Dagboek van een vermeend terrorist (2)

Op 28 maart, een half jaar na de huiszoekingen en vage verdachtmakingen, zijn Jan Muter en Hans Krikke opgepakt door justitie. Eindelijk zou alles helder worden over de vermeende Rara-terroristen en de bewijslast tegen hen. Maar nee. Na een week konden ze weer gaan. Hans Krikke hield in het gevang zijn dagboek bij.
HET KWAM TOCH onverwacht. ‘Meneer, wilt u even meekomen. U bent gearresteerd.’ Dat was dinsdagochtend 28 maart 1995. Kwart voor negen. Het is me al die tijd niet gelukt om via de hoofdingang dit rijk van de schaduwen binnen te komen. Ze lieten ons niet toe. Gearresteerd, werd ik via de kelder naar binnen gebracht. Ik heb er lang op gewacht om hen te leren kennen. De koningen en hun soldaten. Nu heb ik de kans om ze te begrijpen. Te begrijpen waarom zij Jan en mij als een gevaar voor hun orde beschouwen. Hier in mijn nieuwe betonnen verblijf van twee bij twee kan ik hun logica leren kennen.

‘Ik praat toch gewoon Nederlands?’ Een van de bewakers hangt in de deuropening van de douche. Twee buitenlandse jongens wassen zich. Ik sta in m'n nakie. Praten mag ik niet. Ik ben een arrestant 'met beperkingen’. Geisoleerd van de rest. De verzorgers hebben hun dagtaak. Ze wekken de arrestanten, geven ze te eten, zeggen wanneer het tijd is om te wassen of te luchten. De verzorgers worden gedirigeerd door de wachtcommandant, de baas in dit gebouw.
De verzorgers hebben het er nog over, over de brand van enkele jaren terug. Traumatisch voor sommigen van hen. De boel was helemaal afgefikt. Een paar doden, wat ontslagen en veel trauma’s. Een arrestant had een aansteker naar binnen gesmokkeld. Ik moest m'n schoenen uitdoen, sokken, broek, onderbroek. Alles wordt gecontroleerd. Een keer, twee keer. Vingerafdrukken, foto. Ik ben een boef.
Mijn betonnen onderkomen is geel. Het is voorzien van toilet annex wastafel. Een bank, een matras. Strips en pulpbladen met geklede en naakte meisjes. De pagina’s plakken aan elkaar.
Morgen, 3 april, moet ik weer voorgeleid worden. Vijf hele dagen zit ik hier nu al. En morgen krijg ik tien extra dagen.
DE TIJD WORDT over mij uitgegoten. Toch plan ik mijn dag. Geen dag zonder agenda. Ik probeer mijn autonomie te houden. Elke dag een lijstje: honderd pagina’s lezen, brief aan C., tekening voor D. Vragen aan Ties Prakken, mijn advocaat, contact met de buitenwereld. Dagboek drie pagina’s. Om 8 uur komt het ontbijt, dan doe ik mijn oefeningen. Het verhoor. Altijd onverwacht. Half twaalf lunch. Iglo-maaltijd, met appel of sinaasappel. Verhoor. Douchen. Luchten. Slapen. Tussendoor schrijf ik. En als ze mijn tijd claimen denk ik aan wat ik straks ga doen als ik weer in cel 306 zit.
Mijn cel 306 op de 'Haag’, het hoofdbureau van politie regio Haaglanden, is een luxe verblijf vergeleken met de hokken op het paleis van justitie. Daar stinkt het. Alles is vies. Maar in de echte cellen is meer afleiding. Proza: 'Fuck the judge.’ 'Hunter groet al zijn vrienden.’ 'Een joint in de morgen is een dag zonder zorgen.’ En hele stripverhalen over boeven en agenten. Veel Ali’s en Achmeds.
De boevenwagen. Een echte. Voor echte zware criminelen. Ik zit apart want ik mag met niemand praten. Het arrestantenbusje is gezelliger: twee buitenlandse jongens waarvan een in zijn pyjama, zo van het gesticht het gevang in. En een meisje, bleek gezicht, diepe wallen onder haar ogen. 'Dope’, zegt ze. Ze heeft twee nachten niet geslapen en wil een sigaret. In een paar minuten troggelt ze twee sigaretten af van een van de jongens en een half pakje shag van mij.
'Gaaf zeg, je ziet er niet uit. Ik bedoel je ziet er niet uit alsof je iets gedaan hebt. Waarom ben je hier?’
BUBBEL NOEM ik hem. Hij woont en werkt in de schaduw. Dagenlang heeft Bubbel mij geobserveerd in de buitenwereld. Mijn telefoongesprekken afgeluisterd. Mijn dagboeken gelezen. Vrienden en opdrachtgevers ondervraagd.
Ze vertelden dat ze honderd vragen hadden. Honderd. Ik doe mijn ogen dicht en luister. Ik geef geen antwoord. Kijk naar de grond. Ik heb zweethanden. 'Moet ik je soms uit je stoel schoppen?’ Ik geef geen sjoege. Hij staat op en herhaalt zijn dreigement. Ik verzet de stoel zodat ik met m'n rug naar hem toegekeerd zit. Voetstappen. Met stoel en al word ik verplaatst. Bubbel belt de verzorger dat 'meneer van 306 weer opgehaald kan worden’.
Bubbel is naar eigen zeggen al sinds 1988 met Rara bezig. Bubbel weet veel. Hij heeft dagboeken van C. gelezen. Hij zegt dingen over C. te weten die ik niet weet. Hij intimideert, provoceert en irriteert. Mijn hart slaat soms in m'n keel. Gerrit, de andere, speelt de meelevende rechercheur. Een klassiek spel: Bubbel is de harde, Gerrit de zachte. Het duurde even voordat ik het door had. Bubbel: 'Als je wilt tik ik je zo in elkaar.’ 'Je bent een leugenaar, gewoon een crimineel, een radicale ultra-linkse crimineel.’ Bubbel is voortdurend in de aanval. Soms doet het pijn. Echt pijn. 'Leuk voor je zoontje om straks z'n vader in de gevangenis te bezoeken.’ Gerrit heeft een vrouw die ook bij de politie zit. Zij doet de verhoren bij de zedenpolitie. Gerrit brengt de koffie en heeft altijd een doosjes lucifers op zak.
IK ZWIJG AL vijf dagen lang. Ze proberen twijfel te zaaien, me uit te putten, me te provoceren. Ik doe een beroep op het zwijgrecht. Toch gaan ze door, elke dag, ’s ochtends, ’s middags en als het even kan ’s avonds. Ik zwijg en blijf zwijgen. En dat terwijl ik zoveel wil zeggen. Praten, uitleggen, ontmaskeren, vloeken en schelden. Maar elk woord keert zich tegen mij. Alleen als het hele dossier op tafel ligt, pas dan wil ik praten. Ik wil weten waarom, en vooral waaraan zij het recht meenden te ontlenen om een half jaar geleden mijn huis, dat van Jan en het kantoor binnen te vallen. Zomaar alles meenemen, ons prive-leven ontwrichten en ons werk saboteren. Ik wil pas praten als zij openheid van zaken geven. Niet ik hoef te bewijzen dat ik onschuldig ben; zij moeten bewijzen dat ik die ultra-linkse radicale bommenlegger ben.
Bubbel zei het al op de eerste dag van het verhoor: 'Je zult altijd bekend blijven als Raralid, wat er ook gebeurt.’ Onschuldig of niet, we worden gebrandmerkt.
RECHTERCOMMISSARIS Ruys laat op zich wachten. Ik was er al om 8 uur. Vier uur in een stinkende cel doorgebracht. Ruys is ongetwijfeld een man van regels. Precies vijf minuten voor twaalf, drie dagen geleden kreeg ik van een hulpje van de officier van justitie de inverzekeringstelling. Ruys is dezelfde gebleven - zes maanden geleden kwam hij, en vele anderen, mijn huis binnenstormen. Ruys moest erop toezien of de huiszoeking en de inbeslagname wel ordentelijk verliep. Ik zie hem nog staan in de keuken, terwijl hij mijn werktas bekijkt. Een grote vangst. Trots hield hij een artikel uit het maandblad Konfrontatie omhoog.
Ruys moet beslissen of Jan en ik nog drie dagen vastgehouden worden. Als onafhankelijke moet Ruys de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling beoordelen, die ik die ochtend van mevrouw Horstink, de officier van justitie, uitgereikt kreeg.
Ik leg een verklaring af. 'Ik ontken de claimbrieven van Rara te hebben geschreven. En ik ontken lid te zijn van een organisatie die zich Rara noemt.’ Verder zeg ik Ruys dat ik op 'feiten’ reageer als het hele dossier op tafel ligt. Ook beklaag ik me over de behandeling tijdens de verhoren. En dat prive-gegevens van C. tegen mij gebruikt worden. Ruys neemt er notitie van. Hij schrijft alles op, dicteert volzinnen aan een typist en legt de uitdraai voor ons neer, ter ondertekening.
Ties houdt een pleidooi voor onmiddellijke invrijheidsstelling. De man doet of hij wikt en weegt. Maar besluit: 'Met prive-omstandigheden kan ik geen rekening houden.’ Hij doelt op de zwangerschap. Verder: 'Alles is binnen de beleidsvrijheid geschied’, dat wil zeggen: ze zijn niet over de grenzen van het recht gegaan. Punt. Drie dagen.
HET DOSSIER! Hier heb ik een half jaar op gewacht. Nachten van wakker gelegen. Dit is de bewijslast tegen Jan en mij. Het dossier dat moet aantonen dat wij de Rara- claimbrieven hebben geschreven. Of nog erger, lid zijn van Rara. Ik lees.
Het eerste deel van het dossier is een opsomming van de ongeveer 120 vragen die op ons afgevuurd zijn de afgelopen vijf dagen. Vragen over kranteknipsels, artikelen, ideeen en ideologieen. Het onderzoek is gebaseerd op het onderbouwen van de verdachtmaking, een soms krampachtige poging om te bewijzen dat ik schudig ben aan lidmaatschap van een criminele organisatie. De bewijslast is flinterdun.
De huiszoeking van 28 september blijkt gebaseerd te zijn op vijf 'harde feiten’. Mijn naam komt voor in de agenda van een illegale Turk die vast heeft gezeten in Nieuwersluis en lid is van een een linkse Turkse organisatie. Een anonieme tip dat Jan organisaties bezocht waar financiele steun voor Rara werd gegeven. Jan en ik hebben contact gezocht met de Dienst Inspectie Arbeidsverhoudingen, de dienst waar op 1 juli 1993 een bom afging. En een Telegraaf-artikel waaruit een citaat van mij werd gelicht: 'Ik wijs aanslagen principieel niet af.’ De journalist had nog het fatsoen om erbij te vermelden dat mijn principiele opstelling wel gezien moest worden 'in omstandigheden zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog’. Verdacht waren ook mijn contacten met het tijdschrift Konfrontatie.
Kortom: een telefoonnummer in de agenda van een illegale linkse Turk, een niet te checken anonieme brief, een tendentieus artikel in de Telegraaf, werkcontacten met een instantie en een links tijdschrift. Sluitende bewijslast?
Het dossier bevat ook een deel van het onderzoek op basis van de inbeslaggenomen spullen. Middels een speciaal ontworpen computerprogramma zijn de claimbrieven van Rara en de teksten van Jan en mij vergeleken. Wat blijkt: We spreken Nederlands. Weten wie Fukuyama is, wat 'pacifisme’ betekent en wat 'corporatisme’. Termen, zo wordt ons ten laste gelegd, die niet voorkomen in het dagelijks taalgebruik. En schrijffouten: we schrijven 'burgermeester’ in plaats van 'burgemeester’.
Verder is de bewijslast samengesteld uit de weergave van telefoontaps. Het feit dat wij in beperkte kring na de invallen van 28 september vorig jaar speculeerden over 'Rara’ wordt als belastend gezien. Als je huis en kantoor wordt geplunderd en ze nemen materiaal over 'linkse’ onderwerpen mee, dan mag je niet denken, laat staan praten over je bange vermoeden dat de brutale invallen van doen hebben met de speurtocht naar Rara.
Opmerkelijk is dat zowel tijdens de verhoren als in het dossier de waan wordt hooggehouden van een groot links radicaal netwerk. Een netwerk waarbinnen Rara zich beweegt en als het ware beschutting zoekt. Jan en ik hebben, na een twintigjarige carriere van linkse, buitenparlementaire actie, veel kennis en expertise, en dat is verdacht. Dan moeten wij wel weten wie bij Rara hoort en als wij zeggen dat we dat niet weten, zo gaat de logica in deze betonnen wereld, dan zijn wij zelf Rara.
Het komplot Rara. De frustratie van justitie. Het is niet zo raar: een heel leger rechercheurs is al jaren op zoek naar de daders. En zonder resultaat. Rara krijgt demonische afmetingen. Iedereen die niet netjes links is, is een verdachte. Nauwelijks de moeite waard om aandacht aan te besteden, ware het niet dat Jan en ik vastzitten.
3 APRIL, 8.00 UUR. Ik vouw de dekens op, doe mijn rekoefeningen en wacht op het ontbijt. Een van de verzorgers komt langs voor de lakens en de dekens. Of ik me wil klaarmaken voor vertrek. Ik protesteer. 'Ik ga niet naar het Paleis van Justitie zonder ontbijt.’ Hij brengt me koffie. Bij het hokje van de wachtcommandant staat Gerrit. Hij wenst me goedemorgen. Ik moet tekenen. Boeken in de tas. Naar beneden. Gerrit draagt m'n tassen op weg naar het Paleis. Een personenauto. Ik vraag of ik mag roken. Halverwege het Centraal Station van Den Haag, bij het Malieveld, geeft hij me een hand. 'Je bent vrij’, zegt hij. 'Daar had ik niet op gerekend, maar de Hogere Goden nemen de besluiten, niet ik, ik ben ook alleen maar een rechercheur.’
Gerrit wenst me succes en zegt dat C. en D. wel dolgelukkig zullen zijn. Hij heeft ook nog een advies. 'Je balanceert op het randje. Alles wat je zegt kan tegen je gebruikt worden.’