Dalen vol doden

In De kinderen van de doden van Elfriede Jelinek komt heel wat van de Oostenrijkse Alpen naar beneden storten. Letterlijk, zoals meteen in het begin een Chrysler Voyager vol pensiongasten die in de diepte stort, of een paar bladzijden verderop de wereldkampioene skiën Ulli Maier, die ‘op een tijdwaarnemingspaal (een scepter van de eeuwigheid) die het waagde om met de eindigheid te spotten, haar nek gebroken en haar halsslagaders gescheurd’ heeft.

‘Het leven is een van de vele klimscholen der natuur, waarin onze schepper zich snel van zoveel mogelijk exemplaren van onze soort kan ontdoen’, zo lees je, en Jelinek stort in dit boek de Oostenrijkse dalen vol doden: de bekende doden en de naamloze, sporthelden en anonieme zelfmoordenaars, zij die omkwamen bij een persoonlijk ongeluk, zij die stierven aan het ongeluk dat de geschiedenis zelf is. In vrijwel iedere zin van deze roman valt wel iemand van zijn bergwand en hoe voller de dalen raken met wie verdwenen, hoe meer er opgedolven wordt van het Oostenrijkse verleden, dat tegelijkertijd een Europees verleden is. Want De kinderen van de doden kun je opvatten als een soort wrekende Vergangenheitsbewältigung, het woedend, maar ook met een satanisch plezier blootleggen van wat in het alledaagse leven weggestopt is onder de vrede, de rust, de natuur die de toeristenfolders aan de vrede, rust en natuur zoekende bezoekers van Oostenrijk beloven.
Het is een boek dat gaat over onder andere het jodendom, over Auschwitz, het rooms-katholicisme, over de gnosis, vooral zoals die door het nationaal-socialisme is misbruikt. Het verwijst naar Griekse mythologie, naar denkers als Kant, Hegel en Heidegger, naar schrijvers als Rilke, Trakl, Hölderlin, Celan, Benn, Botho Strauss, Elias Canetti; naar de sportverdwazing, het toerisme, vreemdelingenhaat en gezapigheid in de huidige Oostenrijkse burgerlijke maatschappij; naar volksmuziek en -cultuur (Lederhosen!); naar de politieke situatie in Oostenrijk (Jörg Haiders extreem-rechtse FPÖ) en naar nog duizenden andere dingen (vertaalster Ria van Hengel geeft in een nawoord een pagina’s lange opsomming). Het is een boek dat als het ware schreeuwt om annotatie, om een notenapparaat dat de omvang van het boek minstens zou verdrievoudigen.
Want Jelinek heeft er niet voor gekozen al die zaken rechtstreeks en expliciet aan de orde te stellen, maar laat ze aan de oppervlakte komen in een even lyrisch als ingewikkeld spel met en in de taal. Ze bespeelt alle registers, zodat oudtestamentische zinswendingen en woorden een merkwaardig verbond aangaan met zoiets als de Hema-worst, Sein und Zeit met turbotaal en soms lees je pagina’s waarop elke zin meerduidig is en waarin er tússen de woorden nog iets heel anders blijkt te staan dan ín de woorden.
De kinderen van de doden is een boek van zinnen, een gedicht van bijna zeshonderd pagina’s. Het doet denken aan Finnigan’s Wake van Joyce, al is het misschien net wat minder extreem en is de inzet een andere. Het is vooral een indrukwekkend boek. Het legt niet alleen bloot wat niemand zich voortdurend wenst te herinneren, maar vooral ook hoe de Oostenrijkers, wij allemaal, die herinnering voortdurend verdringen. Moet ik zeggen dat het een meesterwerk is? Dat woord is door veelvuldig misbruik misschien al te zeer verbleekt. Laat ik het zo zeggen: het boek is de hele twintigste eeuw, in al zijn tragiek en verblinding.