzichtbare tegenstander sta. Soms lijkt het alsof ik hem kan aanraken. Maar wat ik ook probeer, hij blijft onbereikbaar. Onaantastbaar. Ongenaakbaar ook. Hij speelt zijn eigen bedachte spel waarvan ik de regels niet ken.
Op 28 september 1994 komen ze mijn huis binnenvallen. Om vijf uur in de morgen. Met vijftien mannen en speurhond Lady. Ik ben dan nog onschuldig en word nergens van verdacht. Ruim een maand later krijgt mijn advocaat een fax. Er is een gerechtelijk vooronderzoek gestart. Ik zou lid zijn van een criminele organisatie die opereert onder de naam RaRa. In het aangekondigde onderzoek sluiten ze niets uit. Misschien heb ik wel de bommen gemaakt en gelegd. Of de catering voor de revolutionairen verzorgd. Of hen logistieke ondersteuning geboden. Of ideologische.
Het is nu twee jaar geleden dat RaRa voor het eerst mijn weg kruiste. Voor het weekblad Hervormd Nederland mocht ik de toenmalige staatssecretaris van Justitie interviewen. Om acht uur in de morgen stond ik op het station Lelylaan in Amsterdam. Mijn naam werd door de stationsintercom omgeroepen; of ik naar huis wilde bellen. Wat bleek? In de vroege morgen was een bom afgegaan bij het huis van Kosto. De persvoorlichter van de staatssecretaris, Ger Riphagen: ‘Meneer Kosto voelt zich niet zo goed. Kan het interview een week later?’ Twee jaar later, op 14 november 1994, krijg ik op hetzelfde treinstation te horen dat ik word verdacht van RaRa-activiteiten. Het is niet duidelijk waarom. Maar in de ogen van het Openbaar Ministerie ben ik een potentiele crimineel. Een terrorist.
IK BEN OP ZOEK gegaan naar antwoorden zonder te weten wat ik zoek. Ik weet ook niet wie ik moet aanspreken. Ik heb een advocaat, maar weet niets over mijn rechten. Ik mag klagen, maar er wordt niet geluisterd. Ik overweeg bodemprocedures en bereid een kort geding voor. Maar waartoe?
De kans is groot dat ik paranoide word. Ik ben bang. Bang om in te storten, bang dat de spanning me te veel wordt. Bang voor interviews met collega-journalisten - soms vijf op een dag. Bang dat ze me niet geloven of slechts het voordeel van de twijfel gunnen. Ik heb op de wc staan huilen voorafgaand aan een interview voor het vakblad voor medezeggenschap, OR-Informatie. Ik ben uit een treincoupe gestapt omdat mensen me herkenden en me als terrorist aanspraken. Ik kwam in de tram tegenover iemand te zitten die van de foto in de krant naar mij keek om vervolgens ergens anders te gaan zitten.
Teleurgesteld ben ik ook. In de NVJ, de Nederlandse journalistenvakbond. In de geringe ophef die er is gekomen over de volmachten die justitie zich toemeet zonder dat er controle op mogelijk is. Teleurgesteld in de houding van sommige opdrachtgevers omdat ze afhaken. Ik vecht tegen mezelf om niet verbitterd te worden.
Hoe lang het gaat duren? Ik weet het niet. Niemand schijnt het te weten. Een week, een maand, een jaar, twee jaar. Ze zeggen niets. Ik hou overal rekening mee. Op mijn tafel heb ik een stapel van boeken, verwerkte interviews, documentatie. Voor het geval ze me opsluiten. Achter de tralies wil ik niet werkloos mijn tijd verdoen.
28 SEPTEMBER Het is bijna halfacht. Ze pakken het grondig aan. Twee mannen met plastic handschoentjes doen de woonkamer. Ze kijken achter schilderijen, halen de klok van de muur, peuteren plinten los. Kasten worden overhoop gehaald. Ze kijken tussen onderbroeken en T-shirts. Persoonlijke correspondentie, fotoalbums. Ze zijn pas halverwege. De badkamer moet nog. De keuken, de slaapkamer. Elke kamer en elke kast krijgt een nummer.
D., mijn zoon, wordt wakker. Ik snel naar hem toe en probeer vrolijk te doen. Ik leg uit dat er vreemde mannen in huis zijn, dat ze iets zoeken. Maar waarom ze bij ons zijn en wat ze zoeken?
D. blijft op z'n kamer terwijl ik ontbijt voor hem maak. Met z'n drieen maken we van zijn kamer een vesting. Vorig weekend had D. op de kermis plastic speelgoed gewonnen, soldaatjes, tanks en ander oorlogstuig. Hij plaatst al z'n nieuw verworven speelgoed op de drempel.
D.: 'De mannen moeten eerst aan de soldaatjes vragen of ze ook in mijn kamer mogen komen, en als de soldaten dan nee zeggen, en ze komen dan toch binnen… dan worden ze heel groot en gaan schieten.’
Half negen. Onder politiebegeleiding mag ik D. naar school brengen. We praten. De agent blijft op veilige afstand achter ons. Ik hoor zijn voetstappen. Hij heeft een zware tred.
D. blijft doorvragen: 'Kunnen politiemannen ook slecht zijn en boeven zijn en stelen en…’ Ik probeer het verhaal van Robin Hood op hem uit.
MAANDAG 3 OKTOBER Half zeven in de morgen. Slecht geslapen. Weer hoofdpijn. Het regent. Ik maak ontbijt en zet koffie, steek een eerste sigaret op. D. kruipt bij C. in bed. Met z'n drieen ontbijten we. D. wil met alle geweld zijn Robin-Hoodpak aan.
Ik race van school naar kantoor. Vandaag gaan we opruimen. Ook het kantoor hebben ze op 28 september bezocht. Adressen, foto’s, correspondentie, jaarverslagen, artikelen, lopende produkties, vertalingen voor de NCRV-documentaire. Alleen de dossiers over Nederlandse directeuren hebben ze laten staan.
Ik ben bang dat ik niet verder kan werken en lopende opdrachten moet afzeggen. Ik probeer een overzicht te krijgen van de schade. Kan ik de serie over migranten en de arbeidsmarkt voor OR-Informatie afronden? De documentaire? Ook al mijn adressen uit Japan en China hebben ze meegenomen. De klootzakken.
D. is ziek van school thuisgekomen. Een van de moeders had al opgemerkt hoe opgewonden hij was. Hij was schreeuwend uit school gekomen: 'De politie in de gevangenis.’
Eindelijk komt de lang verwachte fax binnen van een vriend. Hij was ruim een maand geleden door iemand van de BVD benaderd. Ze wilden zomaar een praatje over een Turkse Koerd die bij de grens was aangehouden en die zijn naam had genoemd. Maar het onderwerp van het twee uur durende gesprek met de BVD was het journalistencollectief de Opstand en mijn persoon.
Ik lees de fax aandachtig. De viezerikken. Goed, het BVD-slachtoffer heeft hoog opgegeven over de activiteiten van Opstand ten behoeve van illegalen. Maar toch. Later bespreek ik het met de advocaat. 'Als je onder verdenking staat en ze nemen spullen in beslag, dan moeten ze op z'n minst argumenten hebben. De inbeslagname motiveren. Eigenlijk is wat er nu is gebeurd een legale inkijkoperatie.’
MAANDAG 14 NOVEMBER Kwart over zes. Ik race naar het station Lelylaan. Onder het fietsen probeer ik me de agenda van de vergadering van het illegalennetwerk te herinneren. In de trein wil ik de bijeenkomst voorbereiden. Nog twee minuten, snel koop ik een kaartje en ren de roltrap op. Dan klinkt de stationsintercom: 'Wil Hans Krikke met spoed naar huis bellen.’ Ik snel naar beneden en informeer bij het loket. Geen mededelingen. Wel kan ik een telefoonkaart kopen. Ik bel. 'Jullie worden van RaRa verdacht. De advocaat heeft een fax gekregen.’ Mijn adem stokt. Ook dat nog. Ik zak door m'n knieen. Ik probeer te denken maar het lukt niet. Moet ik Jan bellen? De advocaat? Of gewoon naar Den Haag gaan, naar die bijeenkomst? Ik bel Jan. Hij is er niet. Een kwartier loop ik met de telefoon te klooien. Ik bel nogmaals en besluit dat ik niet naar Den Haag ga.
Jan komt om een uur of acht op kantoor. Hij heeft de fax bij zich waarin een gerechtelijk vooronderzoek wordt aangekondigd, in verband met een 'criminele organisatie die het oogmerk heeft het doen exploderen van stoffen’. Artikel 140. Een berucht wetsartikel waarmee ze half Nederland kunnen oppakken. Onderhand weet ik al iets meer van dit artikel.
DINSDAG 15 NOVEMBER Tien uur in de morgen. De advocaat vraagt het nogmaals, ze wil absolute zekerheid. Wat heeft de politie bij ons weggehaald. Belastend materiaal? Nogmaals zeggen we dat ze niets hebben kunnen vinden. We houden ons niet bezig met aanslagen en dergelijke. De advocaat maant ons tot voorzichtigheid. Bewijsmateriaal kan weleens geconstrueerd worden aan de hand van telefoontaps en de post…
We nemen alles stap voor stap door. Ook de advocaat acht openbaarheid van onze kant een goede zaak. We besluiten om acht uur een beperkte persconferentie te geven. Vijf journalisten nodigen we uit.
Zeven uur in de avond. Jos van de Volkskrant is er al vroeg. Ik zet koffie en thee. De genodigden van andere dagbladen komen binnen. Het is inmiddels kwart over acht. De advocaat is er nog niet. We beginnen maar. Jos vertelt dat Zandbergen, de persofficier van Justitie, om zeven uur een persconferentie heeft gehouden om het gerechtelijk vooronderzoek toe te lichten. Later, in de correspondentie met de deken van advocaten, blijkt dat Zandbergen meer informatie heeft verstrekt aan de verzamelde pers dan aan de verdachten, Jan en ik.
Op de burelen van Opstand geven we voor de zoveelste keer tekst en uitleg. Wat we doen. Dat we links zijn. Dat we niets te verbergen hebben. Dat we misschien kritisch zijn, maar dat dat nog niet dergelijke ondemocratische methoden rechtvaardigt. We laten de term 'beroepsverbod’ vallen.
Om negen uur staat de telefoon roodgloeiend. Iedereen wil ons ineens voor de buis en op de radio. We besluiten in te gaan op het verzoek van RTL om in het late avondnieuws te verschijnen. Voor we met de taxi richting Hilversum vertrekken, staan we eerst nieuw gearriveerde collega-journalisten te woord. NOS-journaal, Algemeen Dagblad, ANP, Avro-radio. Om twee uur ’s nachts lig ik in bed. Kapot. Om half acht gaat de wekker.
>u602<WOENSDAG 16 NOVEMBERNegen uur. Ik ben al op kantoor en blader de kranten door. Volkskrant, Trouw, Algemeen Dagblad. De koppen: 'Justitie heeft RaRa op de korrel.’ Ik heb te weinig en heel onrustig geslapen. Geheel tegen mijn gewoonte. Ik voel me koortsig. We gaan vandaag in Den Haag de spullen ophalen. De telefoon gaat, ik spreek door twee telefoons, twee interviews in een keer. Handig maar lastig. We vertrekken te laat. In de auto lezen we de kranten nog eens na. Het AD heeft het beste stuk. Kort, zakelijk en toch sympathiek. In de auto maak ik me kwaad over de NVJ. Slappe hap. Halfzacht. Bang om teveel geassocieerd te worden met geengageerde journalistiek. Met links. Links zijn is vragen om moeilijkheden.
Als we bij het depot van de Haagse politie aankomen, staat er een heel leger cameramensen en journalisten. Links en rechts een interview. Mijn vrienden van het Ondersteuningscomite Illegale Arbeiders zijn er ook. Hun handen op mijn rug doen me goed.
Of ik bang ben, vraagt een journaliste. 'Nee, natuurlijk niet. We hebben niets te verbergen. Het is justitie dat juist iets te verbergen heeft. Hun falen in het opsporen van de RaRa-activisten.’ Maar ik ben wel bang. Zenuwachtig. Mijn darmen zitten in de knoop.
In het depot worden we naar een kamer gebracht. Twintig dozen staan op karretjes. De computers staan bij een stopcontact zodat we kunnen controleren of ze het nog doen. We vragen koffie. Een van de aanwezige politieknullen herken ik. Het is het jochie dat mij in de gaten moest houden op de vroege ochtend van 28 september. Ik lach naar hem. Hij draait zich verlegen om.
Ze hebben er een grote puinhoop van gemaakt. Papieren en foto’s hebben ze in vuilniszakken gekieperd. Na veel vijven en zessen besluiten we de boel in te laden. De stencilmachine van Jan, een ding uit het jaar nul, bezorgt de meeste last. Loodzwaar. Als we naar buiten komen, staan de collega-journalisten er nog. Nog meer interviews.
Eindelijk vertrekken we richting Amsterdam. We discussieren bijna een half uur over de vraag of we nu moeten doorrijden of ergens moeten stoppen voor een bak koffie. We stoppen bij een Van der Valk-restaurant, eten een broodje. Om vier uur komen we aan in de Pijp. Als we bij de Albert Cuyp komen, zie ik de cameraploegen al staan.
Alle dozen staan nu boven in het lokaal. de ploeg van het NOS-journaal loopt rond. RTL. En weet ik wie. Ik beantwoord wat telefoontjes en ga achter de computer zitten. Een brief schrijven aan een contact in Hong Kong. De voorbereidingen van mijn Chinareis schieten er aardig bij in. Ik ben vastbesloten om te gaan. Naar China. Voor onderzoek naar de vakbeweging in het 'Tweede Japan’.
VRIJDAG 18 NOVEMBER Ik word gebeld door een journalist. Wat mijn reactie is op de Hervormd Nederland. Ik weet van niets. Wat blijkt? In de Trouw van vandaag staat een stukje waarin Bert van Duin, de hoofdredacteur van Hervormd Nederland, de samenwerking tussen ons heeft opgezegd. Omdat we in opspraak zijn geraakt. Dat kan toch niet. Voor Hervormd Nederland ben ik kennelijk al veroordeeld. Ik denk aan het telefoongesprek met Nova, over onze documentaire over de Rotterdamse haven. Ze wilden het graag hebben, maar ik mocht het niet produceren. 'Jouw naam he, dat begrijp je toch wel? Maar mogen we het idee wel overnemen?’ Dan kan ik toch meer waardering opbrengen voor Van Duin; hij spreekt zich tenminste openlijk uit. Anderen zeggen wel dat de samenwerking voortgezet kan worden en dat we onschuldig zijn zolang we niet veroordeeld worden. Maar ondertussen willen ze niets meer van je. Het is het lot van een freelance journalist. Ik vrees voor mijn trip naar China. Verdomme, laat dat in godsnaam wel doorgaan.
DONDERDAG 1 DECEMBER Om half vier belt Ger van Dongen van de NCRV. Hij is ongerust dat we de door ons gemaakte NCRV-documentaire De zwarte draad willen gebruiken in de affaire. Met trillende stem: 'Een persviewing jongens, dat kan helemaal niet.’ Hij ontploft bijna aan de andere kant van de telefoon. 'Er zijn al leden die opzeggen. Dat is toch lastig.’ En: 'De producent weet toch dat we geen pers over de documentaire en RaRa willen.’
Ik probeer hem te kalmeren en duidelijk te maken dat de voorstelling bedoeld is voor intimi. Als afsluiting van het project. Met alle betrokkenen. Dat er geen pers wordt uitgenodigd om over de documentaire te schrijven. Het is de omgekeerde wereld. Van Dongen zegt op zoek te gaan naar de producent.
Even later weer telefoon. Ger van Dongen: 'Ik heb het nog eens goed bekeken. Maar de producent heeft de documentaire nog niet bij ons opgeleverd. We kunnen nog altijd nee zeggen en ons geld terugeisen.’ Ik probeer rustig te blijven. Probeer me in de positie van Van Dongen te verplaatsen. Het lukt me niet. Ik stel voor een briefje te schrijven naar de journalisten onder de uitgenodigden voor de voorstelling, dat het niet om een persviewing gaat. Van Dongen bindt in. Onze voorstelling van de documentaire over het illegale gezin kan doorgaan. Maar gaat de NCRV de documentaire wel uitzenden, vraag ik me af.
MAANDAG 5 DECEMBER Kwart over negen op het station Lelylaan. De trein naar Den Haag rijdt vandaag niet. Naar Schiphol en overstappen op een boemel richting Den Haag CS. Ik kom te laat. Als ik het Paleis van Justitie zie, een grijs betonnen bunker, bekruipt me een angstig gevoel. Krijgen we nu eindelijk inzage in het dossier en kunnen we de argumenten lezen op grond waarvan justitie bij ons is binnengevallen en op grond waarvan men ons later als RaRa-activisten brandmerkte? Bovenaan de trap staan twee cameraploegen. Ik ga naar binnen. Jan en de advocaat zijn er al. We wachten een uur. We mogen naar binnen. Een glimmende klapdeur wordt voor ons open gehouden. Een lege kille zaal. Een portret van de koningin. Een mevrouw en wat heren op een rij. Rechts de officier van Justitie, meneer De Groot. De raadszitting begint.
Het is een hele zit op de bankjes. De advocaat leest haar pleidooi voor. Een gedegen stuk. Na Jan houd ik een geemotioneerd verhaal. Mijn stem is zwaar. Er zit een brok in mijn keel. Vijftien minuten, een half uur? Ik praat en probeer iets zinnigs te zeggen. Het liefst zou ik gaan schelden, maar ik weet me te beheersen. Zoals ik al bijna twee maanden heb gedaan. Mevrouw Tan, de rechter luistert. Of doet ze alsof ze luistert? Ik zie het verschil niet meer. Ik wil weg. Deze zaal uit, omdat ik voel dat we hier geen antwoorden vinden.
Mevrouw Tan geeft de officier van Justitie de gelegenheid iets te zeggen. Onder het aanhoren van onze pleidooien is de officier van Justitie rood aangelopen. Nu pas herken ik hem, althans dat denk ik: hij was op de 28ste september bij mij thuis. De Groot is niet welbespraakt. Hakkelend richt hij zich tot de rechter. De griffier schrijft met hem mee. De Groot meent dat het dossier nog niet overhandigd mag worden. Volgens hem is alles fatsoenlijk en behoorlijk gegaan. Volgens hem mogen Jan en ik niet klagen omdat alles volgens de regels is verlopen. Hij zegt ook dat de opsporing van RaRa de hoogste prioriteit krijgt bij het Openbaar Ministerie, het OM is al jaren bezig met het RaRa-onderzoek, en het kan toch niet dat de resultaten van al dat werk zo maar worden prijsgegeven? De Groot heeft het over een stamonderzoek, over takken. Hij zwaait met zijn armen, hij bootst een boom na. Levende en dode takken. Inzage in het dossier, zo besluit hij zijn betoog, zou de veiligheid van de staat schaden.
Als de zitting gesloten wordt, overhandigt De Groot me een paar brieven. In een daarvan staat dat hij graag rekening wil houden met het feit dat ik voor twee maanden naar China ga, en dat ze daarom mijn vriendin en zoon wel met rust willen laten. Voorzover hij het kan overzien, is er nog geen aanleiding om mij op te sluiten.
Een week later krijgen we bericht dat we het dossier niet mogen inzien. De advocaat is teleurgesteld, na de zitting op 5 december was ze nog hoopvol. We zouden nog wel iets krijgen, meer dan wat we nu hebben: het huiszoekingsbevel en de aankondiging van het gerechtelijk vooronderzoek. Verder niets. Helemaal niets. Ik vestig mijn hoop op het kort geding tegen de persofficier van Justitie, Zandbergen. Een kort geding wegens smaad.
DONDERDAG 8 DECEMBER Het cafe is schaars verlicht. Het is tien uur in de avond. Een paar jongeren hangen over de bar. Het is lang geleden dat ik hier geweest ben. Vrankrijk, het voormalige kraakcafe heeft een solidariteitsbijeenkomst georganiseerd. De baropbrengst gaat naar het onlangs opgerichte steuncomite. J. en ik moeten een praatje houden. Om elf uur, als er dertig gasten zijn, beginnen we. J. en ik stellen ons achter de bar op. Ik vertel wat er sinds de inval van 28 september aan publiciteit en rottigheid is losgebarsten. De nadruk leg ik op artikel 140 en hoe we daar als sociale beweging mee moeten omgaan. Veel vragen. J. vertelt over de activiteiten van het steuncomite. Om middernacht zijn we klaar.
Na afloop schiet een jongen mij aan. Hij is moeilijk verstaanbaar omdat de muziek weer is aangezet. Schreeuwend vertelt hij mij wat hem in september is overkomen. Hij liep op straat toen een BVD-functionaris hem aansprak: 'We houden je wel in de gaten. Wij weten dat je van RaRa bent. Geef de andere namen maar.’ Terwijl ik zijn relaas aanhoor, besluit ik morgen contact op te nemen met het bureau dat onderzoek doet naar veiligheidsdiensten.
IK WEET NIET WAAROM ik gebeld heb voor een afspraak. Wat denk ik te weten te komen? Of wil ik alleen maar gerustgesteld worden? Een verklaring aangereikt krijgen dat de BVD, de PID of hoe ze ook mogen heten, het RaRa-onderzoek hebben geintensiveerd. Dat ze tientallen mensen ondervragen en benaderen en dat ze toevallig bij mij thuis en op kantoor zijn binnengevallen?
Ik hoor hun verhaal aan. RaRa als excuus om alles wat links is in diskrediet te brengen. RaRa als ultieme rechtvaardiging voor onderzoek naar potentiele staatsvijanden. Ik hoor over het Oktopus-programma in het kader van een project om de samenwerking tussen de verschillende opsporingsdiensten te verbeteren. Oktopus is een computerprogramma om alle gegevens centraal op te slaan en waarmee naar willekeur kan worden gecombineerd om het linkse netwerk - de Umwelt van RaRa - te analyseren. Er gaan theorieen over tafel. Justitie en de BVD, concurrentiestrijd, de een wil scoren ten koste van de ander. Een andere theorie: de frustaties bij het opsporingsapparaat. De provocatietheorie. En de theorie over de autonome ontwikkeling van het justitieel apparaat, dat zijn eigen doelen kan formuleren. De komplottheorie.
Ik fiets door Amsterdam en kijk naar de dreigende lucht. Het gaat zo weer regenen. Ik denk terug aan 28 september, de dag van de inval. Hebben we er wel goed aan gedaan om de publiciteit te zoeken. Wat waren onze motieven ook al weer om na de inval een persbericht te maken? Mijn gedachten springen over naar het gesprek van vanochtend. Ik moet denken aan de opmerking: 'Je weet niet wat je niet weet.’ En: 'Als ze ergens niet moesten zijn, dan is dat wel bij Opstand.’