Charles-Louis Philippe, Bubu van Montparnasse

Dagelijks brood

Charles-Louis Philippe
Bubu van Montparnasse
Uit het Frans (Bubu de Montparnasse, 1901) vertaald door Zsuzsó Pennings
Voltaire, 150 blz., ! 19,90

Pierre Hardy was twintig en alleen met talloze begeerten, midden in een zeer aanlokkelijk Parijs.» De roman uit 1901 begint sfeervol op de avond na de veertiende juli, wanneer op Boulevard Sébastopol het nachtleven begint. Te midden van de menigte de trieste provinciaal Pierre, technisch tekenaar, lopend van vrouw tot vrouw: «Voor zijn ogen liep de Vrouw met haar geslacht, haar wijdopen geslacht, zoals Louis Buisson het uitdrukte. Plotseling was Pierre Hardy niets meer, helemaal niets.» Louis is zijn enige vriend, maar al 25 en levenswijs. Dan ontmoet eenzame Pierre de voormalige bloemenverkoopster Berthe, straatmadeliefje sinds ze in handen van Maurice is gevallen. Diens bijnaam is Bubu, maar hij is niet de hoofdpersoon van dit sociaal-realistische drama, wel de belichaming van de grote stad. Hij gelooft in een verband tussen intelligentie en kracht: opgeleid tot schrijnwerker, werkte hij liever als verhuizer en nog liever werkt hij helemaal niet. Berthe is hem onderdanig, ook als hij haar met klappen in het gareel houdt. De provinciaal valt op haar en heeft er de nodige stuivers voor over: «Ik troost me een beetje met de gedachte dat ik eens je dagelijks brood was», zegt Pierre in de nabeschouwing. Wanneer Berthe de sief onder de leden blijkt te hebben, geeft zij hem de schuld. Toch proberen ze beiden, wanneer Bubu in de lik zit, aan hun lot te ontkomen, totdat het baasje, vergezeld van een vriend en vriendin, de hotelkamer van het liefdespaar binnenstapt om zijn «geldgleuf» op te halen. «Ze vertrok naar een wereld waar individuele liefdadigheid machteloos is omdat er liefde is en geld…»

Zo zag Parijs er dus ook uit: Philippe, wiens eigen leven ook niet zo rooskleurig verlopen is, gaf in elk geval een kleine typologie van dameshoeren en herenhoerenlopers. Het zal niet verbazen dat menige tekenaar dit boek wilde illustreren, onder anderen de Nederlander Gerd Arntz. De nieuwe tekeningen van Peter van Hugten maken de roman nog oubolliger dan hij al is. Waarom die alsnog vertaald moest worden, is mij een raadsel. «Een van de klassieken uit de twintigste-eeuwse Franse literatuur» – omdat Gide en Claudel tot de vrienden behoorden van de sociaal bewogen zoon van een klompenmaker? Aan Frans Coenen en Johan de Meester heb ik betere herinneringen. Philippe moet met zijn schilderingen van de door het lot misdeelden en verworpenen in zijn tijd erg populair geweest zijn.