Verfilming van Coetzee’s roman Disgrace

Dahlia’s in een onbarmhartig land

Het leven kent geen genade. Het desolate landschap in de film Disgrace biedt ook geen enkele ontsnappingsmogelijkheid. Het is tuinieren tegen de klippen op.

Medium disgrace

DE FILM VERBEELDT de eenzaamheid het best. Of het nu de cowboy is die alleen komt en weer alleen vertrekt, na orde op zaken gesteld te hebben, nooit mooier verbeeld dan in George Stevens’ Shane, of de vreemdeling die verdwaalt in een metropool, zoals in Sofia Coppola’s Lost in Translation, het beeld van de eenzame man of vrouw die zich een weg zoekt onder barre omstandigheden in een genadeloze omgeving, blijkt goed te passen bij de toeschouwer die in een donkere zaal ook op zichzelf en zijn fantasie is teruggeworpen. In dat opzicht was Disgrace al filmisch voordat iemand zich meldde om deze veel bekroonde roman van J.M. Coetzee uit 1999 (onderscheiden met onder meer de Booker Prize) te verfilmen.
Waarom koos Coetzee uit de vele aanbiedingen die hij kreeg juist Ann Maria Monticelli, een onervaren Australische scenariste, om haar de filmrechten te gunnen? Er was keus genoeg. Wist hij toen al dat ze de film zou laten regisseren door haar even onervaren vriend, Steve Jacobs? Of kon hem dat allemaal niet schelen, omdat hij zich er al bij voorbaat mee had verzoend dat een film zijn roman toch nooit zou kunnen benaderen. Wat kun je in zo’n geval beter doen dan je project in handen geven van een mooie jonge vrouw, die je verzekert dat ze trouw zal zijn aan elke letter die je hebt opgeschreven, in plaats van het te geven aan een van de grote filmproducers uit Hollywood? Coetzee beschrijft te vaak dit soort kordate vrouwen, die zijn hoofdpersonen vergeefs als minnaar begeren, om die overweging er niet bij te betrekken.

Disgrace is niet te verfilmen. Het grootste obstakel bij de verfilming is immers de invulling van dat wat alleen bij hoge uitzondering in de roman in woorden wordt uitgedrukt, en wat we uit de context moeten begrijpen, uit voor- en achternamen, uit plaatsen van herkomst, uit beschrijvingen van de kleur van het haar en de ogen. Het hoofdpersonage, professor Lurie, is blank en de studente met wie hij een verhouding begint aan de universiteit van Kaapstad, Melanie Isaacs, is gekleurd; zijn dochter Lucy is blank en de mannen die haar omringen (en uiteindelijk verkrachten) in haar buitenplaats aan de Oostkaap zijn zwart. In een film kun je zo’n cruciaal gegeven niet in het midden laten. Zo is Disgrace daarom vanaf het begin een film over rassentegenstellingen in het postkoloniale Zuid-Afrika. Natuurlijk is dat een belangrijk thema van deze film. Maar het is eerder de achtergrond voor het uitwerken van een veel fundamentelere kwestie. Uiteindelijk gaat Disgrace over menselijkheid, over waardig gedrag, over het onderscheid tussen mensen en dieren.

Heeft Coetzee de zwarte nieuwe landeigenaren van Zuid-Afrika af willen schilderen als een bende verkrachtende oplichters? Je kunt het erin lezen als je wilt. Het is gebeurd en Coetzee is erom aangevallen. Maar als je dat doet, vergeet je gemakshalve dat de beschrijving van slechte mensen in de wereldliteratuur nooit grenzen kent als het op ras, geslacht of maatschappelijke positie aankomt. Eigenlijk zou je het maar zijdelings over de actuele situatie in Zuid-Afrika moeten hebben wanneer het over Disgrace gaat. Het is een achtergrond, die bijzonder goed paste bij wat Coetzee op dat moment over menselijkheid te vertellen had. Een andere schrijver op een andere plaats zou eenzelfde thema kunnen invullen met ervaringen uit een van de andere plekken op de wereld waar mensen elkaar als beesten naar het leven staan, van Darfur en Uruzgan tot de sloppenwijken van Rio de Janeiro, New York, Amsterdam-Zuidoost of Utrecht-West. Binnenkort in een theater bij u in de buurt.
Maar een film kan die couleur locale nooit universeel maken. We zien professor Lurie, gespeeld door John Malkovich, die zo zijn eigen Hollywood-filmgeschiedenis als genadeloze killer met zich meesleept, in een omgeving die vanwege enkele duidelijke landschaps- en stadsscènes niet anders dan ‘Zuid-Afrika’ kan betekenen (en als je het er niet uithaalt, dan doen de inhoudsbeschrijvingen op de bioscoopwebsites, die velen van tevoren zullen raadplegen, dat wel). Dat landschap is verlaten, stoffig, bergachtig – zoals we dat kennen uit veel westerns. Maar hier komt geen cowboy op zijn paard een heuvel af rijden om een eenzame blanke vrouw in haar prairiehuis bescherming te bieden tegen indianen en criminelen. (Al is de vergelijking met de western Once upon a Time in the West gemakkelijk te maken.) Hier zien we een vrouw die zich koste wat kost aanpast, en zichzelf in leven houdt met wat de aarde haar brengt. Ze kweekt, toppunt van nutteloosheid in deze omgeving, veelkleurige dahlia-achtige bloemen. Door ze op de plaatselijke markt te verkopen, samen met groente en kruiden, kan ze zich een karig bestaan veroorloven. Als ze de beschikking houdt over haar land en het water natuurlijk. En dat kan alleen als ze gedoogd wordt door haar omgeving.

Medium disgrace 2

HET IS EIGENLIJK een heel oud verhaal dat hier wordt verteld, over ‘de ander’ en ‘de vreemdeling’. Maar van alle nadelen die de verfilming van Disgrace heeft, zien we door de realistische verbeelding van die eenzame positie, opeens een invulling die het verhaal aan kracht doet winnen. Lucy, de in veel opzichten mysterieuze dochter van Lurie, gaat koppig door met het bewerken van haar tuin, met het op een heel eenvoudig niveau creëren van schoonheid in haar directe omgeving. Ze biedt haar oude vader hiermee het inzicht dat het leven onder de moeilijkste omstandigheden nog waard is om geleefd te worden als je maar productief bent, en als je zelf leven voortbrengt. Een kind op de wereld zetten, en dat liefdevol grootbrengen, kan de rechtvaardiging zijn van een bestaan. Om die reden breekt ze de zwangerschap niet af die het resultaat is van de verkrachting. Waar Lurie, egocentrisch, meende dat zijn leven voorbij was, omdat hij op zijn leeftijd alleen nog maar seks kon hebben als hij ervoor betaalde of als hij het op grond van zijn positie als docent afdwong, laat zijn dochter zien dat een leven zonder seksuele verhouding ook een mogelijkheid is.

In de roman blijft dat een positie die met veel verklaringen acceptabel gemaakt moet worden. Coetzee neemt daarvoor zijn toevlucht in de aloude tegenstelling tussen mannen en vrouwen, waarbij hij suggereert dat vrouwen mannen veel minder nodig hebben om te kunnen bestaan. Lucy is lesbisch, wat haar vader vertaalt als ‘gebrek aan passie’. Maar de passie die hem bevangt, in betrekkingen met mooie vrouwen, hebben ook eerder te maken met het bezitten van schoonheid dan met het ervaren van een grootse gepassioneerde liefde voor één enkel mens. In die zin verschilt hij weinig van de verkrachters van zijn dochter, die ook uit zijn op bezit – alleen niet van schoonheid, maar van een blanke vrouw.
Door de realistische invulling die Ann Maria Monticelli en Steve Jacobs aan dit spiegeleffect in Disgrace geven, is de film ook veel moralistischer dan de roman. Hij biedt geen ruimte voor de mogelijkheid dat Melanie Isaacs, de studente die door Lurie wordt verleid en die hem later aan de schandpaal nagelt, ook zelf nog niet duidelijk weet of ze zich als object van schoonheid wil laten bewonderen, en Lurie op haar beurt wil gebruiken, of dat ze een eigen weg wil gaan los van de mannen om haar heen. Lurie is in de film de verleider, Melanie het slachtoffer, zoals later de kennissen van Petrus de verkrachters zijn en Lucy het willoze doelwit van hun acties. Daarmee wordt het thema van de fundamentele eenzaamheid van al deze figuren, op het niveau van het filmverhaal, naar de achtergrond gedrongen.

Maar wat de film vervolgens bijdraagt aan het totaal, waardoor het uiteindelijke resultaat toch nog indrukwekkend wordt – en een verfilming die de roman waardig is – is de lege, genadeloze rauwheid van het beeld. Disgrace is bepaald geen verkapte promotiefilm ter bevordering van het toerisme naar Zuid-Afrika, zoals veel films die op exotische locaties worden gedraaid. De ‘big five’ van de safari zijn in geen velden of wegen te bekennen. Alleen wie leeg, stoffig bergachtig landschap op zichzelf al bijzonder vindt, omdat hij in een overbevolkte platte delta woont, zal er enige schoonheid in kunnen ontdekken. Voor alle anderen bieden deze lege beelden geen enkele ontsnappingsmogelijkheid. Hier werkt de film op volle kracht. Want waar anders is zo’n sterke identificatie mogelijk met een weids landschap, dat altijd aanspoort om je er als toeschouwer in te projecteren en dat je tegelijkertijd angstig maakt en fascineert? Meer nog dan de schilderkunst en de fotografie is de film ertoe in staat – vanwege de omvang van het beeld en de voorwaarde van de donkere omgeving – om iedere toeschouwer te isoleren, en te confronteren met een besef van verlatenheid dat vaak liever wordt ontkend. Die paar rijen fleurige bloemen, keurig naast elkaar geplant, afgewisseld met kroppen sla, het nuttige met het aangename verenigd, veranderen daar weinig aan. Maar het brengt soms enige verlichting in een bestaan dat verder doordrongen is van verlies.
Aan het slot van de roman neemt Lurie afscheid van zijn laatste vriend, een hond, die hij laat inslapen omdat niemand hem een thuis kan geven. Een geciviliseerde dood voor een dier als kleine overwinning op de barbaarse maatschappij die hem omringt. Het is Lurie’s werk geworden in de dierenkliniek waar hij een nieuw bestaan vond. In de film gaat Lurie aan het slot nog eens bij zijn hoogzwangere dochter langs voor een kopje thee. Ook geciviliseerd, maar wel van een andere orde. Gelukkig is daar dan weer dat onbarmhartige landschap rond Lucie’s bloementuin. Er is geen genade – en het eind komt altijd onverwacht. Het landschap van Zuid-Afrika heeft erbij geholpen om die boodschap in de film toch nog luid en duidelijk over te brengen.

Disgrace gaat op 4 juni in première

Beeld: (A-film)