Salvador Dali in Boijmans Van Beuningen

Dali op maximale snelheid

Salvador Dali maakte kunst van zijn gedachten. De schilderijen, omslagen, platenhoezen, foto’s, filmwerken en modeontwerpen die zo ontstonden, zijn nu te zien in Boijmans Van Beuningen

In zijn boek Gesprekken met Picasso beschrijft de fotograaf Brassaï zijn eerste ontmoeting, in 1932, met Salvador Dali en Elena Dimitrovni Diakonova, beter bekend als Gala.

«De man was knap, met een uitgemergeld, bleek olijfkleurig gezicht en een snorretje; zijn grote ogen, als van een hallucinant, glinsterden; zijn lange zigeunerhaar droop van de brillantine. Zijn losse boord met blauwe strepen en de knoop in zijn rode stropdas verrieden zijn behoefte om op te vallen.»

Natuurlijk is de beschrijving van deze eerste ontmoeting gekleurd door later verworven inzichten, zoals nu ook Dali, op een foto van die eerste ontmoeting, opvallende gelijkenis vertoont met de acteur Sean Penn. Met inderdaad glinsterende ogen, in een voortdurende strijd tussen de behoefte te zien en gezien te worden. Het is maar de vraag in hoeverre deze blik een authentiek uiterlijk was, of ten dele een pose. Iets in de houding van Dali zoals die door Brassaï beschreven wordt, weerspiegelt ook de mode van die jaren. Men hield er nu eenmaal van om met priemende, wijd opengesperde ogen in de lens van de camera te kijken. Misschien wel geïnspireerd door de theatrale close-ups die vanuit Hollywood het Europese continent bestormden en die een uitdrukking gaven aan het verlangen naar een roekeloze besluitvaardigheid. Want met dezelfde woorden had Brassaï ook de blik van Adolf Hitler of een willekeurige vakbondsleider uit die jaren kunnen beschrijven. Het is de blik die het gezag van de gedachte en de theorie vertegenwoordigt en met niets anders tevreden kan zijn dan met de algemene erkenning van haar eigen gelijk.

Begin jaren dertig werd Dali door André Breton nog als de hoop van de surrealistische beweging opgevoerd. «Dali», schreef hij, «zal de surrealistische geest belichamen en deze in volle glorie naar buiten brengen, zoals alleen iemand dat kan die geen deel heeft gehad aan de soms ondankbare episoden van het ontstaan van het surrealisme.»

«Ondankbare episoden» die de theoretische splijtzwam overigens grotendeels aan zichzelf te danken had. Het is een fenomeen dat zo ongeveer uitgestorven is, maar nog niet zo lang geleden was men niet alleen kunstenaar; men was ook iets. Kubist bijvoorbeeld. Of dadaïst. Aanhangers kortom van bepaalde regels. Deelnemers aan een collectieve visualisering van een bepaalde theorie.

Dat zo’n theorie noodzakelijk was leed geen twijfel. Door de komst van de nieuwe media als film en fotografie werd de kunst meer en meer haar eigen onderwerp, en bestond derhalve voor een belangrijk deel bij de gratie van de theorie. Wat natuurlijk ook weer aanleiding was voor ruzies, scheldpartijen en verbroken verbonden. In Dali meende Breton echter het perfecte instrument voor zijn ideeën gevonden te hebben. Hij was briljant, excentriek, opvallend, onvoorspelbaar, mediageil en, niet onbelangrijk, bij tijd en wijle behoorlijk geestig. Niet zo’n sombere mopperaar als De Chirico in ieder geval. Toen het wonderkind, geleid door zijn muze en zaakwaarnemer, zijn eigen weg ging en godbetert zijn heil ging zoeken in Amerika, en ook nog eens succes had, kon dat door de zelfverklaarde leider van de surrealisten als niets minder dan verraad worden opgevat. Van zo goed als de ene op de andere dag was Dali «ultrareactionair» en werd hij derhalve, zoals zovelen voor hem, buiten de surrealistische orde geplaatst.

Op ons alwetende moderne mensen heeft deze intens beleefde richtingenstrijd een bijna vertederende uitwerking. Want in alle ernst: waar hebben we het over?

Om deze radicale theoretische positionering te kunnen begrijpen moeten we ons inleven in de vroege twintigste-eeuwers, die met hart en ziel eigenlijk nog steeds in de voorgaande eeuw woonden.

Veel, zo niet alle extremen van de eerste helft van de twintigste eeuw zijn in de kern het resultaat van een monumentale botsing tussen het romantische, negentiende-eeuwse woord en het modernistische, twintigste-eeuwse beeld. Een botsing waarvan de klap nog tot in onze tijd doorgalmt, maar die in de tijd waarover we schrijven door haar geweld alles moet hebben overstemd. De voet op het gaspedaal die tot de botsing leidde was van Sigmund Freud die, in zijn door Dali aandachtig gelezen Traumdeutung, als eerste een poging ondernam om de grammatica van het beeld te ontleden en daarmee en passant de nog jonge beeldcultuur van een primaire theorie voorzag.

Als dan, achteraf niet ontdaan van symboliek, op 1 februari 1900 bij de Eastman Kodak Company in New York de Brownie – ’s werelds eerste rits-rats-klik-camera – van de lopende band rolt, is het hek van de dam. Het beeld wordt vanaf nu niet alleen gezien, maar ook gesproken. En het wordt immaterieel en objectief. In bioscopen worden films vertoond die een werkelijkheid boetseren van puur licht. De machine en de mogelijkheden van reproductie worden het onderwerp van vele overspannen manifesten en toekomstvisioenen. En te midden van deze beeldenbraak is de mens in zijn diepste wezen nog altijd een schrijver en lezer van woorden.

De ideologische radicaliteit en de existentiële verwarring die de vorm en omvang hadden van een wereldwijde epidemie, maar ook de vele spastische bewegingen van de kunst uit die jaren, zijn als de eerste brabbelachtige oefeningen met die nieuwe taal van het beeld.

Als Dali in 1934 een contract sluit met Randolph Hearst om illustraties en omslagen te maken voor het familieblad American Weekly – oplage zestig miljoen exemplaren – is hij een van de eerste, in wezen negentiende-eeuwse kunstenaars die deze nieuwe media als een passend canvas voor hun kunstenaarschap zien. De eerste die dus in feite pure mediakunst maakt. Hij pleegt daarmee geen verraad aan zijn verleden, integendeel: de mechanische reproductie tilt het kunstwerk boven zijn eigen werkelijkheid uit en maakt het op een ongekend zuivere wijze sur-reëel.

Dali werd onweerstaanbaar aangetrokken tot de grote droommachines van Hollywood en Hearst. En in zijn pogingen om opgenomen te worden in dat wonderlijk lichte en complexe mechanisme, dat als geen enkele kunstenaar bij machte was de werkelijkheid in de meest vreemde richtingen te duwen, was Dali verbluffend succesvol. Hij werd in korte tijd een house-hold name en een wereldster. Niet alleen leverde hij bizarre en zo te zien volstrekt vrije bijdragen aan het voornoemde familieblad, ook maakte hij omslagen voor bladen als Vogue en Town & Country. Hij ontwierp stoffen en platenhoezen en schuwde nimmer de publiciteit. Daarnaast maakte hij advertenties voor kousen en presenteerde hij op de klinisch-futuristische wereldtentoonstelling van 1939 het op perverse bijgedachten gefundeerde zwoele minipretpark Dream of Venus.

Al deze zaken, als ook mooi gepresenteerde filmwerken voor Hitchcock en Disney, worden in de huidige tentoonstelling in Boijmans Van Beuningen uitvoerig belicht. We ontdekken ook de modeontwerper Dali en de excentriekeling op leeftijd die, als een slap geworden afgietsel van zichzelf, in televisiereclames Datsuns en Alka Seltzer aanprijst. Wandelend door de grote open zaal van het museum die vanwege de vele glazen vitrines oogt als een chique warenhuis, word je langzaam aangestoken door een vrolijk en triomfantelijk gevoel. Een gevoel dat Dali zelf, in het voorwoord van zijn in 1948 verschenen boek 50 Secrets of Magic Craftmanship, aldus beschrijft:

«Toen ik zes was wilde ik Napoleon zijn – en ik was het niet.

Toen ik vijftien was wilde ik Dali zijn en ik ben het geweest.

Toen ik vijfentwintig was wilde ik de meest sensationele schilder van de wereld zijn, en ik werd het.

Op m’n vijfendertigste wilde ik mijn leven veilig stellen met behulp van succes en het is me gelukt.

Nu, op m’n vijfenveertigste wil ik een meesterwerk schilderen dat de moderne kunst zal verlossen van de chaos en de luiheid. Het zal me lukken!»

Alleen dat laatste schilderij heeft hij nooit gemaakt. In tegenstelling namelijk tot wat hijzelf niet moe werd te beweren, was Dali zeer zeker niet de beste schilder van de wereld. Terwijl in zijn grafische werk de gedachte gelijk lijkt te lopen met de beweging van zijn pen, etaleren de schilderijen over het algemeen een vermoeid geboetseer aan een idee dat alweer voorbij is. Op deze tentoonstelling staan ze, als autonome werken, dan ook in de schaduw van zijn totale kunstenaarschap, waarvan ze eigenlijk slechts de illustraties zijn. Dali gebruikte het schilderij als instrument. Als methode om van een gedachte kunst te kunnen maken. Kunst die op haar beurt, gereproduceerd door de media, het beoogde doel om deel te worden van de nieuwe visuele mythe moest bereiken.

En in dat laatste is hij zeker geslaagd. Het is niet toevallig dat hij als een van de weinige vertegenwoordigers van de vooroorlogse Europese avant-garde werd uitgenodigd op de feestjes van Andy Warhol. En ook nu weer in het digitale tijdperk, waar de zoekmachine Google ons nieuwe collectieve onderbewuste is geworden, blijkt het merk Dali vruchtbare bodem voor bespiegelingen over vroeger en strategieën voor de toekomst. Rondlopen op deze tentoonstelling is als waden door een bad van waanzin, schoonheid en vergeelde utopie.

De kunstenaar die dit bad op temperatuur bracht kan niet anders dan met bewondering en afgrijzen tegemoet getreden worden. Hier past geen plattelandskritiek over de methode die gebruikt werd, hier telt slechts het resultaat. En dat is ronduit indrukwekkend.

Alles Dali

Boijmans Van Beuningen, tot en met 12 juni
www.boijmans.rotterdam.nl/