Dameskapsalon

Elif Shafak
Het Luizenpaleis
Uit het Turks (Bit palas, 2002) vertaald door Margreet Dorleijn en Hanneke van der Heijden
De Geus, 476 blz., 22,50

Romans onder de driehonderd pagina’s worden zeldzaam. Dat heeft, denk ik, minder met uitdijend verteltalent dan met praatzieke tekstverwerkers te maken. De eerste roman die nu van de Turkse schrijfster Elif Shafak (1971) vertaald is, haar vierde, is omvangrijk, had korter kunnen zijn maar moeiteloos ook uitgebreider, wat niet verbaast bij een raamvertelling. Istanbul is van oudsher een stad waar de huizen niet langs de wegen, maar de wegen langs de huizen worden gebouwd. Voor een dringend noodzakelijke hoofdweg moest daarom eerst een weg gebaand worden, waarbij twee kerkhoven in de weg stonden: een grote van moslims, een kleine van orthodoxe Armeniërs. De ontruiming is al een mooie roman in het klein. Op die plaats werd in 1966 een flatgebouw neergezet, het zogeheten Zuurtjespaleis, het kader van de raamvertelling. De roman speelt zich daar af, anno 2002, per hoofdstuk wisselend van appartement: een allegaartje van kleurrijke types, onder wie de Ultramarijne Minnares, een student die met een bernhardhond in een kelderwoning hokt, een kapperstweeling, enzovoort. Uiteraard is de dameskapsalon een plek waar diverse verhalen elkaar kruisen. Inventief is de opmaat van de roman, een lofzang op de cirkel: als de waarheid een rechte horizontale lijn is en de leugen een verticale, dan is onzin, die begin noch einde kent, iets als een cirkel.

Waarom de flat Zuurtjespaleis heette, is een verhaal apart: de eigenares zag weer kleuren toen ze de kern van een zuurtje proefde. De naam Luizenpaleis is misleidend, omdat er meer kakkerlakken dan luizen in wonen. De beestjes hebben weer te maken met de steeds erger wordende stank. Pas op het laatst blijkt waar die vandaan komt: van Tante Madame, die vuilniszakken mee naar huis neemt en ze daar sorteert. Terzijde, en pas op het laatst, maakt Shafak er een allegorie op Istanbul van: «De modernisering van de stad is begonnen toen de opvatting postvatte dat je niet het weggegooide vuil moest verzamelen, maar het verzamelde vuil moest weggooien.» Shafak is voorzichtig met sociale en historische toespelingen, misschien omdat ze in Amerika leeft. Dat ze in Frankrijk geboren is en in meer landen gewoond heeft, is voor de lezer minder interessant dan haar constatering dat ze in het Turks niet – of niet meer? – met taal kan spelen en daarom nu in het Engels schrijft. Of ze beter is dan Orhan Pamuk? Ik ben benieuwder naar meer werk van Elif Shafak.